Letterenprijs

Het is een hardnekkig en wijdverbreid misverstand dat de Prijs der Nederlandse letteren, waarvan de laatste editie 28 oktober in Den Haag werd uitgereikt, beurtelings aan een Vlaamse en aan een Nederlandse auteur moet worden toegekend (NRC Handelsblad, 5 november).

Sedert vier jaar is het enige criterium "dat het oeuvre oorspronkelijk in de Nederlandse taal moet zijn geschreven'. De nationaliteit van de schrijver doet niet langer ter zake. In plaats van Kouwenaar had dus als opvolger van Claus op 7 december 1989 Christine D'Haen in Brussel de prijs kunnen krijgen, en dit jaar De Wispelaere, in 1995 Michiels, in 1998 Hemmerechts en zo verder, voorlopig tot Lanoye. Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie heeft dat, op advies van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, door zijn besluit van 10 mei 1988 nadrukkelijk mogelijk gemaakt. Wat dus ook had gekund: dit jaar Ida Gerhardt, Vroman, Mulisch of Reve. Alles is op dit punt al vier jaar geoorloofd, wat niet wil zeggen dat alles ook nuttig is.

Maar hoe dan ook, als jury's om wat voor reden dan ook menen dat de nationaliteit van de schrijver voor de bekroning van belang is, is één van de belangrijkste doelstellingen van de Taalunie: integratie van de Nederlandstalige letteren aan weerszijden van de landsgrens, nog verre van verwezenlijkt. De eerste jury die de traditionele om-en-om-keten verbreekt en nationaliteit A voor een prijs voordraagt waar B werd verwacht, levert een wezenlijke bijdrage aan de eenwording van onze letteren en verdient op zijn minst de Taaluniepenning.