"Liever tien jaar voor doodslag, dan één jaar voor moord'

Dit is het vijfde deel van een serie over mannen en vrouwen die hun (ex)partner doodden of hiertoe een poging deden. Wat was de eis? Hoe luidde de straf. En waarom deden ze het?

Volgende week: de afsluiting.

Eric H. (31) doodde vijftien maanden geleden zijn vrouw. De aanklacht luidde moord met voorbedachte rade. De eis: twintig jaar. Hij werd veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf, een uitspraak waartegen Hoger Beroep werd aangetekend.

In een smetteloos witte bezoekkamer van de gevangenis wordt een tengere man met een doorschijnend gezicht binnengeleid. Hij begint direct te praten.

“Voordat het gebeurde heb ik herhaalde malen geroepen: "Ik vermoord mijn vrouw nog eens.' Op grond daarvan is mij moord ten laste gelegd. Maar ik ben geen moordenaar, die zijn vrouw bewust om het leven heeft gebracht. Ik hield van haar, dus ik zit liever tien jaar voor doodslag dan één jaar voor moord.

“Toen we elkaar vijf jaar geleden leerden kennen, had ik net een scheiding achter de rug. Ze was een bijzonder aantrekkelijke en intelligente vrouw, die een eerlijke indruk maakte. Dat is de ware, dacht ik. Het eerste jaar ging het ook heel goed tussen ons, tenminste die indruk had ik. Ze was wel vaak van huis, maar àls we samen waren hadden we het goed, dan gingen we uit eten, maakten lange boswandelingen of we bezochten dierentuinen. We waren alletwee gek op dieren. Pas later ontdekte ik dat ze verslaafd was aan alcohol.

“Zelf dronk ik ook, maar niet zo stelselmatig. Als de drank op tafel kwam, kregen wij ruzie. Ik verweet haar dat ze nooit thuis was, dat ze mij te weinig aandacht gaf. Alcoholisme is een ziekte, maar jaloezie ook. Die ruzies gingen altijd over hetzelfde. Ik had het gevoel dat ze mij bedonderde, maar als ik dat tegen haar zei, antwoordde ze altijd: "Dat is helemaal niet waar. Dat haal jij je maar in je hoofd, met jou is iets mis.'

“Steeds vaker kregen wij ruzie, steeds vaker bleef ze 's nachts weg. Wanneer zij dan de volgende morgen thuiskwam, zei ze luchtig dat ze bij vrienden was blijven slapen. Op den duur raakte ik totaal in de war. Ik wist niet meer wie of wat ik moest geloven: mijn vrouw of mijn gevoel.

“Ik heb nooit kunnen aantonen dat ze mij belazerde. Op de een of andere manier gaf ze er altijd weer een draai aan. Soms maakte ik het uit na een ruzie, en ging ik naar een vriend toe, maar na twee weken stond ze weer op de stoep en zei: "Kom alsjeblieft terug, je ziet spoken.' En dan ging ik weer door de knieën. Ik heb haar gehaat, maar ik hield ook van haar. Dat maakte het juist zo moeilijk. Ik ben een jaloers mens, ik deel mijn partner niet met een ander. Maar ziekelijk jaloers heb ik mezelf nooit gevonden. “Op een middag toen ik thuis kwam van mijn werk, zat er een postbode op de bank. Ik had het gevoel dat er iets niet klopte, maar ze zei: "Mag ik je even voorstellen, dit is mijn neef.' Ik gaf die man een hand. Later bleek natuurlijk dat het helemaal geen neef was. Toen ik haar daarmee confronteerde, zei ze: "Ach, dat zei ik maar om jou gerust te stellen. Dat was een kennis van vroeger die even langskwam.' Zij bracht het met zo'n overtuiging, dat ik haar wel moest geloven. Ze kon toch niet zó liegen.

“Geestelijk domineerde zij. Haar wil was wet. Zij bepaalde wat er gebeurde, wat we deden, waar we gingen wonen en waaraan het geld werd uitgegeven. Lichamelijk was ik haar meerdere; in mijn onmacht heb ik haar flinke knallen gegeven, dat praat ik niet goed.

“Een keer gooide ik een glas naar haar hoofd, waardoor ze een hoofdwond opliep en naar het ziekenhuis moest. Dan schrik je je rot. Een andere keer duwde ik haar zo hard, dat ze tegen de verwarming viel en een snee in haar wang kreeg. Na dat soort incidenten waren wij dan weer een paar weken lief voor elkaar. Seksueel hadden we een sterke band; in bed kwam het altijd weer goed.

“In het derde jaar werd ze zwanger. Dat was niet gepland, dus wij besloten samen om het weg te laten halen. Maar twee maanden later bleek ze nog steeds zwanger te zijn, ze had zelf besloten het kind te houden. Aan de ene kant was ik daar blij over, want wij konden ons nu geen ruzies meer permitteren. Nu moesten wij aan het kind denken.

“Tijdens haar zwangerschap liepen de spanningen zo hoog op dat ik in de ziektewet belandde en naar het Riagg ben gegaan. De therapeut stelde voor dat zij mee zou komen, maar dat wilde zij niet. Ik ben niet gek, zei ze. Toen hij zei dat ik niet aan een relatie toe was en mij adviseerde om apart te gaan wonen, heb ik dat gedaan. Ik huurde een flatje en als het misging, trok ik mij daar terug.

“Ik heb getwijfeld of het kind wel van mij was, maar toen ik bij de geboorte aanwezig was, ons dochtertje zag en foto's maakte, gaf me dat vertrouwen.

