PSYCHIATRIE

Gek zijn is zo gek nog niet. De kunst met jezelf te leven door Jan Swinkels e.a. 214 blz., Kosmos 1992, f 24,90 ISBN 90 215 1886 4

Een televisiepsychiater van het type Jan Swinkels wordt door zijn vakgenoten met argusogen bekeken. Niettemin voorziet populaire uitleg over de achtergronden en de behandeling van psychiatrische stoornissen in een algemene behoefte. Als uitvloeisel van de door hem gepresenteerde televisieserie "Met Hart en Ziel' bij RTL 4, heeft hij nu samen met een aantal psychiaters, psychologen en journalisten het boek Gek zijn is zo gek nog niet. De kunst met jezelf te leven geschreven.

Deze vermoedelijk ludiek bedoelde titel past in de doelstelling van de schrijvers een algemeen lezerspubliek duidelijk te maken dat de meeste psychiatrische patiënten door de psychiatrie geholpen kunnen worden. Over een aantal veel voorkomende psychiatrische problemen, zoals fobieën, paniek-, dwang- en eetstoornissen bevat het boek nuttige informatie, maar over de gehele linie stelt het teleur. In de inleiding noemt Swinkels praten optimistisch ""het machtigste wapen van de mens, dat niet alleen de mens van het dier onderscheidt, maar ook beslist over oorlog en vrede', maar in Gek zijn is zo gek nog niet is het redeloze pseudo-wetenschappelijke gekwebbel niet van de lucht: ""Het feit dat een dubbel aantal vrouwen aan depressies lijdt, is misschien te verklaren door sociale omstandigheden. Vrouwen hebben vaak een ondergeschikte rol in onze maatschappij. Dit stemt wat dit probleem betreft tot nadenken, maar bewijst uiteraard nog niets. Ook gaan vrouwen met hun klachten eerder naar de huisarts en zij blijven langer klagen als de depressie niet over is.'

Afgezien van de taalfouten, lijkt het in dit boek alsof er over het geschrevene nauwelijks is nagedacht. Aan het begin van het hoofdstuk over het psychotrauma wordt beweerd dat de koppeling tussen een onverwerkt jeugdtrauma en het ontstaan van een zogenaamde posttraumatische stress-stoornis de laatste tijd steeds meer wordt losgelaten. Maar een paar bladzijden verder noemt de schrijver het voorbeeld van een violist met een kampsyndroom, waarbij dit verband juist wel bestond. De steeds opnieuw beleefde bedreiging van de kampbeulen zijn handen tot moes te zullen slaan, bleek in de therapie namelijk te berusten op het conflict dat hij in het verre verleden met zijn vader had over het feit dat hij violist wilde worden. Een interessante discussie over deze contradictie blijft echter helaas uit.

Als voorlichtingsboek schiet Gek zijn is zo gek nog niet evenzeer tekort. Zo wordt over het belangrijke ziektebeeld van de manisch-depressieve ziekte met inbegrip van de daarbij op grote schaal met succes toegepaste middelen lithiumcarbonaat en carbamazepine (Tegretol) met geen woord gerept. Evenmin lees ik iets over het psychofarmacon clozapine (Leponex) dat als alternatief voor de meer gebruikelijke antipsychotica bij psychosen kan worden toegepast.

De symptomen van de diverse psychiatrische stoornissen worden weliswaar keurig beschreven, maar inzicht verkrijgt men door het lezen van dit boek nauwelijks. In ieder geval niet in achtergronden of oorzaken, want die zijn volgens de auteurs vrijwel altijd een mengeling van biologische, psychologische en sociale factoren, en evenmin in de betekenis van een bepaald symptoom zoals bijvoorbeeld schoonmaakdwang of extreme zwijgzaamheid (mutisme).

Het is een mooi doel de psychiatrie voor een breder prubliek te ontsluiten, maar het is de vraag of daarvoor het verdoezelen van de trieste feiten en het aanslaan van een schaapachtige toon nu de beste middelen zijn. Zo is bijvoorbeeld volgens de schrijvers bij schizofrenie geen sprake van hallucinaties en wanen, maar ""loopt fantasie en werkelijkheid door elkaar'.

Een aantal jaren geleden dook ineens de uitdrukking Libelle-psychiatrie op, toen het over de destijds ontdekte "milieudepressie' ging. Gek zijn is zo gek nog niet lijkt me veeleer trekken te vertonen van Ignoramus-psychiatrie, wij-weten-het-niet-psychiatrie.