VERGEEFS DANSTEN DE SIOUX

Over the Earth I Come. The Great Sioux Uprising of 1862 door Duane Schultz 307 blz., geill., St. Martin's Press 1992, f 57,- ISBN 0 312 07051 9

Toen kwam die zondag in 1862 dat het dorp New Ulm in de Amerikaanse staat Minnesota werd opgeschrikt uit de siësta. De stoffige stilte werd verscheurd door het roffelen van een trommel en het snerpen van een fluit. Plots was de hoofdstraat vol indianen. Het waren Santee-Sioux. Zij waren volledig getooid en beschilderd, slaakten dreigende kreten en marcheerden op hun wilde paarden heen en weer. De dorpelingen keken elkaar ongelovig aan en sommigen knikten nog vriendelijk naar de Sioux die zij als hun vrienden beschouwden. Niemand was zich er van bewust dat zij op het punt stonden slachtoffer te worden van een van de bloedigste indianenopstanden in de Amerikaanse geschiedenis.

Twee keer trokken de Sioux door de dorpsstraat, en toen sloegen zij toe. Gezinnen werden levend verbrand in hun boerderijen, kinderen verkracht en vastgenageld aan deuren, en baby's voor de ogen van hun moeders aan stukken gereten. Bijna veertigduizend blanke kolonisten uit de wijde omgeving van New Ulm sloegen in paniek op de vlucht. Toen zij na een week terugkeerden, troffen zij hun nederzettingen verwoest aan.

De opstand in 1862 van de Santee-Sioux kwam voor menig kolonist onverwacht. Bij de blanken stonden de Sioux (de populaire naam voor de Dakota-indianen) als zeer vreedzame, "tamme' indianen bekend. Net als de andere nomadische prairie-indianen waren zij geen volk met een centraal gezag, maar een losse federatie van stammen, verbonden door onderlinge huwelijken en een gemeenschappelijke jachtcultuur met driedaagse rituele "zonnedansen'. Opvallend aan de Sioux was dat zij een van de eerste stammen waren die een grote tolerantie toonden tegenover de ""blanke bezoekers''. Zelfs al voor 1840 had een aantal kolonisten de "zonnedansen' bijgewoond.

Zoals zovele stammen in de jaren zestig, leefden de Sioux in onmin met de indianenvolkeren in aangrenzende gebieden. Door deze onderlinge verdeeldheid konden de indianen door de eerste kolonisten relatief eenvoudig tegen elkaar uitgespeeld worden. Zo wisten de blanken dat de Sioux sinds hun vestiging op de vlakten van Minnesota in 1750 zich voortdurend tegen de Chippewa's teweer hadden moeten stellen. Toen Franse kolonisten die stam van vuurwapens voorzagen, stonden de Sioux snel daarna open voor toenadering van de blanken. Aanvankelijk waren zij de kolonisten zelfs dankbaar voor hun hulp in de vorm van wapens en geld in de strijd tegen andere stammen. Dit verklaart ook dat de Sioux, in vergelijking met andere stammen als de Apachen, Shawnees en Comanches, relatief eenvoudig in 1850 in een reservaat opgenomen konden worden.

CORRUPTE HANDELAREN

Maar de relatieve harmonie duurde niet lang. Al spoedig werd het indianenreservaat van de Sioux in Minnesota overspoeld door corrupte blanke handelaren. Alexis de Tocqueville had in zijn Democratie in Amerika onder andere de Sioux voor ogen toen hij opmerkte: ""Zoals de mens tegenover de dieren staat, zo staat de Europese mens tegenover de roodhuiden. Hij gebruikt ze en vernietigt ze.''

De Sioux realiseerden zich te laat dat het door de blanke "gereserveerde' leefgebied niets anders was dan een legaal middel om hun land in te pikken. Zo waren er in de jaren vijftig miljoenen hectaren van hun land geconfisqueerd door de eenvoudige mededeling dat zij voortaan in een reservaat leefden, terwijl zij niet eens wisten wat dit woord betekende. De consequenties van een en ander ging geheel aan de Sioux voorbij. Voor hun was van belang dat de blanken hen hadden geholpen in de strijd tegen andere stammen en voor de confiscatie van het land jaarlijks een bedrag van 72.000 dollar gaven waarmee zij van de blanke handelaren de noodzakelijke goederen konden kopen.

