"Je moet de dingen aanvaarden zoals ze komen'; De veelbewogen levensgeschiedenis van Toshiko Kabashima

Vijftig jaar heeft de 71-jarige Toshiko Kabashima gewerkt, de laatste jaren als acquisiteur voor Nederland van Japanse bedrijven. Ze vertelt haar levensverhaal, dat parallel loopt met het ingrijpende verloop van de Japanse geschiedenis, met verve - soms stil vallend wanneer de oorlog ter sprake komt, soms schaterend om komische coïncidenties. Toshiko Kabashima bewoont samen met haar broer een appartement in de zuidelijk van Tokio gelegen badplaats Atami, met uitzicht op de Grote Oceaan.

Mijn vader, Kabashima-san, was illustrator van jongenstijdschriften. Daar verdiende hij veel geld mee. Hij zei toen wel eens: "Ik ben zo rijk als de gouverneur van Tokio.' Ik zat in de derde klas van de lagere school, toen mijn vader een Engelse dame aanstelde als mijn persoonlijke studiebegeleider. Op mijn school kregen we pas in de vijfde klas Engelse les. Ik zat op de enige lagere school in Japan waarop Engels werd gegeven.

Het was in die jaren dat mijn vader beroemd begon te worden. Iedere jongen in Japan kende zijn strips, met de held met de rode muts. Maar hij tekende niet snel, dus hij verkocht ook niet veel. Wat hij maakte ging wel tegen topprijzen van de hand. Hij leerde mij om zelf op onderzoek te gaan, mijn eigen interesses te volgen. Voor de lol schreef ik een opstel over de geschiedenis van speelgoed, vanaf de Egyptische beschaving. Van geschiedenis hield ik. Ik stortte me ook op de cultuur van het Heian-tijdperk (794-1192, red.), omdat ik was geïnteresseerd in de kostuums van die tijd.

Een buitengewoon goede leerling was ik niet. Ik spijbelde geregeld, wat bijna niemand deed. Vaak ging ik dan naar de bioscoop, waar ik in de journaals voor het eerst Hitler zag oreren. Van zijn techniek, zijn intonatie en de pauze tussen zijn zinnen was ik erg onder de indruk. Hitler was tamelijk populair in Japan. Een keer bezocht een delegatie van de Hitlerjugend onze school. Al besefte ik dat het een speciaal geselecteerde delegatie was - die lui waren zó stijlvol -, toch was ik erg geïmponeerd.

Veel illustratoren probeerden de stijl van mijn vader na te bootsen. Een van hen verspreidde het gerucht dat mijn vader niet meer kon zien. Die tekenaar hoopte dat uitgevers bij hem zouden komen. Mijn vader kreeg daardoor minder opdrachten en van lieverlede werden we straatarm.

Op de middelbare meisjesschool zaten kinderen van heel rijke ouders, adel en nouveau riche. Ik was bevriend met de dochter van markies Yamanochi, die een groot huis had in Shinjuku. Dat was gebouwd in traditioneel Japanse stijl, heel luxueus, met één Westers ingerichte kamer. Dat huis was zo groot dat ik er een keer in ben verdwaald. Ik werd vanwege onze armoede niet gediscrimineerd. Als ik op een jongensschool had gezeten, was ik misschien wel op handen gedragen, want mijn vader had nog altijd een naam als illustrator van jongenstijdschiften.

Bij de diploma-uitreiking droegen alle meisjes mooie kleren, Westerse of Japanse. De enige in gewone kleren was ik, maar dat kon me niks schelen. Sommige leerlingen mochten me niet vanwege mijn onafhankelijke houding. Na de middelbare school trouwden de meeste meisjes of bereidden zich daarop voor door naai- en kooklessen te nemen of zich te bekwamen in de theeceremonie. Ik ging naar de semmon daigaku, de universiteit was niet toegankelijk voor meisjes. Het was een gespecialiseerde opleiding, de hoogste die je als meisje kon volgen. Onze buren zeiden tegen mijn moeder: arme Toshiko zal nooit trouwen. Het was niet dat ik niet geïnteresseerd was in trouwen, maar ik wilde mijn studie Engelse literatuur vervolgen.

