No Man's Land herinnert aan komedies uit jaren dertig; Pinter speelt rol in zijn eigen stuk

Voorstelling: No Man's land van Harold Pinter door Almeida Theatre, Londen. Regie: David Leveaux. Spel: Harold Pinter, Paul Eddington. Nog te zien: aldaar tot 19/12. Res: 09-4471-3594404.

Wie deel wil uitmaken van de theatergeschiedenis, moet zich naar het Almeida Theatre in Londen spoeden. Daar speelt Harold Pinter tot 19 december de rol van Hirst in zijn eigen stuk No Man's Land, de eerste Londense produktie van het stuk sinds de première in 1975 bij het National Theatre. Zijn recentste stukken Mountain Language en Party Time, die beide nog geen 25 minuten duren, hebben een opmerkelijk zwakke Pinter laten zien, maar dit stuk herinnert ons eraan wat een geweldige toneelschrijver hij toch is.

De waardering voor deze produktie wordt uiteraard gekleurd door de voyeuristische fascinatie Pinter Pinter te zien spelen in dit misschien wel treurigste stuk dat hij geschreven heeft. Ralph Richardson speelde de rol van Hirst in de eerste enscenering (met als tegenspeler John Gielgud als Spooner) en, hoewel de acteur Pinter niet het niveau van Richardson haalt, geeft hij de rol van deze zielloze oudere man die zelfs in zijn fantasie nog niet weet hoe hij leven moet een sombere en onverzettelijke waardigheid mee.

We bevinden ons in de typische Pinter-wereld die kantelt en ronddraait en ons nooit het rustgevende uitzicht biedt op slechts één werkelijkheid. Hirst, een rijke zestiger, heeft een leeftijdgenoot, Spooner, ontmoet in Jack Straw's Castle, een bekende pub in Hampstead Heath. En hij heeft hem mee naar huis genomen. Ze drinken en praten, over een (gefantaseerd?) verleden in een Engeland dat misschien zelf ook nooit dan alleen in fantasie (no man's land) heeft bestaan - tot Hirst, ladderzat, de kamer uitkruipt.

De vreemde, tyrannieke bedienden Briggs en Foster (Gawn Grainer en Douglas Hodge) maken dan weliswaar een onheilspellende entree maar weten hun dreigende houding tegenover Spooner niet vol te houden: ook hier een no man's land van gefnuikte voornemens. Hirst keert terug en vraagt hen wie Spooner is.

Deze wordt de rest van de nacht in de kamer opgesloten en krijgt de volgende morgen een champagne-ontbijt. Hirst komt binnen en groet Spooner hartelijk als was deze zijn oude vriend Charles Wetherby die hij sinds het einde van de jaren dertig niet meer heeft gezien. (Pinter slaagt er niet in Hirsts onsterfelijke zin “Did you have a good war?” uit te spreken met hetzelfde onthutsende aplomb als ooit Richardson deed.) Na aanvankelijke verbazing stapt Spooner in de hem toebedachte rol. Herinnering stapelt zich op herinnering, in een parodiërende stijl die doet denken aan de elegante boulevardkomedies van de jaren dertig. Tijdens deze scherts toont de schrijver Pinter ons met mededogen maar zonder ook maar één moment sentimenteel te worden hoe onbevredigend deze levens - veel levens - zijn.

“Regent het?” vraagt Hirst plotseling. “Het regent zo vaak, in augustus, in Engeland. Kijk je weleens in de greppels, op het land? Onder de takken, de dode bladeren, vind je tennisballen, helemaal zwart... Zijn daar kwijtgeraakt, achtergelaten, eeuwen geleden”. Geblakerde tennisballen - een meesterlijk, schrijnend beeld voor een lang voorbije jeugd die nooit tot volwassenheid heeft geleid.

Het stuk eindigt als Spooner bijna woordelijk herhaalt wat Hirst de vorige avond gezegd heeft: “Je bent in niemandsland. Waar niets beweegt, niets verandert, niets ouder wordt, en alles voor altijd blijft bestaan, ijzig en stil.”

Paul Eddington als Spooner geeft een scherp portret van een door het lot tot wereldvreemheid gedoemde man: hij spreekt zijn even lege als dorre beleefdheidsfrasen met een onberispelijk upperclass-accent uit. Een minpunt is dat Eddington al te zeer in de plooi blijft: hij ontbeert de aangeboren glorie van een ongetwijfeld typisch Engelse elite die een versleten, gekreukte jas in overeenstemming weet te brengen met een bijna hysterisch geloof in een gedateerd klassesysteem - wat Gielgud altijd zo goed kon. En hij verschilt uiterlijk niet genoeg van Pinters welgedane Hirst om hun onderhuidse, verborgen overeenkomsten spanning teweeg te laten brengen. Maar gelukkig lijkt Eddington geenszins geïntimideerd door Pinters aanwezigheid en heeft hij zich zijn rol wel degelijk eigengemaakt.

De jonge regisseur David Leveaux heeft zijn voorstelling wijselijk ingetogen gehouden. Vuurwerk zou in dit geval een ernstige vergissing zijn geweest - niet uit eerbied voor Pinter als acteur in zijn eigen stuk, maar omdat een grotere inbreng van de regie alleen maar het zicht ontnomen zou hebben op de elegantie van de tekst. In Berlijn heeft Leveaux heeft Ekkehard Schall geregisseerd (in Krapps Letzte Band en Dodendans), waarna Pinter kennelijk het volste vertrouwen in hem heeft gehad. Hij regisseert ook regelmatig voor de Royal Shakespeare Company.

Het in de Londense buitenwijk Islington gelegen Almeida Theatre - waar Pierre Audi, de artistiek leider van de Nederlandse Opera, jarenlang directeur is geweest - is op dit moment, en niet alleen vanwege deze opmerkelijke Pinter-produktie, het interessantste avantgarde-theater. In weerwil van de omvang (slechts 350 plaatsen) weet het voortdurend acteurs en regisseurs van topniveau aan zich te binden.