Roberto Sighel rijdt zijn rondjes in stilte

MIOLA DI PINÈ, 14 NOV. Niemand kijkt op als de wereldkampioen komt aanfietsen. De boogschutters hebben het die dag in september te druk met hun zoevende pijlen en de bouwvakkers vinden de betonmortelwagen interessanter. Geen handtekeningenjagers, geen bewonderaars, geen jongeren die de kunst willen afkijken.

Het schaatsen betekent niets in Italië. En daarom rijdt Roberto Sighel, de 25-jarige inwoner van het Dolomietendorpje Miola di Pinè die vorig jaar onverwachts wereldkampioen werd, zijn rondjes in stilte. Schouderophalend zegt de gouden-medaillewinnaar: “Ik ben eraan gewend dat niemand mij kent. Ik ga tegen de stroom in. Soms is dat moeilijk, maar vaak is dat ook bevredigender.”

Hij zet zijn bergfiets tegen een hek en gaat op het gammele bankje naast de betonnen baan zitten, een van de twee 400 meter banen die Italië rijk is. Vorig jaar verraste deze kleine Italiaan de wereld door in Calgary Johan-Olav Koss en Falko Zandstra te verslaan. Nu traint hij op skeelers in de zuivere berglucht hoog in de Dolomieten, op twintig kilometer van Trento. Zijn doel? “Ik hoop nog wat beter te worden en een paar goede wedstrijden te rijden. Maar ik geloof er niet in om toe te werken naar specifieke wedstrijden. Vorig jaar waren de Olympische Spelen mijn hoofddoel en dat is slecht gegaan, maar daarna werd ik wel wereldkampioen. Ik wil niets meer programmeren. Dan kan je ook geen slecht figuur slaan.”

Het is het gezonde verstand van een jongen uit het dorp, bescheiden, vriendelijk en zoals zoveel bergbewoners niet iemand van veel woorden. Gouden kettinkje om de hals, gouden kettinkje om de pols, een enorme borstkas, en spieren die als enorme kabels uit zijn wielersbroek barsten. Miola is zijn basis: hier heeft hij het schaatsen geleerd van zijn vader, op het bergmeer dat 's winters een paar maanden dicht ligt. En toen in 1986 de kunstijsbaan werd geopend, besloot hij serieus te gaan schaatsen. “Ik wilde me verbeteren en eens zien hoe ver ik kon komen.” Sinds die tijd is hij onbedreigd de beste van Italië, en twee jaar later begonnen de eerste internationale successen. Op het WK van 1988 in Alma Ata won hij de 5000 meter, en in 1991 werd hij tweede op het WK in Heerenveen.

Desondanks was het toch nog een verrassing dat hij vorig jaar wereldkampioen werd. “Calgary heeft het beste ijs dat ik ooit heb gezien,” zegt Sighel. “Ook de Medeo-baan in Alma Ata is een van mijn favoriete pistes. Als je de juiste dag heb is het ijs zelfs beter dan Calgary. Maar voor de wedstrijden gaat er natuurlijk niets boven Heerenveen. Dat WK (in 1991) was fantastisch. Schaatsen voor dertigduizend mensen, dat geeft een geweldige sfeer.”

In Italië is het nooit meer dan een handjevol dat komt kijken bij de wedstrijden. Daarom zijn er ook geen sponsors. Sighel heeft niets overgehouden aan zijn wereldtitel, weggedrukt op pagina 11 van de Gazzetta dello Sport en in de kolom kort nieuws van de gewone kranten. “Voor de bedrijven is er geen voordeel in het sponsoren,” zegt Sighel. “Ze weten heel goed dat dat geen resultaat zou opleveren, want er is geen massa. Af en toe krijg ik een trainingspak, een paar schoenen, mijn schaatsen van Viking. Ik sprokkel wel wat bij elkaar.”

Systematisch en geconcentreerd begint hij de inhoud van zijn rugzak uit te pakken: een grote fles mineraalwater, een hartslagmeter, skeelers en een doek om de wieltjes helemaal schoon te maken, en een spuitbus. “Je moet het hier allemaal zelf doen,” zegt Sighel. Hij pakt de spuitbus, een touw dat dienst doet als meetlint en gaat dan met zijn collega stippen zetten op de baan, om de binnen- en buitenbaan aan te geven.

Na wat lopen beginnen de rondjes op de skeelers. Langs de houten keet die als clubhuis voor schaatsers en boogschutters dient. Langs de bouwput waar al wordt gewerkt voor het WK dat hier in 1995 worden gehouden. Sighel: “Daar denk ik nog niet aan. Ik leef van seizoen tot seizoen.” En langs de "tribunes': niet meer dan een glooiende grashelling die overgaat in de achtertuin van de wit-gestucte berghuizen. De houten balkons staan volgepakt met bloeiende bloemen en hoog boven de schaatsbaan torent een vervallen ogend Hotel Olimpia - een 400-meterbaan heet in Italië een olympische baan.