Ik trok op een gegeven moment in bij mijn oma, die nog in goede doen was. Om mijn ouders financieel bij te staan, gaf ik vier avonden per week bijles Engels aan middelbare scholieren. Zelf studeerde ik twee avonden per week Duits. Ik had zo vrijwel geen tijd om te studeren, waarvoor ik in feite gekozen had. Maar op het eerste examen wist ik het antwoord op vijf van de zes vragen, uitgerekend over de stof die ik toevallig nog had kunnen inzien. Mijn mede-studenten vroegen daarom altijd welk onderdeel ik bestudeerde.

Ik had het zo druk dat ik de repressie niet voelde. Van tijd tot tijd werden we opgeroepen voor de "Arbeidsdienst', de sociale dienstplicht. Mijn broer moest in een fabriek of op het land werken. We wisten dat de kans op oorlog groter werd, maar dat het laatste uur had geslagen beseften we niet. De media verspreidden veel anti-Amerikaanse propaganda. Voor zover wij al haat jegens Amerika koesterden, was die kunstmatig aangewakkerd. Echt bange dagen waren het niet. Wat een oorlog met Amerika feitelijk zou betekenen, konden we ons niet voorstellen.

In november 1941 werden onze Amerikaanse docenten teruggestuurd en vervangen door Japanse. Eén van hen mocht blijven omdat zij was genaturaliseerd. Over hun vertrek waren we erg treurig, we kenden de reden: de mogelijkheid van een oorlog. We mochten ze allemaal graag, sommigen waren ook erg goed. Een vriendin van mij die heel erg gesteld was op een van de docenten huilde en was ontroostbaar.

Nadat Japan op 7 december Pearl Harbour had aangevallen, vertelden ze ons dat onze laatste studiedag niet in maart 1942 viel, maar al op 25 december 1941. Door Pearl Harbour waren we verrast, maar ik was trots noch angstig. Velen geloofden dat we een kans hadden om de oorlog te winnen. Van de macht van Amerika hadden we geen idee, realistische vergelijkingen waren er niet. Japan voerde al zó lang oorlog in China, dat we niet beseften dat oorlog een abnormale toestand was. Ons was geleerd dat het Westen andere volkeren koloniseerde en de meesten van ons dachten dat we in Mantsjoerije slechts het voorbeeld volgden van de Westerse kolonisatoren. Van wreedheden in China vernamen we niets, alleen van de overwinningen van het Keizerlijke leger. We hadden geen realistische kijk op het verloop van de oorlog met Amerika: een nederlaag behoorde volgens ons niet tot de mogelijkheden, daar sloten we onze ogen voor. Tot ver in 1942 hielden we uitsluitend rekening met een overwinning.

De stichter van mijn instituut was een van de eerste meisjes die in Amerika gingen studeren. Dat was tijdens de Meiji-periode (1868-1912, red.). In Amerika had zij op een beroemd meisjes-college gezeten en toen ze terugkwam ging ze een samenwerkingsverband aan met dat college. Ieder jaar kreeg de beste student van ons instituut een beurs voor dat Amerikaanse college. Het uitbreken van de oorlog verhinderde dat ik naar Amerika kon. Dat was een grote teleurstelling voor me.

Bij de diploma-uitreiking hield de beste student normaal gesproken een voordracht in het Engels, de op een na beste sprak in het Japans en de derde, die het hele "jaar' vertegenwoordigde, nam het diploma in ontvangst. Omdat Engels verboden was, want dat was de taal van de vijand, hield ik die dag mijn voordracht in het Japans.

De volgende dag al begon ik met mijn eerste baan. Bij het ministerie van buitenlandse zaken, op de zesde sectie van het internationale handelsbureau die was belast met Frans-Indochina. Een vriend van een oom werkte daar. Ik droomde ervan diplomaat te worden. Maar omdat het leger Frans-Indochina bezette en daar geen handel meer mee werd gedreven, had onze sectie niets meer te doen. Ik zat er kimono's te naaien.

