Meer controle leidt tot politiestaat en lost fraudeprobleem niet op; Langdurig uitkeringsgerechtigden zitten in de "armoedeval'. Ze kunnen er alleen uitkomen door geluk, of door fraude

In de discussie over misbruik van sociale uitkeringen brengen economen naar voren dat de fraudeur op den duur in zijn eigen nadeel werkt. Hij werkt er aan mee dat alles duurder wordt en bovendien breekt hij door zijn zwarte activiteiten geleidelijk aan de verzorgingsstaat af. Het zou nuttig zijn bij dit soort overwegingen de activiteiten van de frauderende uitkeringsgerechtigde eens van een andere kant te bekijken.

Uit onderzoek blijkt dat 54 procent van de ABW-gerechtigden en 41 procent van de RWW-gerechtigden (cijfers van 1989) tot de zogeheten "harde kern van de bijstand' gerekend moeten worden. Dat wil zeggen tot de mensen die jarenlang, soms tot aan hun AOW, van deze regelingen afhankelijk zullen zijn. Gebleken is ook dat langdurig in deze minimumsituatie verkeren tot verarming leidt. En verarming zal weer vaak leiden tot een of andere vorm van sociale isolatie: men heeft geen geld meer om aan allerlei sociale verplichtingen te voldoen en men kan niet meer mee met buren, vrienden of kennissen in de voor deze referentiegroep gebruikelijke consumptieve gedragingen. Men kan niet met vakantie of een weekend ergens heen. Er is geen geld voor merkkleding voor de kinderen of voor het vieren van een verjaardagsfeestje, zoals het bij hun schoolvriendjes gebruikelijk is. Maar er is ook geen geld voor allerlei noodzakelijke reparaties, of voor de aankoop van een nieuwe wasmachine of een televisie.

Een nadere analyse van de "harde kern' heeft laten zien dat het hier gaat om mensen met een zeer gebrekkige opleiding en met weinig of geen arbeidservaring. Voor het merendeel is er sprake van "mindergeschikten' die door gezondheid of persoonlijke problemen voor werkgevers niet interessant zijn. En wanneer deze mensen een plaats op de arbeidsmarkt zouden vinden, is hun betaling hooguit het minimumloon. Dan gaat men er in feite op achteruit. Dat wordt ook gesignaleerd in de Notitie Inkomensbeleid van 1991. Het verschil tussen sociaal minimum en minimumloon is te klein om de verwervingskosten bij overgang van inactiviteit naar activiteit te compenseren en bovendien, zo wordt in de nota gemeld, verspeelt men mogelijke bijverdiensten uit het informele circuit. Daarnaast maken de vrijlatingsbeperkingen, onlangs door staatssecretaris Ter Veld verscherpt, het weinig aantrekkelijk naast de uitkering "gemeld' betaalde werk te doen

Deze langdurig uitkeringsgerechtigden zitten in de "armoedeval'. Ze kunnen er alleen uitkomen door geluk, of door fraude. Uit onderzoek naar activiteiten in het zwarte circuit is duidelijk geworden dat het hier vooral gaat om ijverige werkers, die naast hun normale baan in hun vrije tijd hun inkomen door arbeid proberen te vergroten. Bij de uitkeringsfraudeurs zijn het ook vooral de ijverigen, die systematisch naar een verbetering van hun levenssituatie streven. Dat is maar zelden leven in luxe. Uit een onlangs uitgevoerd dossieronderzoek bij een Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) in een middelgrote stad bleek dat de fraudeverdienste opging aan de normale behoeften, zoals die ook bestonden bij buren, vrienden of kennissen.

In een sociologische theorie wordt onderscheid gemaakt tussen het meest aansprekende doel van een samenleving, in Nederland bij voorbeeld een grote welvaart, en de middelen die daarvoor in de samenleving aangewezen zijn, bij voorbeeld het beschikken over kapitaal, een speciaal talent of een goede opleiding. Wie wel het doel onderschrijft, maar niet over de middelen beschikt, zou, volgens de theorie, kunnen komen tot één of andere vorm van afwijkend gedrag. Men zou kunnen stellen dat de fraudeur het door de samenleving aangegeven doel serieuzer neemt dan de anderen en daar, bij gebrek aan beter, andere middelen voor zoekt. Wie enigszins thuis is in het land van de uitkeringsinstellingen, weet dat de pakkans betrekkelijk klein is, de kans op bestraffing nog kleiner en de sanctie vaak verwaarloosbaar. Maar de grootte van de pakkans blijkt voor deze fraudeurs nauwelijks een rol te spelen. De behoefte sociaal mee te kunnen en het lot zo veel mogelijk in eigen hand te nemen, doet hen de pakkans verwaarlozen. En daarbij hebben zij niet het gevoel veel schade aan te richten.

