Terug naar de schaamte; Vietnam, 17 jaar na operatie Frequent Wind

Woensdag herdacht Amerika op "Veterans Day' de oorlog in Vietnam, een conflict dat minstens zozeer op het televisiescherm als op het slagveld verloren ging. Verslaggever Willebrord Nieuwenhuis was destijds verschillende malen met een Nederlandse cameraploeg in Vietnam onderweg. Pas 17 jaar later kon hij terugkeren naar de stad die hij op 29 april 1975 met een van de laatste Amerikaanse helicopters had kunnen ontvluchten. Saigon is Ho Chi Minh Stad geworden, op de tennisbaan van generaal Westmoreland spelen nu kleine kinderen en in de tunnels van de Vietcong giechelen Taiwanese toeristen. Maar waar zijn de overwinnaars? En waar de overwonnenen?

De gids staat er niet. Wel houden hele families bordjes omhoog met "Welkom in Vietnam', maar allemaal voor andere passagiers. Taxichauffeurs verdringen zich om klandizie. In het gewoel komt een dikkige man op me af. ""Kaprovski?'' Nee, zeg ik nors door de lome hitte van de moesson. Hoezo? ""We zoeken een kapitein van de wilde vaart. Die zou in dit toestel zitten. Hij lijkt op u.''

Voor ik het weet rijd ik in het busje van een Russisch scheepsagentschap van het vliegveld Than Son Nhut naar Ho Chi Minh Stad. Uit verlegenheid gaat het gesprek over Moskou. Jevgenji Onegin van Tsjaikovski, een pracht van een opera in het Bolsjoi. De Russische scheepsagent begint aan een aria. Fietsers worden door zijn personenbusje aan de kant geduwd. Het is vol in de straten.

29 April 1975 reed ik dezelfde route in omgekeerde richting. Angstig en in haast. De weg naar het vliegveld was leeg. Door de luidsprekers klonk het Zuidvietnamese volkslied vol beloftes over de toekomst. De bevolking moest kalm en in de huizen gehouden worden.

We vluchten in geblindeerde bussen naar Than Son Nhut. Een CIA-agent met een Zwitsers paspoort en een kogelvrij vest geeft aanwijzingen aan de Vietnamese chauffeur. Zijn geladen M-16 geweer rust tegen de rug van de busbestuurder. Kinderen huilen. Moeders houden hun hand op hun mond. Het is vier uur in de middag. Op een grasveld liggen Amerikaanse mariniers met zwartgemaakte gezichten achter hun mitrailleurs.

We moeten hollen naar de Sea Knights, de zware vrachthelicopters van de Zevende vloot. Uit de lucht vallen brandende vliegtuigen. Aan boord zijn Zuidvietnamese vrouwen, kinderen, ambtenaren en Westerse journalisten die het hazepad kiezen. We stijgen op en scheren laag over de rijstvelden. De laadklep blijft open. Er wordt niet geschoten. Grote rookkolommen aan de rand van Saigon. Noordvietnamese divisies en de Vietcong wachten in slagorde op het bevel de stad binnen te rijden. We worden afgezet op het dek van het vliegkampschip "Midway'.

Ik vraag mijn Russische begeleiders of ze me met hun busje willen afzetten bij het Caravelle Hotel, midden in de stad. Hier, bij het oude parlementsgebouw, zijn de de propagandistische leuzen van destijds vervangen door spandoeken voor popconcerten en klassieke muziek. In het Caravelle neem ik de lift naar de negende verdieping. De piccolo is verdwenen. Of ik een reservering wil voor het diner? Neen, maar mag ik misschien even naar buiten kijken, vraag ik verlegen. Samen met een ober druk ik de spijltjes van de zonnewering van elkaar. ""Kijk,'' wijst hij, ""dat daar was het dak van de Amerikaanse ambassade en vandaar vertrok de laatste helicopter. Mijn oom ging al eerder. Mijn vader kan er nog over vertellen. Ineens waren ze weg.''

