PRINSELIJKE OVERMOED & HOLLANDSE GEDIENSTIGHEID

De Prins-Gemaal. Vogelvrij en gekooid door Harry van Wijnen 318 blz., gell., Uitgeverij Balans 1992, f 39,50 ISBN 90 5018 179 1

Onmiddellijk nadat ik De Prins-Gemaal had dichtgeslagen (in één ruk uitgelezen), was ik in gedachten bij ZKH - bij PB wel te verstaan. Ik stelde mij voor hoe hij op een herfstige Soestdijkse namiddag over dit boek in gepeins verzonk na te hebben gescheld om zijn gebruikelijke glas rose champagne. Wat zou de prins van dit onderzoek naar zijn staatkundige leven vinden?

Niet bekend

De prins liet Van Wijnen toe tot zijn huis, zijn archief en wellicht zelfs tot zijn rose champagne. Wekenlang liet hij de indringer in de Gele Kamer op Soestdijk ongehinderd spitten in de twintigduizend stuks zakelijke correspondentie die zich daar in de loop van een halve eeuw hebben opgehoopt. Bovendien voerde Bernhard, merendeels onder vier ogen, een aantal lange gesprekken met Van Wijnen, die zijn bevindingen met ministeriële goedkeuring mocht verifiëren in de departementale archieven. Het allerbelangrijkste is dat Van Wijnen het allemaal tenslotte heeft mogen opschrijven zonder dat de Kroon heeft geprobeerd het rode potlood te hanteren. Althans, dat concludeer ik uit Van Wijnens inleiding en uit zijn toelichting bij de bronnenlijst, waarin sprake is van "ongeclausuleerde raadpleging' en "onbeperkt gebruik' van Bernhard als mondelinge en schriftelijke bron. Ik ga ervan uit dat Van Wijnen het zou hebben vermeld als hem bij het schrijven zwaardere beperkingen waren opgelegd dan die die gebruikelijk zijn volgens de Archiefwet.

GEEN GROOT MENSENKENNER

Alleen deze vrijheid al maakt De Prins-Gemaal tot een novum in de geschiedenis èn de geschiedschrijving van het Nederlandse vorstenhuis. Bernhard zelf beweert van niet. Op blz. 259 wil hij Van Wijnen en de lezers doen geloven dat de biografie die de Amerikaanse journalist Alden Hatch in 1962 van hem schreef (Prins Bernhard, zijn plaats en functie in de moderne maatschappij) is verschenen zonder dat de prins het manuscript van tevoren onder ogen had gekregen. Helaas loopt 's prinsen geloofwaardigheid als bron hier wel het eerste deukje op, want Hatch's oorspronkelijke manuscript is bezaaid met op- en aanmerkingen van "PB', zoals hij door Hatch wordt aangeduid. Het boekje Spion in de tuin. King Kong vóór en na zijn dood, dat over enkele weken uitkomt en waarvan ik de auteur, de historicus dr. B.G.J. de Graaff, toevallig ken, zal dit onomstotelijk uitwijzen. Vermoedelijk zal Bernhard dit boekje dan ook met minder genoegen in zijn kast zetten dan het jongste werk van Van Wijnen (die overigens de King Kong-zaak buiten beschouwing laat).

Als we namelijk uitgaan van de werkhypothese dat de prins niet aan zijn openheidsexperiment met Van Wijnen is begonnen om er slechter van te worden, lijkt het mij aannemelijk dat hij over het resultaat wel tevreden is. Niet omdat de journalist, bedwelmd zoniet door de champagne dan wel door de vorstelijke ambiance, zich heeft laten verleiden tot het schrijven van een hagiografie. Als het moet, zegt Van Wijnen waar het op staat. Hij verwijst naar Bernhards betrekkingen met het nazi-dom in de jaren dertig; hij noemt hem ""geen groot mensenkenner' en al evenmin ""een leider die wist hoe hij zijn terrein van politieke smetten schoon moest houden' (aan de andere kant prijst hij de prins om diens hoffelijkheid en spontaniteit).