In de herfst van 1942 vroeg iemand me te komen werken voor de generale staf van de marine, bij de afdeling die voorbereidingen trof voor de bezetting van Australië. Die bestond uit een vertaalteam en een planningteam. Ik kreeg opdracht de Australische jaarboeken te vertalen. De marine trok een aantal professoren aan van de Waseda Universiteit en zakenlieden van ondernemingen als Mitsubishi en Matsui, die in Australië hadden gewerkt.

Toen ik mijn vertaalwerk eindelijk klaar had, werd het gedrukt in vele duizenden exemplaren. De marine achtte een ruime verspreiding van groot belang. Mijn vertaling stond op een dag in een grote kamer van het ministerie opgestapeld. Die nacht verbrandde alles door een luchtbombardement. Dat vond ik wel jammer. Het was toch mijn eerste kind dat in rook en vlammen opging.

Omdat we honger leden, trokken mijn moeder, zuster en broer het land op om kimono's te ruilen voor rijst. Door de propaganda kende niemand de werkelijke situatie aan het front. Ik dacht pas aan de mogelijkheid van een nederlaag en aan mijn eigen sterfelijkheid toen de bombardementen toenamen. Dag en nacht kwamen er zó veel bommen naar beneden, dat het onmogelijk leek eraan te ontsnappen. Op een prachtige, heldere dag zag ik zo'n grote B-29 bommenwerper naar beneden komen, met een rokende staart. Dat was op zichzelf schitterend om te zien. Een kleine Japanse jager had zich dwars door het Amerikaanse toestel geboord. Ik vergat helemaal dat het gevaarlijk was.

Eind 1942 besloot de marine onze afdeling te sluiten: het plan om Australië te bezetten was opgegeven. De vertalers werden overgeplaatst naar een onderzoeksbureau dat was verbonden aan de marine. Op dat kantoor bracht ik mijn dagen door tot aan het eind van de oorlog, maar gewerkt werd er nauwelijks. In de winter verzamelden we graspollen, om te verbranden tegen de kou. Grote delen van Tokio waren intussen verwoest. Op straat zag ik geen hongerende mensen, wel enorme rijen wachtenden bij de voedseluitdeling.

Ik woonde weer bij mijn ouders. Mijn vader illustreerde weer, voor erg dunne tijdschriften. Een aantal mensen had het valse gerucht over zijn blindheid tegengesproken, financieel ging het hem veel beter. Veel mensen ontvluchtten de stad of stuurden hun kostbare bezittingen weg. Omdat wij geen familie buiten Tokio hadden, waren wij daartoe niet in staat. Als ons huis zou afbranden, waren we alles kwijt. Mijn moeder bracht wat kleren naar een goede vriend in Tokio, voor het geval ons huis zou worden getroffen. Maar zijn huis brandde af. Kleren kwijt. Ons huis bleef tijdens een groot brandbombardement gespaard omdat de wind ineens draaide.

Bij de marine waren we al een paar dagen eerder dan de meeste mensen op de hoogte van de Japanse nederlaag, want iemand had naar de Amerikaanse radio geluisterd. Pas later, veel later, hoorden we van de atoombom, maar we hadden geen idee wat de omvang van de schade was. Sommigen vreesden de komst van de Amerikanen en stuurden hun dochters weg uit Tokio. Ik was heel bang dat mijn vader zou worden gearresteerd als oorlogsmisdadiger, omdat hij tekeningen van zeeslagen had gemaakt. Mijn drie jaar jongere broer was gelegerd in de provincie Koochi en iedereen dacht dat daar de Amerikanen zouden landen. Zielsgelukkig waren we toen we hem terugzagen.