Ik zoek een klein hotel bij de haven en krijg een warme kamer. De uitbater belooft dat de air-conditioner het op den duur zal gaan doen. 's Avonds ga ik terug naar de negende verdieping. Een violiste speelt op een doffe viool. "Are you lonesome tonight'. Maar "lonesome' is het woord niet. Uit het lood misschien. Zeventien jaar lang heb ik naar Vietnam terug willen gaan. Acht keer was ik er geweest, eerst vanuit New York omdat mijn werkgever Vietnam zo'n beetje als de eenenvijftigste staat van Amerika beschouwde en later vanuit Rome en Hilversum. Op het laatst had ons tv-ploegje de aftocht geblazen. We waren wel geen deelnemer aan de oorlog maar toch getuige. De emoties van de vlucht versterkten een gevoel van lafhartigheid. Maar Vietnam ging dicht.

Ik denk aan die vroege ochtend van 29 april 1975. Kees Colson verschijnt even na vier uur met zijn camera op het terras van de negende verdieping, voor het ontbijt. Het is nog donker. Een Britse collega vraagt waarom hij op dit onzalige uur al wil filmen. ""Je kunt nooit weten'', zegt de cameraman. Als de vers geperste jus d'orange arriveert vallen de eerste bommen op Than Son Nhut. Even later liggen de buitenwijken van Saigon onder vuur. Colson, Fons van Westerloo en ik beginnen aan een ooggetuige-verslag. We hebben opdracht van de NOS om onmiddellijk te vertrekken als de stad wordt ingenomen. Als we uren later bij de bussen staan duwt de CIA-Zwitser ons met zijn M-16 naar binnen. ""Wachten heeft geen zin'', zegt hij. ""De zaak is opgegeven en ik heb opdracht om jullie te redden.'' Van wie heeft hij opdracht? Hoezo redden? ""Dat hoor je wel als je op de schepen zit.''

Vijftig kilometer voor de kust liggen veertig Amerikaanse oorlogsschepen. Door een fout in de communicatie begint het oppikken van de vluchtelingen met de grote Sea Knights pas om drie uur 's middags op dertien punten in de stad. Mariniers slaan de Zuidvietnamese medewerkers van de Amerikaanse ambassade met hun geweerkolven van de gesloten hekken. Iedere keer als een kleinere helicopter van het Zuidvietnamese leger op de Amerikaanse oorlogsschepen landt, worden de passagiers uitgeladen, gefouilleerd en van hun wapens ontdaan. Het materieel wordt in zee gekieperd om plaats te maken voor een nieuwe landing. Er zijn kostbare uren verloren gegaan en de goed voorbereide evacuatie, operation Frequent Wind, eindigt in totale chaos. 6000 Vietnamezen en 1000 Amerikanen, Canadezen, Australiërs en Europenanen zijn dan geëvacueerd.

"Good morning Vietnam', het was de kinderlijk opgewekte stem van de Amerikaanse omroeper op de lokale radio, die met veel plaatjes beloofde dat het allemaal in orde zou komen met het land. Groeten aan de boys in de jungle, en vervolgens de baseball-uitslagen en een commercial voor deodorant. Zeventien jaar later is het opnieuw "good morning Vietnam'. In de oude Rue Catinat bieden snelle verkoopsters aanstekers van de GI's aan. Zippo's met inscriptie: Dalat '68-'69, ""If I had a farm in Vietnam and a home in hell I'd sell my farm and go home''. Even verderop liggen hoog opgetast cornflakes en kaviaar, bourbon en Coca-cola, Uncle Bens rijst en deeg om zelf brownies te bakken.

Het Rex Hotel heette toen nog Abraham Lincoln. Op het perk voor de ingang staan schoolmeisjes hun lange zwarte haren te kammen. Ze zijn gekleed in lange traditionele jurken. Stilletjes voegen ze zich in een witte rij voor het bronzen beeld van Ho Chi Minh, dat hier in 1990 is geplaatst. De fotograaf maakt ze niet aan het lachen. Ook Oom Ho kijkt somber voor zich uit.

In de Rex werden in de jaren zeventig de five o'clock follies gehouden. Al die jaren gingen we er trouw heen. Amerikaanse legerwoordvoerders lichtten om vijf uur 's middags de pers in: zoveel succesvolle bombardementen, zoveel doden bij de vijand, zoveel contacten in de jungle. Na afloop kon je je inschrijven voor een excursie naar de oorlog. Vaak in alle vroegte heen en op tijd terug voor een bad en aansluitend cocktails op het terras van het Continental. Het leverde een beetje film op van een patrouille, flarden interview uit zwartgemaakte gezichten, een rondje boven vijandelijk terrein met de helicopter en een minuutje commentaar van een expert. Als het even kon nog een vage, liefst franstalige dissident, wat boeddhisten die protesteerden of een vrouwenkoortje dat in een volle katholieke kerk een lied voor vrede zong. Het tv-verslag was snel gemaakt.