Veelzeggender dan deze typeringen zijn de gelegenheden waarbij Van Wijnen de prins betrapt op mystificaties. Zo is er geen enkel bewijs voor Bernhards claim in de biografie van Alden Hatch dat hij degene is geweest die de stoot heeft gegeven tot het verheffen van de luchtmacht tot dezelfde status van zelfstandig krijgsmachtonderdeel als de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Marine. Bernhards verhaal hoe hij tijdens de Watersnoodramp in 1953 links en rechts ontredderde dorpsburgemeesters afzette en verving door zijn paniekbestendige adjudanten, wordt als flauwekul afgedaan door een van zijn naaste medewerkers van destijds. In interviews heeft de prins dikwijls gezegd dat de regering hem begin jaren vijftig heeft gevraagd als reizend ambassadeur van het Nederlandse bedrijfsleven te willen fungeren. Van Wijnen vond de brief waarin de prins zichzelf aanbiedt. Als hierbij ook de prinselijke uitlatingen over de Hatch-biografie worden betrokken, moet de lezer een beetje lacherig worden van de nadruk die Juliana's echtgenoot legt op zijn voortreffelijke geheugen. Blijkens Van Wijnens notenapparaat - dat trouwens niet minder boeiende lectuur vormt dan de tekst zelf - is uit een test door Londense geheugenexperts gebleken dat Bernhard een "professioneel geheugen' heeft, dat wil zeggen dat het ""alleen gebeurtenissen en ervaringen onthoudt waarvoor het zich interesseert'. Over het bestand aan fictie versus nonfictie in een professioneel geheugen geeft de test kennelijk geen uitsluitsel.

PETER STUYVESANT

Dat Bernhard desondanks voldoening moet voelen over dit werk, heeft andere gronden. In de eerste plaats is er een impliciete reden: het boek gaat bijna helemaal over hem, hoewel de titel De Prins-Gemaal, met een foto van Bernhard èn Claus op de omslag, anders doet vermoeden. Van de zeldzame species prins-gemaal kende Nederland er drie, naast de twee al genoemden ook nog de echtgenoot van koningin Wilhelmina, prins Hendrik. Over de problemen die de soort heeft om te overleven, valt veel te zeggen. Constitutioneel gezien is er niet eens een prins-gemaal: pas sinds een grondswetswijziging van eind jaren dertig kan de echtgenoot van een Nederlandse koningin zeggen: ""Ik krijg salaris, dus ik besta.' Altijd zijn er moeilijkheden geweest bij het vinden van een wezenloze en toch boeiende betrekking voor de vorstelijke partners, want, al bestaan ze formeel niet, de ministers zijn wel degelijk voor hun doen en laten verantwoordelijk. Hoe verschillend de prinsen-gemaal qua persoonlijkheid ook zijn, ze hebben alledrie met dezelfde beperkingen en onvrijheden te maken (gehad).

Over het ongemakkelijk ronddobberen van de diverse schuitjes met prinsen en ministers op de staatsrechtelijke oceaan zou een interessante vergelijkende studie te maken zijn, maar dat is De Prins-Gemaal duidelijk niet. Prins Hendrik krijgt er twee zinnen in, Claus een hoofdstukje, waarin wordt vastgesteld dat hij nimmer onaangenaam is opgevallen, en dat hij zijn werk als adviseur voor Ontwikkelingssamenwerking hoogst au sérieux neemt. Goed, maar oud nieuws. Omdat Claus in staatsrechtelijke zin niet ziek is, verneemt de lezer over dit brandende probleem verder niets, behalve Van Wijnens vermaning dat wij niet moeten denken dat Claus ziek is omdat hij prins-gemaal is.

Prins Bernhard steelt dus deze show, zowel omdat hij zoveel van zichzelf laat zien als omdat hij de meest gewaagde kunstjes heeft vertoond. Zijn stijl van optreden heeft altijd de meeste glamour gehad: veel vliegen, veel verre reizen, rose champagne, vrouwen - in Van Wijnens boek wordt alleen de vrouw genoemd die in Bernhards leven constitutioneel toelaatbaar is, namelijk zijn echtgenote - wilde dieren en exotische staatshoofden. Bolides mogen in een dergelijke opsomming niet ontbreken: Van Wijnen citeert Bernhards liefdesverklaring aan het merk BMW (""het zijn heel mooie auto's - niet groot, maar snel, met een prachtig koetswerk en uitstekend gemaakt'). Zelfs zijn ontluistering, het Lockheed-schandaal, heeft nog de allure van de wereld van Peter Stuyvesant. Met Bernhard in de hoofdrol is er, zoals Van Wijnen schrijft, never a dull moment.