Geleidelijk drong bij de Sioux echter het besef door dat de "frontiermen' hun bestaan direct aantastten. De indianen werd steeds meer het recht ontzegd bepaalde jachtgebieden te gebruiken, en meer en meer werden zij gedwongen over te gaan op een agrarische levenswijze. Dit alles leidde tot grote interne spanningen. Zoals in andere indianenreservaten ook vaak het geval was, ontstond bij de Sioux een tweedeling tussen de "friendlies' en "hostiles': zij die zich wilden aanpassen, op de landbouw overgingen, westerse kleren gingen dragen, Engels spraken en open stonden voor de missionarissen en hun kerkdiensten, en zij die hun tradities en levenswijze niet wilden afleggen.

De laatsten zochten in hun verdrukking steun in een Messiaanse ""religion of the oppressed''. Zij klampten zich volledig vast aan het geloof dat zij met behulp van traditionele extatische dansen de geesten voorouders konden oproepen die de oude tijden konden herstellen en de blanken konden doen verdwijnen. Gaandeweg zou de "ghost dance religion' een typisch kenmerk van de Sioux worden. Zij zou ook een grote rol spelen bij de bloedige botsing met het Amerikaanse leger in 1876 in de buurt van Little Big Horn waarbij de flamboyante generaal Custer en tweehonderdvijfentachtig van zijn manschappen in de pan werden gehakt, en, wellicht bekender, de slag bij Wounded Knee in 1890 waarbij Sioux-opperhoofd Big Foot en driehonderd mannen, vrouwen en kinderen de dood vonden.

LITTLE CROW

Maar zover was het nog niet in 1862. Toen verwachtten slechts zeer weinig blanken een revolte van de indianen. In zijn helder geschreven Over The Earth I Come. The Great Sioux Uprising of 1862 beklemtoont de Amerikaanse historicus Duane Schultz dan ook dat tot 1862 de "friendlies' het in het Sioux-reservaat van Minnesota voor het zeggen hadden. Deze indianen stonden inderdaad vriendelijk tegenover de blanken en onder leiding van hun opperhoofd Little Crow waren de meesten ogenschijnlijk genegen de door de blanken opgelegde agrarische levenswijze aan te nemen. Zij bezochten bovendien de kerkdiensten regelmatig en in het aan het reservaat grenzende dorp New Ulm leefden blanken en roodhuiden vreedzaam naast elkander. Hier en daar waren zelfs al gemengde huwelijken gesloten en werden gezamenlijk festiviteiten gehouden. Op de ochtend dat de bloeddorstige opstand plaatsvond, hadden tal van indianen zelfs nog na hun kerkgang de dominee de hand geschud.

Niemand van de blanke dorpsbewoners kon voorzien dat twee uur later dezelfde kerkgangers het dorp zouden uitmoorden en vervolgens met de kinderlijkjes triomfantelijk door de straat zouden marcheren. De argeloosheid van de blanken jegens de indianen was de reden dat er zoveel slachtoffers vielen (de schattingen variëren tussen de honderd en tweeduizend). Niemand in het dorp hechtte waarde aan het gerucht dat de Sioux - hun Sioux - op oorlogspad waren, en men weigerde zelfs maar te denken aan vluchten. Zoals het Mevrouw Jones verging, zo verging het velen: ze kon niet geloven dat haar vriendelijke buurman Wowinape bezig was met moorden en plunderen, want de dag ervoor had ze met hem nog enkele gewassen geruild en plezier gemaakt. Enkele minuten later zag zij Wowinape, in oorlogskleuren en door het dolle heen voor haar ogen het lichaam van haar dochter van het vlees ontdoen.