“Na de geboorte was ik zo'n achttien uur per dag in touw, om de problemen te ontvluchten. Ik werkte als taxichauffeur, in de bouw, of bij kermisattracties. De tijd die over was brachten we met z'n drieën door.

“Op een avond, toen ik van mijn werk naar kennissen ging, betrapte ik haar. Ze hing bij een jonge vent om de hals. Rustig zei ik dat ik dit thuis met haar wilde uitpraten. Ik pakte ons dochtertje op om haar mee naar huis te nemen, en opeens sprong iedereen bovenop me. Het werd een enorme scène. De politie kwam er zelfs aan te pas en ik belandde in een cel. De dag dat ik vrijkwam, kregen wij weer ruzie. Ik heb nog in haar schoot liggen huilen, gevraagd waarom we toch altijd zoveel problemen hadden. Daarna vreeën we met elkaar en toen dacht ik dat het allemaal wel weer goed zou komen. We spraken af elkaar de volgende dag weer te zien en verder te praten.

“Toen zij niet kwam opdagen, ben ik naar ons huis gegaan. Op mijn heup, onder mijn jasje stopte ik een keukenmes, want ik was tenslotte al een paar keer door haar vrienden bedreigd en in elkaar geslagen. Toen ik binnenkwam zat diezelfde jongen naast haar op de bank. Op dat moment wist ik dat mijn vermoedens al die jaren juist waren geweest.

“Toen mijn vrouw het mes zag, werd zij nog nerveuzer. Dus om haar gerust te stellen, liep ik naar de keuken en legde het op het aanrecht. Terug in de kamer zei ik tegen die jongen dat hij moest oprotten, dat dit MIJN gezin was. Ik wilde met mijn vrouw praten, maar zij weigerde. Ik riep: "Geef me dan tenminste onze dochter mee, dan laat ik je met rust.' Toen schreeuwde ze dat ik Terry nooit meer zou zien, als het aan haar lag.

“Daarna vluchtte zij de keuken in, ik liep achter haar aan en probeerde haar te omhelzen. Ik zei dat ik van haar hield, maar ze duwde me hard van zich af en zei heel venijnig: "Ik moet je niet meer.' Ik viel tegen het aanrecht en opeens zag ik haar blik - triomfantelijk en sarcastisch. Alsof ze er behagen in schiep mij zo te vernederen. En daar was het mes. Ik herinner me nog dat ik het pakte, en dan wordt het in mijn herinnering zwart.

“Het eerste wat ik daarna zag, was mijn vrouw die bij de voordeur lag, in een plas bloed. Haar ogen waren dicht. Ik riep haar, maar ze reageerde niet. In paniek heb ik de politie gebeld en gezegd: "Ik denk dat ik mijn vrouw heb doodgestoken.' De agent vroeg of ik voorzichtig wilde kijken of zij wel dood was, maar dat durfde ik niet. Die jongen was verdwenen. Later heeft hij verklaard dat ik ook op hem ben afgelopen met dat mes. Is mogelijk, ik weet dat niet meer.

“De ambulance en politie kwamem. Mijn vrouw leefde nog, dus ik dacht: "Dat komt wel goed.' Ik werd meegenomen naar het bureau, zij werd naar het ziekenhuis gebracht. Op het bureau viel ik flauw en toen ik bijkwam, kreeg ik te horen: "Uw vrouw is zojuist overleden.' Dat ging zo terloops dat ik het eerst niet geloofde. Pas een paar dagen later begreep ik dat het echt waar was. Heel lang heb ik mij niet kunnen voorstellen dat mijn vrouw door mijn toedoen het leven heeft verloren. Later hoorde ik dat ik haar achttien keer heb gestoken en dat ze op de operatietafel is overleden. Nog steeds is dat voor mij iets onwezenlijks. Zo zie ik mijzelf niet, dat hoort niet bij mij, alsof het door een ander is gedaan.

“Pas na haar dood is heel veel van wat ik vermoedde, bevestigd. Ze had omgang met drie mannen, van wie ik er een was. Zij leidde een dubbelleven, het is een groot toneelstuk geweest. Iemand zei eens tegen me: "Manipuleren met de gevoelens van je partner is gevaarlijk, levensgevaarlijk zelfs.' Dat is ook gebleken.

“Mijn dochter is nu mijn grootste zorg. Zij zit in een pleeggezin, net zoals ik vroeger. Pas toen ik zeventien was, zag ik mijn ouders weer, maar toen was het te laat. We hebben nooit meer contact gehad. Wanneer ik nu geen band met mijn dochter kan creëren, ben ik zometeen een vreemde voor haar. Net zoals mijn ouders dat voor mij waren.

“Ik heb al twintig jaar van instellingen en tehuizen achter de rug, dus die zeven jaar kunnen er nog wel bij. Ik ben hier reiniger van de afdeling, ik werk zo hard mogelijk, anders word ik knettergek.

“Langzaam aanvaard ik nu dat mijn vrouw niet meer leeft en dat dat mijn schuld is. Het klinkt misschien vreemd, maar als ik de tijd kon terugdraaien, zou ik weer met haar beginnen. Ik blijf haar haten, maar ik mis haar ook. Vooralsnog heb ik geen rust. Spijt is verkeerd uitgedrukt. Je hebt spijt van iets als je dat bewust hebt gedaan, maar degene van wie je houdt, vermoord je nooit bewust. Dit is mij overkomen, mijn lichaam ging als vanzelf.”