Verantwoordelijke Kamer

HET HAD ZO'N mooi moment kunnen zijn: de behandeling van het Verdrag van Maastricht in het Nederlandse parlement.

Dat mooie moment is niet gekomen en dat ligt niet aan de parlementariërs, hoe verleidelijk en modieus het inmiddels ook geworden is om parlementariërs en politici meteen maar van alles de schuld te geven. Het ligt aan het Verdrag van Maastricht zelf dat het zo'n doelloze constructie is geworden dat iedereen er alles over mag beweren. Voor de Britse regering is "Maastricht' het definitieve bewijs dat het federale Europa er nooit of te nimmer hoeft te komen, voor Deense tegenstanders is "Maastricht' een gevaarlijke ondermijning van de nationale soevereiniteit, voor Fransen een laatste instrument om Duitse hegemonie te verhinderen en voor Duitsers een politiek-psychologisch vangnet, waarvan helaas de mazen zo groot zijn dat de D-mark er doorheen zou kunnen vallen.

WAT MOET temidden van zoveel tegenstrijdigheden een ordelijk denkend Nederlands politicus staande houden? Het antwoord is eenvoudig: hij plooit wat, arrangeert zich en kijkt nieuwsgierig wat er in de internationale omgeving verder staat te gebeuren. Dat klinkt misschien badinerend, maar zo is het niet bedoeld. Het getuigt van realisme. De waakzaamheid van het parlement binnen de beperkte marges die er waren was adequaat, maar de marges waren niet van dien aard dat het land op zijn kop kon worden gezet. Het idee dat hier fundamentele debatten als in Londen konden worden gevoerd, werd vooral gevoed door lieden die veelvuldig BBC zappen en van theater houden. Het moet alleen niet worden verward met de fictie dat een "nee' tegen "Maastricht' een serieuze beleidsoptie zou zijn geweest voor Nederland. Dat was het niet, hooguit bestond ook in de publieke opinie in Nederland eventueel het risico dat een algemeen ongenoegen over recessie, illegalen, allochtonen, dalende graanprijzen en een groeiende ochtendspits zich op zoiets symbolisch als "Maastricht' zou kunnen fixeren om Haagse heren eens een doeltreffende schop tegen de schenen te geven.

De internationale omgeving ziet er guur uit. Recessie-achtige krampen dienen zich gelijktijdig aan in alle drie de centra van de wereld - Japan, de Verenigde Staten en West-Europa. In de Europese Gemeenschap zelf is sedert de opstand tegen "Maastricht' een proces van verlamming gaande dat in grote en kleine zaken tot uitdrukking komt. EG-commissarissen ruziën openlijk met elkaar en laten zelfs de heilzame schijn van supranationaliteit en onafhankelijkheid varen. Zelfs routineklussen als de opvang van een staalcrisis versterken het crisisgevoel in zo'n sector.

DE TELEVISIEKIJKER mag zich door het Britse politieke schouwspel gecharmeerd voelen, maar het is tegelijkertijd nuttig om vast te stellen dat de Britse politiek achter een façade van nostalgie en pruiken een onverantwoord spel met het Europese vasteland speelt. Komisch is misschien nog om te zien hoe een land dat nu al decennia lang niet in staat blijkt om een enigszins moderne samenleving op te bouwen, zich hult in een krijtstreep van soevereine distantie. Zolang de Britten zich via de bestaande EG toch met Europa blijven bemoeien, dragen zij ook bij aan een verdere verlamming van de Gemeenschap.

Maar, elk decennium in de geschiedenis van de Europese Gemeenschap heeft zulke impasses gekend, en telkens weer is de Gemeenschap er uitgekomen. Het grote verschil met vroeger is echter dat er niets anders dan deze EG meer is. Geen Berlijnse Muur, geen dwingend veiligheidsarrangement kan een verpulvering van de Europese Gemeenschap voorkomen. De leden zijn op eigen wilskracht en politieke overtuiging aangewezen.

DE FRANSE politiek heeft zich geleidelijk aan teruggetrokken in een egelstelling. Een oude, vermoeide president en een regering die gelaten de verkiezingsnederlaag van volgend voorjaar afwacht, maken samen een stugge EG-partner. Maar in elk geval heeft Frankrijk zich per referendum, zij het op het nippertje, aan het integratieproces gehouden. Intussen is Duitsland door zichzelf geabsorbeerd, raakt gefrustreerd over het onbegrip van de andere EG-landen bij het vluchtelingenvraagstuk - de flap-uit minister Kinkel roept het elke week - en Helmut Kohl krijgt thuis de rekening gepresenteerd van de nederlagen die hij op de top van Maastricht heeft moeten incasseren. Van de drie belangrijkste landen heeft er zich één afgemeld, en bevinden er zich twee in een toestand van stagnatie en scepsis jegens het buitenland.

Zodra Fransen en Duitsers het oneens zijn met elkaar, dient zich een riskante situatie aan. Dat bleek en blijkt in het geval van Joegoslavië en is nu duidelijk bij het Amerikaans-Europese handelsconflict. Zolang echter de Frans-Duitse tandem rijdt, blijft er nog iets van stabiliteit en ordening overeind. Het is dus zaak om op de samenwerking tussen die twee zuinig te zijn. Nederland heeft er weliswaar altijd moeite mee, want het voelt zich al gauw buitengesloten (bovendien verwaarloost het de bilaterale relaties met die twee schromelijk). Maar zeker is dat verwijdering tussen Parijs en Bonn pas werkelijk tot problemen leidt die in grotere verbanden niet meer kunnen worden opgelost. Het is gemakkelijk en in overeenstemming met de tijdgeest om te beklemtonen dat er voor de nationale staat geen alternatief is, maar het is misschien ook zo slecht nog niet om dit gegeven te leggen naast de ervaring dat nationale staten elkaar in deze eeuw in dit gebied behoorlijk in de haren zijn gevlogen. De Europese Gemeenschap hoeft dan misschien niet het grote ideaal te zijn, ze is er ook niet helemaal toevallig.

DE WIJZE WAAROP in Groot-Brittannië elk meningsverschil op het continent wordt gecelebreerd als weer een bevestiging van de noodzaak van nationale soevereiniteit, is voor Europa als geheel schadelijk. Wat moet Europa met een land dat slechts "ja' zegt tegen "Maastricht' op voorwaarde dat het de centrifugale krachten mag aanvoeren à la Majors “game, set and match” in Maastricht?

Nee, de Kamer heeft geen Brits theater opgevoerd. Men wist er niet eens meer wat het einddoel van de EG moest worden anders dan dat “het Europese ideaal is gelegen in de wordingsgeschiedenis zelf” (Van Mierlo in een geseculariseerde variant op het Lubberse Samen-op-weg). Maar tegelijk legt Nederland hiermee een aanzienlijk groter verantwoordelijkheidsgevoel aan de dag dan de Britten, die nog altijd in de veronderstelling leven dat ze op een eiland wonen, ook al worden ze eigenlijk alleen nog maar omgeven door water. De Nederlandse parlementariër schaamt zich misschien voor zijn gebrek aan theatraal vermogen, belangrijker is aan het eind van de dag of hij verantwoordelijkheidsbesef heeft getoond. Dat is gebeurd en dat moet bij alle kritiek over de lege stoelen en de lange toespraken worden vastgesteld.