"Goeie genade, oom Usman is gekomen'

In 1958 trok de Indonesiër Usman uit de bergen naar de hoofdstad Jakarta, uitgeleid door de halve kampong, die zijn bagage droeg. Usman ging deze maand terug naar zijn geboortedorp, terug naar de ziel en de zelfkant van Java. Het is nog ochtend als het busje stopt voor een van de houten huizen. Het dorp lijkt uitgestorven; de volwassenen planten rijst en de kinderen zijn naar school.

WONOGIRI, 14 NOV. Vader Usman is nerveus. Tijdens de laatste stop, in de districtshoofdplaats Baturetno, vraagt hij of ik misschien instant-mie wil inslaan, want “ginds is het eten schraal”. Usman verheugt zich na al die jaren in Jakarta op het weerzien met de desa van zijn jeugd. De meegebrachte geschenken zullen hem extra aanzien geven onder de dorpsgenoten van toen. Bovendien wil hij zijn oude moeder laten zien hoe groot haar kleindochters zijn geworden. Toch is hij onzeker. Hoe zal de bevriende bule (blanke) in het reisgezelschap reageren op de armoede waarin Usman opgroeide? Pulang kampung - terug naar het geboortedorp - is niets minder dan de maat nemen van je bestaan.

In de nachttrein van Jakarta-Gambir naar Solo doet Usman geen oog dicht, ondanks air-conditioning en uitgereikt beddegoed. Terwijl zijn vrouw genoegen neemt met een ligplaats in het gangpad, worstelt Usman met ruimtegebrek - zijn omvangrijke gestalte past ternauwernood op de bank - en zwarigheid. Van het station gaat het per gehuurd minibusje zuidwaarts, naar de bovenloop van de Solo-rivier. Langs eindeloze sawahs voert de reis naar het regentschap Wonogiri, de bergachtige zuid-oosthoek van Midden-Java. Wonogiri is Javaans voor bergwoud, maar het bos is in de loop der eeuwen onder mensenhand gevallen.

Enkele tientallen kilometers voorbij Baturetno verlaten we de asfaltweg en nemen we een half verhard pad, een knobbelig spoor van geel berggruis. Steile klimmen, slippende banden en soms bijna tot de assen in de modder, want de regentijd is begonnen. In het droge seizoen is dit een maanlandschap van verweerde, rotsige toppen, met daartussen kommetjes met opengebarsten rode aarde. Nu schiet het jonge djati-hout op de hellingen omhoog en de akkers staan vol jonge rijst, maïsplanten en cassaveboompjes.

Verscholen tussen het groen liggen huizen van hout en bamboe, kleine gehuchten, elk zo'n vijftig families groot. Tien tot twaalf van die vlekken vallen onder een lurah (dorpshoofd). Deze berg-kampongs zijn tegelijk de zelfkant en de ziel van Java. Beneden, in de dichtbevolkte vlakte met natte rijstvelden, heeft de Groene Revolutie toegeslagen. Daar wordt driemaal per jaar geoogst en staat de Javaanse traditie onder druk.

Hier in de bergen zijn geen sawahs - de bodem is er niet geschikt voor en er is onvoldoende water. Van de ladang (droge rijstveldjes) komt, ondanks het gebruik van kunstmest, nog steeds maar een oogst per jaar. Men leeft hier ver van de weg, zonder elektriciteit, met alleen water uit een lager gelegen bron of spaarbekken. De werk- en leefgewoonten zijn eeuwenlang bijna niet veranderd, al botsen de desa-normen wel eens met die van Jakarta, waar een enkele dorpeling Het Geluk zoekt. Hier en daar wijst een stenen huisje op een bescheiden geldstroom van buiten.

In 1958 vertrok Usman naar Jakarta. Zijn stiefvader was gestorven en voortaan moest hij voor zijn moeder en enige zuster zorgen. Usman heeft geen geboorte-acte, maar hij beweert dat hij van 17 augustus 1945 is, de verjaardag van de Republiek. Uitgeleid door de halve kampong, die zijn bagage droeg, liep hij de dertig kilometer naar Baturetno waar het escorte hem op de trein zette. In die jaren reed het werkspoortje nog dat het suikerriet van de plantages in Wonogiri naar Solo vervoerde. Vandaar reisde hij in anderhalve dag per goederentrein naar Jakarta. Werk was er toen in overvloed en Usman begon zijn stadse bestaan als bordenwasser.