Op de Vietnamese ambassade in Parijs heeft mevrouw Dingh Phuong Anh me dit keer uitdrukkelijk gevraagd meteen na aankomst in haar land naar de persdienst van de huidige regering te gaan. De tolk die op het vliegveld staat zal de weg wijzen. Maar die is er niet. Ik kom te laat en nu ik me pas de tweede dag na aankomst meldt, zal er wel wat zwaaien. De persdienst van de Vietnamese regering op de dependance van het ministerie van buitenlandse zaken ligt aan de Thai Van Lungstraat, vlak bij het voormalige paleis van president Thieu. De laatste twee dagen van april '75 had generaal Big Minh, de compromis-kandidaat voor het leiderschap van Zuid-Vietnam, de zaak hier niet meer kunnen redden.

Bromfietsers en fietsers staan in de schaduw van de hoge bomen voor het gebouw fel te debatteren. Sommigen tonen een velletje papier, een fax of een luchtpostbrief. Zij doen verslag van hun bezoek aan het bureau van het "orderly departure' programma, dat ook hier gevestigd is en waar Amerikaanse immigratieambtenaren hun formulieren controleren. Tienduizenden proberen naar hun familieden in de Verenigde Staten te komen. De procedure kan maanden duren. Volgens een omstander, die ongevraagd maar ijverig vertaalt, gaat het debat buiten over de vraag of je nog wel weg moet gaan. Alles wordt toch beter? Good morning Vietnam: we gaan ons aansluiten bij de nieuwe tijgers van Azië.

Binnen krijg ik een standje. Wist ik niet dat ik me meteen had moeten melden? Ik word lang alleen gelaten in een wachtkamer met veel matglas - schimmen treffen elkaar op de gang. Mijn dossier blijkt zoek. Waarom ik naar Ho Chi Minh Stad ben gekomen en niet eerst naar Hanoi? Ik zeg iets vaags over Nederlandse investeringen en Heineken bier dat hier over een jaar gebrouwen wordt.

""Bent u hier wel eens eerder geweest?''

""Ja'', zeg ik braaf, ""acht keer, nog onder het oude regime.''

""Tijdens de bezetting bedoelt u. U boft dat u nu zoek bent. Houdt u zich vooral aan de regels.''

Ik mag weg. We zullen nog met elkaar bellen.

Zoek. Misschien heeft dat toch met het "Doi Moi-proces' te maken, de open-deur politiek die in 1986 door de centrale regering in Hanoi is ingezet. Onder druk van politici uit het zuiden heeft Hanoi de staatsbemoeienis ingeperkt, zijn grote prestigeprojecten op de lange baan geschoven en wordt privé-initiatief weer getolereerd. Mondjesmaat, ook in de politiek.

Ik loop langs het paleis naar de Cercle Sportif, waar generaal Westmoreland in de hitte van het middaguur de Zuidvietnamese generaals alle hoeken van het tennisveld liet zien. Boven bij het zwembad zaten tussen de middag vaak een paar Nederlandse bedrijfsleiders van rubberplantages. Ze klaagden over de granaatscherven in hun goedlopende rubberbomen. Viel er eigenlijk geen oorlog te voeren waarbij de economische belangen werden ontzien? Nu is het zwembad overvol. Het sportcomplex is opengesteld voor alle burgers van de stad en schoolkinderen doen een wedstrijd met veel valse starts.

Langs de Phan Dinh Phungstraat staan hoge bomen. Op nummer 147, de voormalige Nederlandse ambassade, is nu een bureau gevestigd voor de Viet-Khieu, de twee miljoen gevluchte Vietnamezen die voornamelijk in Amerika, Canada, Frankrijk en Australië wonen. Zij komen steeds vaker voor enkele weken terug naar het oude Saigon, investeren in familiebedrijfjes en geven de Doi Moi een nieuwe impuls. Neen, de buren weten niet of er nog personeel van de ambassade in Ho Chi Minh Stad aanwezig is. Een paar mensen zijn gevlucht.

""Al zouden we het wel weten, dan is het misschien beter om het niet te zeggen. Wat interesseert het u? Het is al zo lang geleden. Misschien hebben wij sneller geleerd te vergeten.'' Ik moet raden of de tolk dat laatste zegt of de omwonenden het denken.

