HEIMWEE NAAR DE TSAAR

The Last Tsar. The Life and Death of Nicholas II door Edvard Radzinsky 462 blz., geïll., Doubleday 1992, (vertaald uit het Russisch door Marian Schwartz), f 52,25 ISBN 0 385 42371 3

Royalty is en vogue in Rusland. De krantjes die in de Moskouse metrostations liggen uitgestald gaan niet langer over de verlokkingen van de democratie maar dwepen met vaderlandse tsaren en heiligen. ""Het Rusland dat wij hebben verloren'' noemde regisseur Stanislav Govoroechin zijn recente film over de goede tijden voordat de revolutie van 1917 roet in het eten kwam gooien. Toen Sint-Petersburg vorig jaar zijn oude naam terugkreeg, duikelde men in Frankrijk een vergeten troonpretendent op die de plechtigheid mocht bijwonen. Het greep deze Romanov zo aan dat hij kort daarna zonder mannelijke nakomeling de geest gaf en temidden van zijn voorvaderen ter aarde kon worden besteld.

De Russisch-orthodoxe kerk beraadt zich ondertussen over de heiligverklaring van tsaar Nicolaas II, die bijna vijfenzeventig jaar geleden, in de nacht van 16 op 17 juli 1918, in Jekaterinboerg werd vermoord. De bolsjewieken van de Oeral slachtten hun gewezen heer en meester af zonder zich iets aan recht of ceremonieel gelegen te laten liggen. Ook keizerin Alexandra, kroonprins Aleksej en zijn vier zusters staan als heiligen op de nominatie, want samen met nog vier bedienden kwamen zij allemaal in het bloedbad om. Allemaal?

In de Sovjet-geschiedschrijving is de tsarenmoord altijd taboe geweest. De communisten stelden het voor als een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Na de februari-revolutie van 1917 werd de tsaar door de regering van Kerenski gearresteerd en naar West-Siberië overgebracht. De nieuwe regering van Lenin zette hem en zijn gezin na de oktober-omwenteling vast in Jekaterinboerg in de Oeral. Die plaats bleek achteraf minder geschikt. Er woedde een burgeroorlog en de tsaar mocht niet in handen vallen van de tegenstanders van de bolsjewieken, die op het punt stonden om Jekaterinboerg in te nemen. Het bevel voor de executie zou afkomstig zijn geweest van de lokale autoriteiten en de regering in Moskou zou pas achteraf op de hoogte zijn gesteld. Hoe de terechtstelling was uitgevoerd, bleef vaag, evenals wat er met de slachtoffers was gebeurd. Aanvankelijk werd zelfs volgehouden dat alleen de tsaar was terechtgesteld en dat zijn familie in veiligheid was gebracht.

OBSCURE ARCHIEVEN

De toneelschrijver en historicus Edvard Radzinsky is sinds zijn studie aan het Historisch Archief-Instituut in Moskou in de jaren zeventig door het onderwerp geobsedeerd geweest. Hij schonk geen geloof aan de officiële versie en ging op zoek in obscure archieven, hoorde betrokkenen uit en publiceerde in de jaren van de glasnost zijn eerste bevindingen in tijdschriften die niet bang waren de nek uit te steken. Daarop volgden talloze brieven die hem in staat stelden het beeld te completeren.

Het resultaat, nu in boekvorm uitgegeven als The Last Tsar. The Life and Death of Nicholas II, is fascinerend. Radzinsky heeft onomstotelijk met documenten weten aan te tonen dat het bevel voor de moord wel degelijk van Lenins regering in Moskou afkomstig was. Rond dezelfde tijd werden ook de leden van de Romanov-familie terechtgesteld die elders in Rusland vastzaten. Hij heeft zelfs verscheidene verslagen uit de eerste hand van de executie weten op te sporen. In weerwil van de officiële versie wilden de moordenaars maar al te graag ruchtbaarheid geven aan hun heldendaad, en meer dan één beroemde zich erop dat juist hij het beslissende schot had gelost waarmee de tsaar om het leven was gebracht.

Er werd nog twee dagen met de lijken gezeuld tot ze, gedeeltelijk onherkenbaar gemaakt, zo'n twintig kilometer ten noordwesten van Jekaterinboerg definitief onder de grond werden gestopt. De Witten stelden na de verovering van het gebied een grootscheeps onderzoek in, maar slaagden er niet in het graf te vinden.

Tot zover is er geen speld tussen Radzinsky's verhaal te krijgen. Vragen rijzen als hij suggereert dat twee van de kinderen van Nicolaas II de moord hebben overleefd, kroonprins Aleksej en zijn zus Anastasia. De prinses werd tot op zekere hoogte tegen de kogels beschermd door de diamanten die zij in hun corset hadden genaaid, terwijl Aleksej onder een ander lijk zou zijn terechtgekomen. Berouwvolle roodgardisten zouden hen daarna in een onbewaakt ogenblik van de kar waarop de lijken werden vervoerd hebben afgehaald. De leiders van expeditie dorsten het ontbreken van de twee later niet te rapporteren.

INRICHTING

Anderhalf jaar later dook iemand die zich voor Anastasia uitgaf op uit een Berlijns kanaal, terwijl in de jaren veertig een psychiatrische inrichting in Leningrad uit de strafkampen een patiënt kreeg toegestuurd die weinig anders uitbracht dan één naam, en die naam - weet Radzinsky - droeg ook een van de leden van het strafpeloton in Jekaterinboerg. De man had dezelfde leeftijd als Aleksej, leek uiterlijk op de Romanovs, kende allerlei bijzonderheden over het keizerlijke hof en werd in het kamp ""de tsarenzoon'' genoemd.

Een sterk argument ten faveure van de theorie van Radzinsky is dat in het afgelopen zomer gevonden graf twee skeletten ontbraken: van Aleksej en een van de prinsessen. Toch is het moeilijk voor te stellen dat juist iemand als Aleksej, die aan hemofilie leed, een dergelijk bloedbad heeft overleefd. De moordenaars moeten bovendien de kroonprins als het op een na belangrijkste slachtoffer hebben gezien, want als ze hem lieten lopen zou de opvolging eventueel zijn gered. Ook blijft het een raadsel waarom de Witten die een week later Jekaterinboerg binnentrokken de twee overlevenden niet hebben gevonden en gebruikt voor de tsaristische zaak. De Russische geschiedenis kent trouwens een hele traditie van vermoorde of gestorven tsaren en tsarenzonen die uit de dood zouden zijn opgestaan.

Het verhaal wordt door die vraagtekens niets minder spannend. Maar Radzinsky bederft het een beetje voor zichzelf. Hij voegt er een levensschets van de laatste tsaar aan toe die de eerste helft van het boek beslaat. Misschien past het in de huidige belangstelling voor het tsarenverleden, maar als biografie voldoet het boek niet. Daarvoor kent de auteur de geschiedenis van de regeerperiode van Nicolaas II te slecht. Zijn belangrijkste bron zijn de dagboeken van de tsaar en zijn echtgenote, en daarin staat, zelfs met de aanvullingen die Radzinsky in de archieven heeft gevonden, nauwelijks iets interessants. Hij maakt het nog erger door voortdurend omineus op de moord te preluderen en daarbij met getallen en data te jongleren. De tsaar werd op de zeventiende terechtgesteld en dus speelt dat getal in allerlei fasen van zijn leven een ongunstige rol, en meer van die dingen. Die uitweidingen zijn jammer: deze lezer was bijna in de eerste helft van het boek blijven steken en had de spannende tweede helft dan moeten missen.