Met de nederlaag waren we niet blij; niemand verwachtte dat we het beter zouden krijgen. Ik ben geen boeddhist, maar ik hou van een bepaalde boeddhistische gedachte, die luidt: "Zoals het komt'. Volgens die filosofie moet je de dingen aanvaarden zoals ze komen. Het is geen positieve houding, dat geef ik toe, het is passief. We waren verslagen, dat moesten we aanvaarden.

Zomer 1945 zocht ik werk. Op een dag ontmoette ik een vriendin die werkte op het hoofdbureau van politie in Tokio. Ze vertelde me dat ze net die dag tolken zochten. Ik slaagde voor de test en kreeg de baan. Al op de tweede dag werd ik overgeplaatst naar de Paleiswacht. Ik moest GI's weren die het keizerlijke paleis wilden binnengaan, dat waren orders van generaal MacArthur. Het enige wat ik moest zeggen, was: "This is off limit to you. Sorry guys.' Verder leerde ik de paleiswacht Engels.

De moeder van mijn zusters vriend, Kato-san, was een bekend leidster van de Japanse vrouwenbeweging. In de herfst vroeg ze mij te komen werken voor luitenant Weed, hoofd vrouwenzaken van MacArthurs hoofdkwartier. Ik nam die baan. Miss Weed wilde de gemilitariseerde vrouwenbeweging reorganiseren tot een democratische beweging. Daartoe reisde ze door het hele land en gaf ze lezingen. Overal sponsorden plaatselijke kranten de bijeenkomsten. Ze was ook bezig een Bureau vrouwenzaken op te richten op het ministerie van arbeid. Ze wilde dat Kato-san de eerste directeur-generaal werd, maar ik verzette mij daartegen omdat ik wist dat het karakter van Kato-san conflicten zou uitlokken bij haar mannelijke collega's. Ik beval een andere dame aan, een bekende socialiste. Die werd benoemd. Zij werd gerespecteerd, zelfs door de mannen.

Ons team werd gaandeweg uitgebreid en elke vergadering duurde intussen twee dagen. Er waren sprekers over onderwijs en gezondheidszorg en ik was de tolk. Op een bijeenkomst in Yokohama waren wel 10.000 huisvrouwen. Miss Weed kwam uit Cleveland, Ohio. Ze was geen beroepssoldaat, maar vrijwilligster. Ze noemde zichzelf "PR-vrouw'. Ze was heel vriendelijk, bescheiden, ze vertrouwde ons als Japanse staf volkomen. Overal werd ze hartelijk verwelkomd. Omdat ze overal dezelfde lezing hield, vroeg ze mij tenslotte kortweg: Toshiko, vertel ze dit of dat, waarna ik haar hele verhaal in het Japans afstak.

Miss Weed deed ons met haar strijd voor het vrouwenkiesrecht vergeten dat we een verslagen land waren. Vaak bezocht miss Weed ons huis, ze sprak veel met mijn vader. Op een dag vroeg ze mij waarom ik geen beurs aanvroeg voor de Universiteit van Michigan. Die beurs was speciaal voor studenten uit Azië. Je moest daarbij opgeven wat je zou gaan doen wanneer je terugkwam. Ik gaf op dat ik op het vrouwenbureau van het ministerie van arbeid wilde werken. Ik was helemaal niet geïnteresseerd in vrouwenzaken, maar ik vreesde dat als je met mannen werkte, mannen zich bewust zouden worden van de capaciteiten van vrouwen.

De beurs betaalde alleen voor het dagelijkse levensonderhoud, niet voor de overtocht. De vrouw van een Amerikaan op MacArthurs hoofdkwartier, die iets hoogs was bij de Amerikaanse associatie van universitair geschoolde vrouwen, regelde mijn reiskosten. Mijn paspoortnummer was 81, nog maar 80 Japanners waren naar het buitenland gegaan, als getuige bij processen tegen oorlogsmisdaden. Voor een studentenvisum moest ik een schriftelijke verklaring afgeven dat ik niet in het leger was geweest. Ik ging naar de gemeente Tokio, waar niemand me kon helpen. Ik ging naar de politie, naar het wijkkantoor, iemand flanste tenslotte een soort verklaring in elkaar. En ik kreeg mijn visum, studentenvisum no 1. In juli 1948 vertrok ik naar Amerika.