Bijstandsuitkeringen behoren tot de overheidsdiensten. In wezen zijn dit, met een economische term "vrije goederen'. Ze worden gefinancierd uit de algemene middelen. Er hoeft geen premie voor te worden betaald en iedereen kan er zonder meer gebruik van maken. De sociale uitkeringen belopen enkele tientallen miljarden per jaar, voor de man in de straat gaat het daarom onmiskenbaar van de "grote hoop'. En de hand lichten met de regelingen op dit terrein lijkt hem echt geen ernstige zaak te zijn. Toen men in een onderzoek uitkeringsfraudeurs vroeg waarmee zij hun overtreding zouden willen vergelijken, dachten ze dan ook niet aan een ernstig vergrijp en vergeleken het in de eerste plaats met fout parkeren.

In de discussie wordt voortdurend gesproken van de "calculerende burger', maar dat calculeren gebeurt op alle niveaus van de samenleving. Naarmate op de plaats, of in de sector waar men zich bevindt, meer omgaat, valt er meer te verdienen. Praktisch iedere dag kan men in de krant een verhaal lezen over misbruik en fraude, waarbij de hogere echelons van de samenleving doorgaans sterker zijn vertegenwoordigd dan de lagere. Op alle niveaus probeert men meer welvaart te realiseren dan waar men via de verdelende rechtvaardigheid recht op kan doen gelden.

Een uitkering wordt ervaren als een vorm van inkomen. En de uitkeringsgerechtigden staan ook onder de voortdurende invloed van de consumptiedruk. Maar een minderheid van de uitkeringsgerechtigden fraudeert. De manier waarop men met het inkomen omspringt, is sterk afhankelijk van de cultuur waarin men is opgegroeid, of waarin men zich bevindt. In het ene milieu wordt meer, of op een andere wijze "versierd', "georganiseerd' of "geregeld' dan in het andere. Onterechte grijze kentekens, Makrokaarten, verzekeringsclaims, aftrekposten, het pikken van spullen van de baas. Soms wordt met gestolen spullen een eigen bedrijfje opgezet. De timmerman neemt planken en spijkers mee, de boekhouder papier en blocnoots, de winkelbediende pikt uit de schappen, de kelner verkoopt kopjes koffie voor eigen rekening. In een overzicht van onderzoek op dit terrein wordt gesproken van de “normale criminaliteit van normale mensen in de normale omstandigheden van hun werk”. In feite zijn het allemaal gevallen van gebruik van de plaatselijke "grote hoop'.

En zo is het ook met uitkeringsgerechtigden. Die pikken er vaak ook het één en ander bij. Maar ze dragen met hun fraude ook bij aan de welvaart van degenen die het toch al beter hebben. Denk aan de zwart betalende werkgevers, aan degenen die tuin, auto, of huis door zwarte klussers laten onderhouden, aan de tallozen die hun huis door vrouwen met een uitkering laten schoonhouden. En iedereen roept dat het anders allemaal te duur zou worden. Acht jaar geleden bleek al uit onderzoek dat veertig tot vijftig procent van de bevolking, vooral in de grote steden, gebruik maakt van zwarte arbeid.

Als betonrot vreet al dit misbruik aan de fundamenten van de verzorgingsstaat. Met meer controle achteraf door het koppelen van bestanden of het aanstellen van meer opsporingsambtenaren los je dit probleem niet op. Dat kan leiden tot een soort politiestaat waar niemand op zit te wachten. Het systeem moet op de helling en wel zodanig dat het voor mensen aantrekkelijk wordt te kiezen voor werk boven een uitkering en wel zo dat ze ermee uit de armoedeval kunnen ontsnappen. En verder door het aantoonbaar schadelijke deel van het zwarte circuit onaantrekkelijk of onmogelijk te maken en door het minder schadelijke deel, dat een bijna onvervreemdbaar deel is gaan uitmaken van het normale economisch leven, op één of andere wijze te legitimeren.

    • J.J. Godschalk