VERZACHTEND

De keerzijde van de medaille is een prins die in het openbaar soms staatkundig onwenselijke dingen zegt - denk aan zijn voorstel een semi-dictatuur in te voeren om de besluitvorming op regeringsniveau te bespoedigen, of aan zijn aanval op de door gevulde koeken beheerste aard van de dienstplichtigen - en weleens de verkeerde vrienden heeft, iets te vaak de regerings-Fellowship gebruikt voor privégenoegens, en iets te plat hengelt naar beloning voor zijn bemiddeling. Dit hele complex mondt dan met een daverende knal uit in de Lockheed-affaire.

Van Wijnen probeert het een en ander op dat schandaal af te dingen. Zo beweert hij dat de straf voor Bernhard zo zwaar uitviel omdat de socialisten wraak namen voor het door Bernhard tentoongespreide anti-democratisch besef; een pikante veronderstelling, waarvoor hij overigens geen enkel bewijs aandraagt. Op zijn beurt schrijft de auteur dat de regering wel moest afzien van strafvervolging tegen Bernhard wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Maar stel dat Nederland een land was waar de soep traditioneel zo heet werd gegeten dat zelfs de man van het staatshoofd voor de rechter kon worden gesleept, dan hadden wij hier ook een justitie die zich niet zou ontzien om bij het staatshoofd huiszoeking te doen. Tja, wat er dàn misschien zou zijn gevonden, daar kunnen we beter niet over speculeren.

Van Wijnen gaat verder op de Lockheed-affaire zelf niet diepgaand in, en dat is ook geen gemis. Wel staat - en dat zal, of Van Wijnen dat beoogde of niet, de prins ongetwijfeld de meeste deugd hebben gedaan - het boek in het teken van de volgende vraag. Was alles wat er is misgegaan, alleen de schuld van de prins, of zijn er ook andere factoren in het spel geweest?

Van Wijnen heeft vier van zulke externe invloeden, die ook kunnen worden uitgelegd als verzachtende omstandigheden, gevonden. Ik noem ze in een tamelijk willekeurige volgorde, want ook Van Wijnen hanteert ze door elkaar heen. Ten eerste: Bernhard heeft helemaal geen scholing in de functie van prins-gemaal ontvangen. Ten tweede: Bernhards constitutionele tegenspelers waren ook weleens niet netjes. Ten derde: op Soestdijk ligt een groot aantal tevredenheidsbetuigingen over de prins ter inzage. Ten vierde: de ministers in de opeenvolgende kabinetten hebben hun plicht om de prins-gemaal in het gareel te houden, zwaar verzaakt.

Het eerste argument overtuigt bij nadere beschouwing het minst. Van Wijnen geeft namelijk zelf al aan dat het irrelevant was hoe groot het aanbod van scholingsmogelijkheden voor de prins was. Als het niets te maken had met gaspedalen en stuurknuppels, was hij al snel geistig weggetreten, zoals dat in de taal van zijn vroegere vaderland zo snedig heet. Bernhard had géén zin in taallessen, géén zin in het bijwonen van de lessen die Juliana kreeg in staatsrecht en staatsinrichting, géén zin om zich te verdiepen in het werk van de Raad van State. In dit licht bezien, is de schrille toon waarop Van Wijnen de toenmalige premier Colijn kapittelt over de falende opvoeding van de prins ("onbegrijpelijk'), zacht gezegd overdreven.