Het transportschip vol Amerikaanse soldaten en vrouwen werd uitgeluid door fotografen en radioverslaggevers. Het schip had reusachtige ruimen voor mannen en vrouwen, met bedden in vier lagen. De meeste vrouwen waren Chinese emigranten en die stonken verschrikkelijk naar knoflook. Ik raakte bevriend met een purser die ik hielp met typewerk. Hij regelde dat ik kon eten op het eersteklas-dek. Na twee weken kwamen we aan in San Francisco.

De schatrijke weduwe van de voormalige president van US Steel haalde me af, ik had haar nog in Japan begeleid als gids. Weer pers en fotografen en tal van interviews. De eerste week logeerde ik in één van haar landhuizen, met vijf badkamers. Ik moest kort daarop ergens een lezing houden over de verbetering van de levensomstandigheden van vrouwen in Japan. Een man in de zaal vroeg me wat ik vond van Amerikaanse vrouwen. Ik antwoordde dat ik ze verwend vond.

Van Amerikanen van Japanse afkomst die waren opgesloten in kampen wist ik niets af. Er moeten zeker Amerikanen zijn geweest die een hekel hadden aan Japanners, maar ik kwam ze niet tegen. Ik moest een keertje in Chicago overstappen van het ene station naar het andere en ik had geen idee van de afstand. Ik besloot te lopen, toen een jongeman in een Cadillac stopte en me een lift aanbood - in Chicago! Toch nam ik het aanbod aan. Ik vroeg hem hoe hij wist dat ik uit Japan kwam. Hij was zelf als soldaat in Japan geweest en zag het aan de typisch Japanse klerenbundel aan mijn stok.

Ik studeerde bijna drie jaar sociologie. De studie was heel zwaar. Ik was 27 en het was zeven jaar geleden dat ik was afgestudeerd in de Engelse literatuur. Prompt zakte ik voor mijn eerste tentamen. In Amerika was ik verrast door de persoonlijke aandacht, de aanmoediging en de zeer sterke morele steun. Dat kende ik niet in Japan. Eén docent mocht me niet. Hij was de voorzitter van de beurzencommissie en had voor de oorlog gedoceerd aan de Universiteit van Kyoto. Hij had uitgesproken meningen over Japanse vrouwen. Hij vond mij niet een echte Japanse. Toen over verlenging van mijn beurs moest worden beslist, stuurde hij aan op mijn vertrek. Uiteindelijk werd op aandrang van andere hoogleraren toch een promotieplaats voor me geregeld. Daartoe zou ik de zomermaanden in Japan doorbrengen om de grote sociale veranderingen te volgen.

In de zomer van 1951 kwam ik in Japan aan. Daar trof ik mijn familie in zulke kommervolle omstandigheden aan, dat ik besloot niet meer naar de VS terug te gaan. En ach, wat kon mij die doctorstitel schelen. Die betekent in Japan alleen maar wat als je professor wilt worden en dat wilde ik niet. Maar ik was intussen 30 en ik was een beetje bang dat ik al te laat was voor een carrière in Japan. Ik besloot de journalistiek in te gaan.

Ik werd in 1951 aangenomen bij het persbureau Kyodo. Ze zochten daar iemand die Engels sprak. Twee voorwaarden stelde ik: gebruik me niet alleen voor het Engels en belast me niet met vrouwenzaken. Dat aanvaardden ze. Ik werkte eerst een jaar op de buitenlandredactie en vertaalde berichten van Westerse persbureaus. Daarna coverde ik de repatriëring van Japanse krijgsgevangenen en andere Japanse gevangenen uit de Sovjet-Unie en Communistisch China, die pas op gang kwam na langdurige onderhandelingen tussen het Japanse Rode Kruis en het Rode Kruis uit die landen.