Ambassadeur Jan Herman van Roijen heeft begin april '75 alle Nederlandse vrouwen en kinderen laten evacueren en later ook hun mannen. Hij en zijn medewerker Jan Zaadhof bereiden zich op 28 april nog voor op een receptie ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin. De drank uit Nederland is ondanks het naderend einde van de oorlog - de Noordvietnamese artillerie staat dicht bij de stad en de haven is gesloten - tot zijn opluchting gelost in Vung Tau en op tijd in de ambassade aangekomen. Of we toch vooral present zijn.

De volgende ochtend om twaalf uur zegt de omroeper op de lokale radio: het is nu 105 graden Fahrenheit en de temperatuur stijgt. Bing Crosby zingt "I am dreaming of a White Christmas', de code voor een algehele evacuatie. Van Roijen vernietigt de archieven en rijdt in konvooi naar het vliegveld. Onze koffers moesten op de ambassade worden achtergelaten. Een jaar later zullen ze in Hilversum via Hanoi en Peking worden afgeleverd. Delftsblauwe flesjes likeur zijn verdwenen maar om de beschimmelde kleren zit een rood lintje raffia.

Niet bekend

Hier, in de Chinese wijk van de stad waar de Vietcong veel schuilde, in betrekkelijke rust terroristische aanvallen voorbereidde en wapen- en munutiedepots op peil hield, zijn nu de nieuwste tv's te koop, videorecorders, camera's, illegaal gecopieerde video-produkties, air-conditioners, ijskasten en wasmachines. Her en der zie ik kleine smederijen, schuren met bouwmaterialen, compressoren, dynamo's, bedrading en lichtapparatuur. Doi Moi. Tot laat in de avond wordt er gewerkt en gehandeld, zeven dagen per week. Sinds een paar jaar is de vestiging vrij. Honderdduizend jonge mannen en vrouwen volgen zes avonden per week een stoomcursus Engels. Sommigen dragen een T-shirt met de leuze: "Lift the embargo now', een oproep aan Amerika om de handelsboycot op te heffen. Hoc laveert tussen de Honda's, fietsers houden zich aan zijn auto vast om een aanrijding te voorkomen.

Boven de soep met veel mie en weinig garnalen vertelt Hoc dat hij helicopterpiloot is geweest bij het Zuidvietnamese leger. Ook hij probeerde in de vroege ochtenduren van die 29ste april te vluchten. De aanval op het vliegveld was ingezet. Samen met andere heli-piloten kaapte hij een kleine vrachtkist, maar een granaat zette het toestel al tijdens de start in brand en even later stortte het neer. Hoc legt zijn eetgerei neer en stroopt zijn mouw op. ""Hemden met korte mouwen kan ik niet meer dragen. Overal brandwonden. We gebruikten bananenbladeren als verband maar het werkte niet. Nachten liepen we door de velden. We hadden verwondingen over ons hele lichaam, kregen hevige koortsaanvallen maar durfden nergens om hulp te vragen. Nadat we jaren onze vrijheid hadden bevochten, was iedereen plotseling verdacht. Dat was dan de winst van de oorlog.

""Uiteindelijk zijn we toch gepakt. Omdat onze strijd in een crash was geëindigd, hoefde ik van de communisten maar drie maanden naar een opvoedingskamp. Waarom was ik de vijand van mijn volk? Was ik dat? Het hielp dat ik mijn vliegopleiding in Vietnam had gekregen, in Bien Hoa, en niet in de Verenigde Staten. Tussen de 100.000 mannen en vrouwen die waren opgepakt, was ik een van de lichtere gevallen. Zes jaar ben ik te werk gesteld geweest in een aardewerkfabriek - olifanten beschilderen voor de export. Ik ben later gevlucht en heb een tijd ondergedoken gezeten in Ho Chi Minh Stad. Nu kan ik ongestoord werken.''

Bitter over de Amerikanen is hij niet. ""Hun fout was dat zij ons hebben opgezadeld met iemand als president Nguyen Van Thieu. Die man was corrupt en heeft ons in het ongeluk gestort. Families tegen elkaar opgezet. Ons tegen ons. De Amerikanen gaven ons de verkeerde leiders. Maar die laatsten hebben ons vermoord. Niet de Amerikanen.''

