Met liefde denk ik aan de lindebomen. Hier is alles kil

“Hij leeft nog!” De stem van Janny Nozinovic klinkt opgetogen. Vier maanden hebben zij, haar moeder en haar broertje Salih moeten wachten op bericht over haar vader. Vorige week woensdag hoorde een mede-bewoonster van het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch via haar zus in Zagreb dat Janny's vader vecht in de omgeving van Sapna. “Hij vecht en maakt lol. Ze bereiden de aanval op Kozluk voor. Als het ze lukt die stad te bevrijden, dan kunnen we nog dit voorjaar terug naar huis”, schreef ze in haar dagboek.

Pasa, de moeder van Janny, kan haar tranen nauwelijks bedwingen. Ze zit de hele tijd te haken en als ze weer een kleedje af heeft, haalt ze het uit en begint weer van voren af aan. “Zenuwen”, zegt ze. Die spelen haar zodanig parten dat ze zelfs niet in de witte boontjes uit Macedonië durft te kijken die ze twee weken geleden kreeg en waarmee je de toekomst kunt voorspellen.

Janny laat nu andere bewoonsters van het opvangcentrum in de boontjes kijken. Haar wens dat Damir, een vriend uit Zvornik, nog leeft, is niet uitgekomen: hij stierf eind vorige maand in de bergen. “Ik geloof het nog steeds niet. Toen ik het hoorde hebben we naar liederen geluisterd over Zvornik en over de rivier de Drina. De hele etage was erbij. Alles kwam weer terug. Moeder kreeg pijn in haar hartstreek. Ik heb haar een pil uit Bosnië gegeven om te kalmeren. Met moeite kwam ze weer bij”, schreef ze begin november.

Zelf nam ze een kalmeringstablet nadat ze de brief had gelezen die haar kamergenote Nura van haar zus uit Ivangrad had ontvangen. “Ze gooien steeds granaten op Zvornik, ze verminken mijn stad. Aan beide kanten vallen veel doden. Eigenlijk verwacht niemand snel naar huis terug te kunnen keren, omdat het nu pas echt is begonnen. De tweede helft van de wedstrijd.”

Soms zit ze 's ochtends voor ze naar school gaat in de vensterbank van kamer A-116 in het opvangcentrum waar ze sinds begin augustus met haar moeder, Nura en haar broertje verblijft. “In gedachten verzonken kijk ik naar het ontwaken van de dag. Hoe vaak ik niet thuis vanuit de keuken naar buiten keek als de dag begon. De moskee, de school en geen mens te zien. Lindebomen buigen met de wind mee. Wat was dat fijn. Met liefde denk ik eraan. Maar hier! Het lijkt er niet op, alles is kil, met tralies voor de ramen. Net een gevangenis.”

Niet al haar leeftijdgenoten gaan elke dag naar school. “Van ons veertienen zijn er nooit meer dan acht aanwezig. De rest is zogenaamd ziek of naar de tandarts. Als we te laat komen zeggen we tegen de directeur dat het stoplicht het niet deed. Die mensen worden helemaal gek”, schreef ze in haar dagboek.

De eerste twee repetities zijn achter de rug: voor Duits had ze een 7, voor Engels een 9. “Mijn vader zei vroeger altijd dat Engels heel belangrijk is, dat spreekt iedereen. Daarom doe ik mijn best”, zegt ze terwijl ze een hap neemt van een vers gebakken oliebol. Even later kijkt ze met grote ogen rond in de kathedraal van Den Bosch. Bij elke kapel staat ze stil. “Maria? Ken ik niet.” Ze treuzelt bij de bak waar waxinelichtjes staan, wil weten waarom mensen zo'n lichtje aansteken. Ze weerstaat de verleiding: “Ik ben Moslim”.

Met een groepje vrienden organiseerde ze onlangs een feestje. Niet in het opvangcentrum maar bij iemand thuis in Den Bosch. Er waren ook kennissen uit het voormalige Joegoslavië die nu in Rotterdam wonen. “We waren met ons veertigen. Het was onvergetelijk. Er werd rockmuziek gespeeld, rap, liefdesliedjes. De hele nacht dronken we. In het begin nam ik alleen cola maar iemand zei dat als ik me wilde ontspannen en alles wilde vergeten, ik me moest bezatten.”