LUNS

Het tweede argument is meer een tussendoortje. Constitutionele tegenspelers die ook wel eens een steek lieten vallen, zijn bijvoorbeeld: Premier Ruud Lubbers, die, zoals in deze krant dinsdag al is onthuld, voorgeeft volledig te zijn vergeten dat hij in zijn hoedanigheid van minister van Economische Zaken de prins had bedankt voor diens interventie bij de sjah van Iran; of voormalig defensieminister Henk Vredeling, die vriendschappelijker met de prins verkeerde dan hij tijdens alcoholische interviews beweert; en oud-minister van Financiën Jelle Zijlstra, die Bernhard uitnodigde voor de presentatie van zijn memoires om publiciteit te krijgen, maar die in die memoires zelf niets liet blijken van de lof die hij in de invitatie Bernhard toezwaaide voor diens exportbevorderende verdiensten (overigens geeft Zijlstra een paar bladzijden verderop in Van Wijnens boek de prins wèl die eer).

Klein grut allemaal, behalve het voorbeeld van Jozef Luns. Deze gaf, uit ergernis over het feit dat Bernhard in een brief van president John F. Kennedy werd geprezen om zijn "thoughtful comments' over de kwestie-Nieuw-Guinea, zijn departement opdracht desgevraagd te ontkennen dat de brief bestond. Hier werd ik even kwaad - op Van Wijnen, die impliciet suggereert dat dit toch wel een bekrompen reactie van Luns was. Als ik minister Luns was geweest, zou ik zacht gezegd not amused zijn bij het vernemen van het nieuws dat de man van het constitutionele staatshoofd buiten mij om de belangrijkste wederpartij met succes adviezen zit te geven die het volslagen tegendeel beogen van wat ik namens het Nederlandse volk probeer te bereiken. Ik had eerst op Soestdijk mijn ontslag aangeboden en daarna even mijn trouwring laten krassen over het "prachtig koetswerk' dat op dat moment hopelijk voor het paleis geparkeerd stond.

Met de brief van Kennedy zijn we ook meteen beland bij de tevredenheids- en dankbetuigen in de sfeer van exportbevordering en Holland promotion die tijdens Van Wijnens verblijf daar de Gele Kamer kennelijk stoffeerden. Waarom Van Wijnen ze telkens noemt, is duidelijk: ze zijn het bewijs van de compensatie die de prins heeft geleverd voor het constitutionele ongerief dat hij veroorzaakte. Van Wijnens aanhoudende geroffel op dit thema stoort mij omdat niemand, een anti-monarchist als Wim Klinkenberg misschien uitgezonderd, heeft ontkend dat Bernhard die verdiensten heeft. Als hij ze niet had gehad, was hij niet meer geweest dan een prins Hendrik met meer versnellingen. Terloops vermeldt de auteur trouwens in een noot dat het betalen van smeergeld voor exportorders in de brave jaren vijftig al dermate was ingeburgerd dat De Nederlandsche Bank voorgedrukte formulieren voor dergelijke deviezentransacties had klaarliggen. Moeten wij nu aannemen dat deze formulieren nooit hoefden te worden ingevuld als prins Bernhard ten behoeve van de exportorder zijn charmes in de strijd wierp? Uitgebreid en spannend doet Van Wijnen uit de doeken hoe niet zozeer de glimlach van Prince Charming als wel de overboeking van dertig miljoen harde Hollandse guldens van de firma Werkspoor naar een onduidelijke bankrekening het Argentijnse dictatorsechtpaar Peron de kwaliteiten van Nederlands spoorwegmaterieel deed beseffen. En dat zou de enige keer zijn geweest?

DE BAAS

De auteur vestigt wel uitdrukkelijk de aandacht op een ander geheim wapen dat Bernhard ten gunste van het Nederlandse bedrijfsleven hanteerde. De prins hield namelijk in het buitenland de suggestie in stand dat hij op zijn thuisbasis geen staatkundig ornament was, maar De Baas. Daarom hadden volgens Van Wijnen de prinselijke adviezen inzake Nieuw-Guinea bij president Kennedy zoveel gewicht. Buiten West-Europa heerste overal het misverstand dat Bernhard een met macht beklede monarch was, die te vriend moest worden gehouden. De prins liet dat zo; daarvoor is hij te zeer verknocht aan rode lopers, saluutschoten en erewachten, en voor de zaken was het niet slecht. Het is deze verstrengeling van belangen geweest - het privé-genoegen dat Bernhard beleefde aan het reizen, de vrijheid en de luxe; de suggestie van macht; de constante onderdompeling in de mores van het zakenleven - die hem onontkoombaar naar de Lockheed-affaire leidde. "Lockheed' bevat alle bovengenoemde elementen. En, zoals afgelopen dinsdag in deze krant al is uiteengezet, de ministers lieten hem begaan.