Een oorlog onder broeders, zo klinkt het Vietnam-conflict ook door in een paar recent verschenen romans. De schrijversbond van Hanoi bekroonde in 1991 Verdriet van de oorlog van de 41-jarige Bao Ninh, die zeventien was toen hij op moest komen. Hij schrijft: ""De vrede? Laten we haar goed in de ogen zien, een vrede die ons koud laat. Laten we vooral naar ons land kijken, dat als overwinnaar uit de oorlog is gekomen: wat een smart, wat een verbittering, wat een droefheid.'' In een toelichting vertelde hij de deze zomer teruggekeerde Amerikaanse journalist Henry Kamm: ""Wij soldaten uit het Noorden voelen ons vandaag de dag bedroefd. Wij vochten voor de bevrijding van het gehele land maar we bereikten armoede voor het hele land. Wij betreuren het dat zuiderlingen bootvluchtelingen moesten worden en dat ons land aan flarden raakte, en al die soldaten uit het Zuiden die geen werk konden vinden. Wij zijn bedroefd om al diegenen die jarenlang in heropvoedingskampen moesten doorbrengen.''

In Cu Chi, zesenvijftig kilometer ten noordwesten van Ho Chi Minh Stad, lopen we in een kleine stoet zwijgend door de twijgen van de jungle. Tussen de diepe bomkraters ligt het beruchte tunnelcomplex van de Vietcong: tweehonderd kilometer totaal, in drie lagen onder de grond. Van hieruit werd destijds het bevel gevoerd voor de inname van Saigon. Talloze malen werd het complex gebombardeerd en uitgerookt. Speciale valkuilen moesten de Amerikanen en hun Zuidvietnamese huurleger stuiten. Als de B-52's waren verdwenen, werden diezelfde nacht naast de verschroeide aarde weer nieuwe tunnels gegraven.

Het is een toeristische attractie geworden, verplicht onderdeel van de vakantiepakketten. Vóór we naar binnen mogen moeten we eerst mee naar een openluchtbioscoopje voor een instructiefilm. Zwart-wit opnamen van moordende Amerikaanse bommenregens en beelden van de effecten van het "ontbladeringsmiddel' agent orange. Het verslag van de gruweldaden komt op vlakke toon uit de schurende luidsprekers.

Daarna loopt de gids op Nikes voorop, dan professor Hieu en zijn assistent, leiders van een project voor herbebossing, en vlak voor mij een vrouwelijke ontwikkelingsexpert uit Hanoi. Bij de ingang vragen soldaten of we voor één dollar met een Kalasjnikov of een M-16 door het bladerdek van de bomen willen schieten. Er is nog munitie genoeg. Hieu is boos: ""Ze moesten beter weten'', zegt hij en hij schudt zijn zilveren haardos.

De gids wijst de luchtgaten van de verblijven aan onder de bomen. Eerst gaat een groepje giechelende Taiwanese toeristen ondergronds. Ik pas niet in het gat. Later wel in de ingang van de commando-kamer. We zitten op twee kilometer van een voormalige Amerikaanse basis. Aan de lange houten tafel wordt gezwegen. Het spijt de gids dat we geen vragen hebben. De vrouw uit Hanoi denkt aan de verwoestingen die de Amerikaanse bombardementen in haar eigen dorp in het Noorden hebben aangericht. Ze was toen zes. Hieu kan maar niet begrijpen dat hij onder professoren die naar het westen zijn gevlucht nog steeds verdacht is omdat hij is gebleven. Zijn assistent heeft geleerd om in Hieus aanwezigheid niet veel te zeggen.

Zelf vraag ik me af of we op excursie naar de oorlog in al die jaren wel voldoende moeite hebben gedaan om de veelzijdigheid van het conflict uit te leggen. Dat Amerika het verkeerd deed was al snel zonneklaar. Maar wat leefde er ondergronds? Wat bewoog de verschillende facties in Vietnam? Wat was hun succes, wat hun strijd? Welke barre methodes maten zij zich aan en welk ideaal dachten zij daarmee te dienen? Dat van het nu verwarde en verwoeste volk in dit blinde paradijs? In welke richting vielen uiteindelijk de dominostenen en waarom? Antwoorden uit deze commandokamer hadden we niet.