Ik probeerde de namen te achterhalen van de Japanners die op transport werden gesteld naar huis. Elk kamp was genummerd. De gevangenen mochten eens per zoveel maanden een kaart naar huis sturen. Ik bezocht in Tokio tal van gezinnen en vroeg hun de kaarten. Zo kon ik de plaats van de kampen achterhalen. Later zocht ik de gezinnen weer op, vroeg hun opnieuw de kaarten en kon zo achterhalen of ze waren getransporteerd naar een ander kamp. En ten slotte kon ik hun repatriëring achterhalen. Dit werk heb ik jarenlang gedaan.

Ik woonde nog drie jaar bij mijn ouders en huurde toen een klein appartement. We waren heel blij dat na zeven jaar bezetting de Amerikanen waren vertrokken en we weer zelfstandig waren geworden. De bezetting was neerdrukkend, hoewel ik er persoonlijk geen last van had door mijn contacten met Amerikanen. Ik was bedroefd toen zo veel Amerikaanse vrienden afscheid namen. Sommige Amerikanen bleven hier, zo veel waren ze van Japan gaan houden. We hadden geen bad feelings over de Amerikanen.

Aan het eind van de jaren vijftig sloeg de stemming drastisch om. Dat kwam doordat links georiënteerde Japanners, die jaren gevangen hadden gezeten en na de oorlog waren vrijgelaten door de Amerikanen, steeds meer macht kregen, vooral over studenten. Linkse ideeën waren nieuw en veelbelovend. Zo kon in 1960 de massale beweging tegen de komst van president Eisenhower op de been worden gebracht.

Tot 1967 ben ik in de journalistiek gebleven. Kyodo richtte een aparte onderneming op voor public relations en ik kwam in de leiding terecht. Omdat een van de directeuren geld van de onderneming voor zichzelf gebruikte, besloot ik te vertrekken. De president van Kyodo wilde me toen naar het buitenland sturen als correspondent, maar ik was al 46 en gewoonlijk moet je toch zeker drie jaar op zo'n post blijven. Het was een grote eer, ik zou de eerste vrouwelijke correspondent van Japan worden, maar ik betwijfelde of ik daarna nog de leeftijd had om een tweede carrière te beginnen. Ik bedankte, verliet Kyodo en besloot als free lancer PR-werk te doen.

Ik betrok een kantoortje bij een groot PR-bureau dat mij eerder had gevraagd om voor hen te komen werken, maar wat ik toen had geweigerd. In ruil voor het kantoortje en een telefoon bood ik aan in mijn vrije tijd wat werk voor hen te doen. Ze gaven me ook nog 100.000 yen, niet veel, maar in die tijd ook niet weinig. Het PR-bureau gaf me de opdracht om een Nederlandse economische missie te begeleiden. Zo ontmoette ik de eerste secretaris van de Nederlandse ambassade in Tokio, die me vroeg hem te assisteren. Hij deed part-time-acquisitie van Japanse bedrijven, die hij probeerde over te halen zich in Nederland te vestigen. Zo werden het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken en het ministerie van economische zaken mijn klanten. Voor Europa was de tijd voor acquisities nog niet rijp; echte resultaten boekten we dan ook niet, maar we zaaiden wel.

Tot december 1991 heb ik in deeltijd voor de ambassade gewerkt, want ik had ook nog andere klanten, zoals Suntory. Ik was in december 1941 met werken begonnen, ik heb dus precies een halve eeuw gewerkt. Nu ben ik 71, ver over de pensioengerechtigde leeftijd en, daar ben ik trots op, ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Voor de oorlog dacht ik vaak dat ik excentriek was. Ik vond mezelf zó anders dan andere mensen; anders in gedrag, anders in denken. Individualisme werd voor de oorlog in Japan vaak versleten voor egoïsme. Nu is dat niet meer zo erg. Ik was vroeger tamelijk negatief over mijzelf. Eenmaal in Amerika was ik zó opgelucht en zielsgelukkig toen ik ontdekte dat ik niet excentriek was, maar normaal.

    • Paul Friese