PLANETEN

De Planeten. Nieuwe beelden van ons zonnestelsel door Nigel Henbest 208 blz., geïll., Schuyt & Co. 1992, vert. Henk Beumer, f 78,- ISBN 90 6097 321 6

Precies dertig jaar geleden kwam het eerste onbemande ruimtevoertuig van de aarde bij een andere planeet. Mariner meets Venus kopten de kranten. Uit de metingen werd meteen duidelijk dat Venus geen dubbelganger is van de aarde, zoals tot dan toe werd gedacht. Aan het oppervlak bleek een temperatuur te heersen van ver boven de vierhonderd graden en een druk van bijna honderd atmosfeer. Meteen zag ook iedereen in hoe belangrijk ruimtesondes zijn als "verlengstukken' van de telescopen die vanaf de aarde naar de planeten kijken.

In de daaropvolgende jaren doorkruisten vele ruimtesondes het zonnestelsel en werden op één na alle planeten en vele van hun manen van dichtbij of vanaf het oppervlak zelf (Venus en Mars) bestudeerd. Ook een komeet (Halley) en een planetoïde (Gaspra) werden van zeer nabij gefotografeerd. In één generatie zijn we zo meer van het zonnestelsel te weten gekomen dan in de gehele voorafgaande geschiedenis van de sterrenkunde. Van sommige delen van Mars weten we nu meer af dan van sommige minder toegankelijke gebieden op aarde.

Het boek De Planeten is het schitterende beeldverslag van die enerverende periode, die ook wel ""de gouden eeuw van het ruimteonderzoek' wordt genoemd. Alle planeten die door ruimtesondes zijn bestudeerd passeren in dit boek de revue: van de op korte afstand rond de zon snellende Mercurius tot de verre gasreus Neptunus. Deze was overigens de laatste die vanuit een ruimtesonde werd bespied (in 1989). Ook aan Pluto, die (nog) niet door een ruimtesonde werd bezocht, is een hoofdstuk gewijd.

Ruim tweederde van het boek bestaat uit illustraties die, ook druktechnisch, van hoge kwaliteit zijn. De meeste afbeeldingen zijn in kleur. De auteur vermeldt echter niet dat deze kleuren vaak anders zijn dan wanneer we ze met het oog zouden zien. Begin dit jaar werd de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA nog voor het niet vermelden van deze en andere "onjuiste' beeldinformatie op de vingers getikt.

In de begeleidende tekst vertelt Henbest wat we nu dank zij het ruimteonderzoek van de planeten weten. Dat doet hij in heldere bewoordingen, zodat het boek ook voor de geïnteresseerde leek goed te volgen is. Het onderzoek met ruimtesondes heeft laten zien dat veel vanaf de aarde verworven kennis van de planeten onjuist was (zoals bij Venus al bleek). En ook blijkt dat er soms nog jaren nadat een planeet door een ruimtesonde is bezocht nieuwe gegevens uit het waarnemingsmateriaal komen. Zo werd er tien jaar nadat de Voyagers Saturnus hadden bezocht nog een maantje bij deze planeet ontdekt.

Na de negen hoofdstukken over de planeten (ook aan de aarde en de maan wordt aandacht besteed), volgt een hoofstuk over planetoïden en kometen: de overblijfselen van het geboorteproces van het zonnestelsel. Deze restanten hebben vooral in de beginperiode van het zonnestelsel een tapijt van inslagkraters op de planeten en hun manen gelegd. Doordat het ""kleine grut' grotendeels uit oermaterie bestaat, is het van groot belang voor de wetenschap. Toch is het tot nu toe slechts tweemaal het doelwit van een ruimtevlucht geweest.

In een afsluitend hoofdstuk gaat de auteur in op de vraag wat al deze ontdekkingen kunnen betekenen voor de kennis van onze eigen planeet, de aarde. Het blijkt dat bij elke planeet wel iets werd ontdekt dat kan bijdragen tot het vergroten van het inzicht in onze eigen planeet. Op Venus zien we de alarmerende gevolgen van een uit de hand gelopen broeikaseffect en op Mars het omgekeerde: een permanente ijstijd. En de turbulente atmosferen van de vier gasreuzen, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus, zijn prima laboratoria voor het bestuderen van de werking van weers- en klimaatsystemen.