Op de terugweg naar de stad laat professor Hieu de keurig onderhouden begraafplaats van de Vietcong zien niet ver van Cu Chi. Hij vraagt zich mèt Bao Ninh haast fluisterend, verschrikt af waarom de families van deze soldaten hun zonen wel mogen eren maar de zielen van Zuidvietnamese soldaten nu door de vergiftigde bossen en rivieren dolen. ""Waarom krijgen onze moeders, vrouwen en kinderen nooit meer de kans om hen te eren, bij hen te zijn? Aan onze kant kwamen alleen al een kwart miljoen soldaten om het leven.''

Terug in Ho Chi Minh Stad laat ik me afzetten bij hotel Continental. Hier schreef Graham Greene The Quiet American. Later was het terras een gin-tonic moeras vol geruchten. Fransen die zich nog meester voelden, leefden hun dedain uit voor de Amerikanen en hadden dissidenten in de aanbieding. In het luie rotanmeubilair werden de gelegenheidsanalyses van de oorlog gemaakt. De dames die langs flaneerden zaten al vlug op schoot. Op een laat tijdstip bleken zij soms heren.

De oorlog was een vrijgeleide voor wangedrag. Nog zie ik een tafeltje met ons, Nederlandse journalisten, aan de rand van de rivier. De whisky-flessen werden snel geledigd en over de schouder in het water gegooid. Zwemmende kinderen moesten duiken voor hun leven. Dat een oorlog zo snel vat had op de fatsoensnormen, ook van ons als relatieve buitenstaanders, heb ik mezelf achteraf nooit kunnen uitleggen. In ieder geval was het het slechtst denkbare excuus. Het terras van het Continental is omgetoverd tot een sjiek Italiaans restaurant waar Japanners en Chinezen uit Hong Kong, Singapore en Taiwan snelle zaken.

Eindelijk heb ik een afspraak. In de lobby zie ik Jim Eckes. Een gezamenlijke Vietnamese kennis vindt dat we elkaar moeten ontmoeten. ""Jim,'' zegt de Amerikaan, ""hoe maak je het? Ik doe een beetje in olie en in vliegtuigen. En jij? Journalist? Good luck.''

Tijdens de oorlog was Eckes de baas van een obscuur vliegtuigmaatschappijtje, dat voornamelijk vracht vervoerde. In de winter en het vroege voorjaar van 1975 begon hij mensen het land uit te smokkelen. Op het vliegveld viel nog veel te regelen: valse papieren, valse stempels, geheime nachtvluchten. Honderden Vietnamezen verdwenen ongezien. Later maakte een Amerikaanse televisiemaatschappij een speelfilm over Jim Eckes en drie andere Amerikanen met als titel The last flight out.Nu is hij voor de vierde keer terug. ""Met olie en vliegtuigen is altijd wel wat te doen en Vietnam dat krijg je niet uit je aderen. Wij Amerikanen hebben het hier nu makkelijker. Vergeet niet dat we de oorlog hebben verloren. Maar met ons willen ze graag praten, kameraden uit de loopgraven zo je wil.''

Via via zal hij zorgen dat ik generaal Tran Bach Dang, leider van de Zuidvietnamese communistische partij in het begin van de jaren zeventig, kan spreken. Tran Bach Dang is inmiddels een van de voornaamste adviseurs van huidige premier Vo Van Kiet. Ze hebben samen gevochten. De generaal is ook schrijver en historicus. Hij geniet aanzien omdat hij zich als partijman niet heeft verrijkt en eenvoudig leeft.

Tran Bach Dang? Ik zou hem al eerder hebben getroffen. Een Corsicaan, eigenaar van een Frans restaurant in een zijstraatje van Rue Catinat, had me in januari 1970 ook beloofd te bemiddelen. Het zou een grote scoop worden. De Vietcong-generaal had er in toegestemd om met een Hollander te praten. Stond onze regering eigenlijk neutraal in het conflict had hij nog nagevraagd? Maar de kleine blauw-geel geschilderde taxi meldde zich niet bij het restaurant, geen ontmoeting met de tussenpersoon, geen interview. De generaal moest plotseling op reis.

In de wachtkamer zit ik tegenover foto's van het Parijse vredesoverleg. De vrouw van de generaal was toen lid van de Vietcong-delegatie. Er wordt thee binnengebracht en gemeld dat de generaal wat verlaat is. Na een half uur schuifelt hij binnen. Felle ogen, weinig haar, een niet te ferme handdruk. ""Als we Frans spreken zijn we tenminste onder elkaar. U moet er niet op letten als ik aarzel.'' De generaal heeft één slecht oor.