In de meer dan dertig jaar dat hij in de hoofdstad woont, is dit de vijfde keer dat hij teruggaat. De oudste dochter, het enige kind uit zijn eerste huwelijk, woonde na de scheiding een paar jaar bij oma in de kampong, ze spreekt nog Javaans, maar leeft en werkt al jaren in Jakarta. Usmans enige zoon is getrouwd; zijn vrouw en hij hebben allebei een baan en kregen - of vroegen - geen vrij voor deze onderneming. De jongste dochter, studente, was pas drie toen vader haar aan oma liet zien en daarna is ze nooit teruggeweest. Voor haar is dit een reis naar het onbekende.

Het is nog ochtend als het busje stopt voor een van de houten huizen. De kampong lijkt uitgestorven; de volwassenen planten rijst en de kinderen zijn naar school. Een jonge vrouw komt op blote voeten naar buiten. De verbazing op haar gezicht maakt plaats voor een uitgelaten lach als ze roept: “Yongalah, mbah Usman teko!” (Goeie genade, oudoom Usman is gekomen). Zij blijkt een dochter te zijn van Usmans zuster.

Het nichtje gaat ons voor langs het steile pad naar boven. Het huis staat op het hoogste punt van de kampong, aan de voet van een bergtop. Mbah (grootmoeder) Giyem zit gehurkt op de galerij, in de schaduw van het pannendak, haar stok binnen handbereik. Ze draagt een kain en kebaya en haar grijze haren in een wrong. Mbah Giyem is een hoogbejaarde, tanige vrouw, maar het is te zien dat zij vroeger de "bloem van de desa' was. Als ze de familie uit Jakarta het erf op ziet lopen, slaakt ze een kreet. Er volgen bewogen ogenblikken. Usman knielt aan de voeten van zijn moeder en kust haar handen, gevolgd door zijn beide dochters. De oude vrouw glimlacht en toont haar tanden, rood van het betelpruimen.

Grootmoeder pakt haar stok, spuugt een straal rood sap en nodigt ons naar binnen. Het schaarse meubilair staat wat verloren in de halfduistere ruimte: een ruwhouten tafel met dito stoelen en een bank van gepolitoerd djati-hout met rotan zitting, een model uit de Hollandse tijd. Het interieur is gedompeld in schemerlicht dat door de dakpannen en de geopende luiken naar binnen valt op de vloer van aangestampte rode aarde.

Het huis is gebouwd naar Javaanse traditie: wanden en balken van djati-hout, een piramidevormig pannendak met rondom een overdekte galerij. De buitenwand bestaat uit houten panelen, die om en om open kunnen. Het dak bedekt een centrale ruimte en een keuken met geblakerde potten, een met hout gestookte kookplaats en zakken rijst en maïs. Daartussen zijn slaapvertrekken, afgescheiden met bilik (schermen van gevlochten bamboe).

Binnen een half uur arriveren Usmans zuster en haar man, die met aardenwerken potten regenwater hebben gehaald in een bergkom, enkele kilometers verder. Siwo (vaders zwager) kijkt ons verrast aan door zijn gebarsten brilleglazen. Hij is een mislukte transmigrant, die op de plantages van Noord-Sumatra zijn rechteroog verloor door rubbergif. Eenmaal terug in de kampong maakten zijn vrouw en hij zich meester van grootmoeders huis en van de tuinen die zij had aangelegd van de geldzendingen uit Jakarta.

Het eerste wat Usmans zuster na thuiskomst doet, is grootmoeder te eten geven; kennelijk om de gasten gunstig te stemmen. Tegen haar oudste kleindochter zal oma later vertellen dat siwo - een verwoed gokker - en zijn vrouw haar alle toegestuurde geld en kledingstukken afnemen en haar het kleinste, tochtige kamertje hebben toegewezen.