In tegenstelling tot de dorpsbewoners maakte de leiding van het reservaat zich weinig druk over de erbarmelijke levensomstandigheden van de Sioux. Toen een delegatie van de indianen aan de directie vroeg of zij tot een vervroegde voedselvoorziening wilde overgaan, gaf de overheidsagent hen te kennen dat zij eerst het gras konden eten en, als dit genoeg bleek te zijn, ""er nog genoeg mest was om de honger te stillen''. De agent zou een van de eerste slachtoffers van de Sioux zijn. Onder de indianen ontstond grote hilariteit toen hij door een aantal pijlen getroffen achterover viel op een mesthoop en daar de laatste adem uitblies.

VERWESTERLIJKING

Ondanks de duidelijke sociaal-economische achtergrond van de Sioux-opstand verbaast Schultz zich er in zijn boek over dat de revolte tot nu toe voornamelijk als ""een plotselinge golf van geweld'' is beschreven. Er wordt in de bestaande literatuur weliswaar erkend dat de blanke leiding van het reservaat de indianen slecht behandelde, maar anderzijds wordt volgens Schultz veel te veel beklemtoond dat de blanke dorpsbewoners goede relaties onderhielden met de Sioux en maar weinig indianen bereid zouden zijn geweest naar de wapens te grijpen. Hiermee is dan snel de deur geopend naar de redenering dat de indianen het in het reservaat naar hun zin hadden en de opstand zeer onverwacht kwam, aldus Schultz. Daarmee wordt volgens hem voorbij gegaan aan het gegeven dat de verwesterlijking in het reservaat beslist niet diep geworteld was.

Feit was in ieder geval dat zelfs de "friendlies' wel degelijk genegen waren de wapens ter hand te nemen. Sterker, toen een aantal hongerige indianen voedsel uit een boerderij stal en hierbij vijf blanken doodde, realiseerden alle Sioux zich dat zij daar collectief voor gestraft zouden worden, en daarom net zo goed tot een grote aanval konden overgaan om wat eten binnen te halen. Hoewel de leider van de Sioux, Litte Crow, zijn krijgers aanvankelijk nog van een gevecht tegen de blanken kon weerhouden, besefte hij dat hij zijn uitgehongerde achterban nooit lang in toon kon houden.

In 1862 liep de latente spanning naar het kookpunt doordat de oogst mislukte als gevolg van de strenge winter. Terwijl de Sioux verkommerden, lagen de huizen van de handelaren in de buurt van het reservaat vol met voedsel. Toen bovendien de jaarlijkse uitkering van Washington van 72.000 dollar op zich liet wachten en zich onder de Sioux het gerucht verspreidde dat door de Burgeroorlog de Amerikaanse overheid een tekort aan geld had, waren ze niet meer te houden. Little Crow en zijn "friendlies' konden weinig meer inbrengen tegen de wanhopige klacht van de krijgers dat "zijn volk verhongerde'. Hij werd gedwongen de leiding te nemen in een gevecht dat gedoemd was te mislukken.

Toen het Amerikaanse leger daags na de opstand arriveerde, om hoofd te bieden aan wat de blanken ""een nationale oorlog'' noemden, bleek al snel dat de indianen kansloos waren. Little Crow en zijn krijgers werden verslagen en op de vlucht gedreven, en in het reservaat werden de achtergebleven Sioux die niet aan de gewelddadigheden hadden deelgenomen zwaar gestraft. In totaal werden achttienhonderd Sioux gevangen genomen, driehonderd opgehangen, waarvan achtendertig publiekelijk op het plein van Mankato, Minnesota.

Het leger verdreef de Sioux vervolgens naar nog armere en onvruchtbaardere gebieden. De erbarmelijke levensomstandigheden daar zouden aanleiding zijn voor de grote oorlogen van 1876 en 1890 waarbij Sioux-leiders Sitting Bull en Crazy Horse de blanken aanvankelijk met meer succes zouden bestrijden. De opstand van 1862 was zo het begin van de grote eindstrijd tussen autochtonen en de nieuwe inwoners van Amerika. Samen met de Apachen en Commanches zouden de Sioux toch nog dertig jaar lang een van de grootste obstakels voor de kolonisering van het Amerikaanse Westen zijn.