Drie kwartier rijdt Sighel met zijn maatje Giorgio Baroni zijn rondjes. Hij meestal voorop, een perfecte lage zit en bijna nooit een onzekere slag. “Ik ben serieus gaan trainen toen ik achttien jaar was, omdat ik me wilde verbeteren,” zal Sighel later vertellen. “Met vrienden, met de trainer van de ijsclub hier. De techniek heb ik eigenlijk zelf geleerd, door te kijken. Iemand kan het je proberen uit te leggen, maar je moet zelf kijken naar de allerbesten en het dan uitproberen. Dat heb ik steeds gedaan. Als ik iemand zag die goed schaatste, dan zocht ik daar een foto van en keek er goed naar. Daar heb ik veel van geleerd.” Zijn voorbeelden? “Heiden, Eric Heiden. Die had een monsterachtige kracht, maar hij schaatste erg goed. En ook Vergeer beviel me, de manier waarop hij schaatste. Maar ik ben er nu, na dat wereldkampioenschap, van overtuigd dat ik zelf ook vrij goed kan schaatsen. Eerst twijfelde ik daaraan, maar nu weet ik zeker dat ik nog een keer goede resultaten kan bereiken.”

Geconcentreerd neemt Sighel zijn bochten en hij heeft het niet eens in de gaten als zijn blonde vriendin Doriana komt kijken, een vriendelijk meisje dat de baby van haar tante aan het luchten is. Twee verlate Italiaanse toeristen die aan de wandel zijn, vragen verbaasd waar die betonnen baan voor dient. Als ik vertel dat zij een wereldkampioen voor zich hebben, blijven ze even staan en mompelen: Bravo. Maar lang kan het hen niet boeien, dat rare rondjes-rijden.

Na afloop kust Sighel hijgend zijn Doriana en vertelt dan dat hij vooral zijn lange afstanden nog wil verbeteren. “Mijn basissnelheid moet nog beter.” Hij is tevreden over zijn techniek, maar voelt zich op zwaar ijs, op een open baan met wind en regen, in het nadeel tegenover forsere schaatsers. “Op slecht ijs, zoals in Albertville (de Winterspelen, waar Sighel teleurstelde) is het niet voldoende een perfecte glijtechniek te hebben. Dan moet je ook kracht hebben. Dat ligt me iets minder, op kracht rijden.”

Hij vertelt uit te kijken naar november, als de baan weer open gaat en naar de trainingskampen van een lang weekend. Negen schaatsers doen daaraan mee: all rounders, sprinters en de vrouwen. “We kunnen het beste met zijn allen schaatsen,” zegt Sighel. “De bond heeft geen geld voor aparte kampen.” Daarom is de medische begeleiding ook wat geïmproviseerd. “We doen wat medische consulten en af en toe wordt ons bloed getest, maar er is weinig meer,” zegt Sighel.

Met enige jaloezie vertelt hij over de sporters die gebruik kunnen maken van het gerenommeerde sportcentrum van de universiteit van Ferrara. “Wie daarheen gaat, wint daarna alles,” zegt Sighel. “Kijk naar Indurain, kijk naar de Italiaanse langlaufers die het zo goed hebben gedaan op de Spelen. De wielrenner Moser was een van de eersten die van hun diensten gebruik maakte. Maar ze werken niet gratis. Het kost erg veel. En onze bond kan dat niet betalen.”

Sighel is al blij dat hij geen financiële zorgen heeft. Hij wordt betaald door de staat en staat op de loonlijst van staatsbosbeheer. Maar als hij de bergen in gaat, is dat op de fiets, om te trainen. “Ik ga meestal in april de bossen in, als het seizoen is afgelopen, maar dat is vooral als gebaar. Ik heb toestemming om te trainen.” Sighel is dan ook een schaatsende boswachter zoals Alberto Tomba een skiënde carabiniere is. Zijn toekomst ziet hij niet in de bossen, maar op de schaats. Over tien jaar hoopt hij “iets in de sport” te doen, trainer van een schaatsclub bijvoorbeeld. “Het maakt niet zoveel uit, als ik maar met sport kan bezigblijven.”

Als de zon ondergaat en de kilte van de bergen zich doet voelen, stappen we op. "Tot ziens' staat er onder het arrivederci op het hekje naast de baan. In het schaatsen is het Nederlands een wereldtaal. We gaan nog even langs zijn huis. Zoals bijna alle Italiaanse jongeren woont Sighel nog bij zijn ouders en zijn moeder verwelkomt trots de bewonderaar van haar zoon. Op de twee overlopen van de trappen staan vier kasten volgepakt met bekers, medailles, penningen, en wat een topsporter nog meer mee naar huis krijgt. De belangrijkste medailles heeft Sighel op zijn volgepropte kamer gehangen, tussen de enorme luidsprekers, de foto's en de krantenknipsels. “Kan je me een foto opsturen,” vraagt hij bij het weggegaan. Het doet de wereldkampioen goed, een beetje belangstelling.

    • Marc Leijendekker