Het gewicht dat Van Wijnen aan de laatstgenoemde factor beredeneerd toekent, beschouw ik als de voornaamste historische kwaliteit van dit boek. Wel rijst dan de vraag waarom prins Claus daarentegen zich eigener beweging voorbeeldig gedraagt, maar waarschijnlijk is het antwoord daarop niet moeilijk: het blijft uiteindelijk a question of character. Er zijn altijd uitzonderingen op de regel dat macht corrumpeert, en dat absolute macht absoluut corrumpeert. Door het gebrek aan ministerieel tegenwicht kon Bernhard zich naar eigen zeggen ""over het paard getild' voelen, en repte de Commissie van Drie in haar Lockheed-rapport van de gevoelens van "onaantastbaarheid' en onkwetsbaarheid die de prins bij zichzelf had ontwikkeld.

Van Wijnen noemt twee redenen waarom de achtereenvolgende kabinetten tot "Lockheed' de prins maar lieten rommelen, namelijk serviliteit en de notie dat het nationale bedrijfsleven van Bernhards ongebreidelde dadendrang profiteerde. Dat laatste argument zou de bewindslieden wel cynisch en een beetje kosmopolitisch-perfide doen schijnen, maar in elk geval niet dom en naëf. Als Van Wijnen evenwel aan de casus van prins Hendrik enige aandacht had besteed, zou hem zijn opgevallen dat Hendrik geen enkele verdienste voor de Nederlandse economie heeft gehad, maar dat hij toch exact dezelfde wereldvreemde gevoelens van onkwetsbaarheid ontwikkelde. In de memoires van Hendriks vriend jhr. E.B.F.F. Wittert van Hoogland en Emiclaer, die bij het Algemeen Rijksarchief berusten (en die Van Wijnen blijkens zijn bronnenlijst ook heeft geraadpleegd), komt een zuster van Hendrik voor die tegen Wittert zegt: ""Die Holländer haben meinen Bruder ganz verrückt gemacht.' Daarmee doelde ze op de kruiperige onderdanigheid waarmee haar broer werd bejegend, ongeacht wat hij uitspookte. Zijn uitspattingen werden weggemoffeld, zijn rekeningen werden betaald, en slechte vrienden voerden hem nieuwe avonturen tegemoet omdat niemand iets durfde te zeggen. Om het nog eens Bernhard-achtig uit te drukken: The sky was the limit. Zou Bernhard ooit hebben beseft wat hij op Nederlandse ambassades aanrichtte als hij zijn komst onverwachts aankondigde? Wist hij hoe moeilijk het is om in Ouagadougou snel aan rose champagne te komen? Vast niet, want als hij kwam, stonden de flessen klaar.

Het ultieme voorbeeld dat de prins nog steeds boven de wet staat, heeft Van Wijnen voor de laatste bladzijden van zijn tekst bewaard. Daarin schetst hij wat tenslotte de gevolgen voor Bernhard zijn geweest van het feit dat hij wegens "Lockheed' afstand moest doen van al zijn officiële functies. Die gevolgen waren er niet! Alles is gewoon doorgegaan. ""Met vrijwel alle ondernemingen en instellingen waarmee prins Bernhard in 1976 zijn relatie moest opgeven, heeft hij nog steeds banden, met sommige nog even sterk als voorheen', schrijft Van Wijnen. ""Vrijwel overal zijn die betrekkingen in stand gehouden door stille loyaliteitsverklaringen van vroegere medebestuurders, collega-commissarissen en militaire medewerkers, die hem ook na zijn terugtreden op hun bijeenkomsten bleven uitnodigen en de contacten niet wensten op te geven.' In zijn voormalige hoofdkwartier van inspecteur-generaal van de krijgsmacht is Bernhards werkkamer "uit loyaliteit' intact gelaten, en de krijgsmachtonderdelen brengen als vanouds verslag aan hem uit.