""U bent hier zeventien jaar niet geweest? Ik moet toegeven dat we van die zeventien jaar niet al teveel hebben gemaakt. Natuurlijk, we hadden externe vijanden. We leven onder het juk van het Amerikaanse embargo. De verwoesting door de eindeloze oorlogen. Duizend jaar bezetting van de Chinezen, honderd jaar van de Fransen, twintig van de Amerikanen, daarna de Cambodjanen en opnieuw de Chinezen aan de grens. Maar we kennen ook een systeem dat de talenten die ons volk bezit onvoldoende tot ontplooiïng heeft laten komen. Kijk, wij van de oude garde, dat gaat nog wel. Wij zijn gehard door onze ondergrondse strijd. Wij hadden krachtige idealen. Wij vochten met weinig middelen maar met een sterke wilskracht. Dat vuur hebben we onvoldoende brandend gehouden. En nu? Nu resten ons nog maar acht jaar en dan is deze eeuw voorbij.''

Hij steekt een dun sigaretje op, wimpelt een interventie van zijn secretaresse af en buigt zich naar voren om me boven het verkeerslawaai in de loggia beter te verstaan. Of ik mijn vraag wil herhalen. Verloren jaren?

""We hebben niet goed genoeg gedaan om een kader op te leiden. Mensen die verstand hebben van kapitaalstromen, van het aantrekken van investeringen, van zorgvuldige en gecontroleerde boekhouding, het innen van belastingen en het tegengaan van smokkel. Je kunt rustig zeggen dat we in een morele crisis zijn beland. Met de val van Oost-Europa moesten we ons opnieuw oriënteren. Wie zijn onze vrienden? Kunnen we op eigen benen staan? Hoe motiveren we de nieuwe generatie.''

Kan dat zonder vorm van democratie?

""Jullie in het Westen zijn ongeduldig. Jullie vragen meteen om het democratische gehalte. Het komt, het komt, maar op onze manier. De economische vrijheden kunnen alleen succesvol zijn als je chaos voorkomt. Dat moet nog enigszins dirigistisch gebeuren. Geef ons nog een paar jaar. Bij ons zul je geen schietpartijen zien zoals op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Maar alles moet in stappen gebeuren en het wordt sneller een succes als West-Europa ons bijstaat. Met jullie waarden en ideeën en jullie goed gevulde staatskas. Dan doen wij de rest, op onze manier, in ons tempo. Met maar één zorg: de onafhankelijkheid waarborgen en de welvaart vergroten.'' Dat laatste woord was nieuw: welvaart. Na onafhankelijkheid volgde tot voor kort in het jargon steevast: sociale revolutie.

Bij het afscheid verontschuldigt hij zich. Een vraag over de opbouw van een land na een verwoestende oorlog met Amerika, dat tegelijk het conflict was tussen Vietnamezen onderling, kon hij niet beantwoorden. De oud-generaal draagt het tenue van een Baochi (neutraal), het woord dat journalisten in de jaren zeventig boven het borstzakje op de snel gesneden safari-pakken lieten borduren. ""Oorlog is overal even verschrikkelijk. Er moeten betere manieren gevonden worden om conflicten te beslechten.'' Bij het hek jaagt hij een bedelaar weg. De chauffeur vertaalt zijn woorden: ""Het geeft geen pas om altijd maar te vragen. Herwin je trots en laat buitenlanders met rust.''

Op de terugweg naar het hotel rijden we langs het paleis, nu een museum waar de overwinning is uitgebeeld. Toen de eerste Noordvietnamese tank op 30 april 1975 het hek had geramd riep de commandant naar de bestuurder van de tweede tank dat hij vooral moest opletten dat het gazon niet teveel beschadigd werd. Kolonel Bui Tin onderhandelde met generaal Big Minh over de overgave. Dezelfde avond schreef hij in de Noordvietnamse defensiekrant: de Amerikanen zijn verslagen maar onder Vietnamezen zijn er geen overwinnaars en geen overwonnenen.

Dit keer breng ik mijn koffer zelf naar het vliegveld. De vlucht is op tijd. Als we opstijgen buigt de piloot scherp af over de Zuidchinese Zee. Hier en daar de wiegende lampen van een kleine vissersboot. De avond valt snel over het blinde paradijs en dat is maar beter ook.