Op de aarden vloer worden rotan matten uitgespreid. Geen moment te vroeg, want gestaag stroomt de kampong toe: een zogende buurvrouw, siwo's beide dochters, hun mannen en kinderen en andere dorpsgenoten die graag doorgaan voor verwanten van "Mas Us'. Die straalt, vertelt en laat foto's zien, onder meer de bruiloftskieken van zijn zoon. Terwijl de gastvrouw glazen thee laat rondgaan, geeft Usman zijn vrouw en dochters opdracht om de meegebrachte koffie, koek en kruidnagelsigaretten uit te delen.

Als de vrouwen en kinderen met presentjes en snoepgoed huiswaarts keren, praat Usman bij met zijn zwager, diens schoonzoons en een buurman. Alleen een aangetrouwde neef, die als huisbediende in Jakarta heeft gewerkt, beheerst het Indonesisch, de Maleise woordenschat van siwo is beperkt, zodat hij kiest voor het Javaans. Daardoor dreigen twee gasten uit de boot te vallen: de bule, die zich laat bijstaan door de oudste dochter, en de jongste dochter, die zich langzamerhand terugtrekt. Zelfs met haar oma kan ze geen gesprek voeren.

De mannen bespreken de Grote Politiek. De buurtschap (tien gehuchten groot) heeft dit jaar de eerste prijs in de wacht gesleept in de wedstrijd "paden verharden' die de provincie Midden-Java had uitgeschreven. De lurah beval zijn onderdanen om een week lang alle werk op de akkers neer te leggen en samen stenen uit de bergen te halen en in de paden te walsen. Ook bij de verkiezingen heeft het dorpshoofd een goede beurt gemaakt: een fraaie honderd procent voor regeringspartij Golkar. De neef licht in het Indonesisch toe dat wie hier op de linkse PDI of islamitische PPP stemt, de diensten van het lurah-kantoor, zoals verlenging van de verplichte identiteitskaart, wel kan vergeten.

Als ik voorzichtig informeer of dit voorbeeldige gedrag de kampong water of elektra heeft opgeleverd, schudt men gelaten het hoofd. Voor deze mensen is de macht geen door henzelf verleend mandaat, maar een geschenk van boven. In elk kamponghuis, ook dat van oma, hangt op de mooiste plaats in de "woonkamer' het wapen van de Republiek, geflankeerd door de portretten van president Soeharto en zijn tweede man.

Als de avond valt, trekken we ons een voor een met een emmertje terug achter het huis om te baden. Aldus opgefrist wandel ik met Usman door de schemering. Hij wijst naar een grillige top die afsteekt tegen de avondhemel: “Daar huisden in mijn jeugd boze geesten”, mijmert hij. “Nu niet meer, hoor”, voegt hij er haastig aan toe, in het midden latend of die aftocht der demonen te danken is aan "de vooruitgang' in zijn dorp of in zijn denken.

De eerste avond verorberen we de meegebrachte gebraden kip. Omdat siwo wordt verboden om voor ons oma's pluimvee te slachten, bestaat het menu de volgende dagen uit kleefrijst, een soort spinazie en tempe (soja-koekjes), het vlees van de armen. Samengehurkt op de mat, bij het licht van een olielamp, vertelt men elkaar verhalen. Om negen uur dutten de bewoners in op de vloer en strekken de gasten zich uit op de ruwhouten bedden achter bamboe.

Als de laatste olielampen uitgaan, is het buiten aardedonker, want de hemel is bedekt met regenwolken. Wie 's nachts gehoor geeft aan de lokroep der natuur en plaatsneemt op de helling achter het huis, kan niet zonder zaklantaarn. De bamboeschermen zijn maar dun en ik hoor de nichtjes giechelen als de gezette Usman al na vijf minuten hijgend thuiskomt van zijn stoelgang. Hij wil geen sporen nalaten, maar is de patjol vergeten...

Al na twee dagen zinspelen Usmans vrouw en haar jongste dochter op een vervroegde terugreis. Moeder, een Soendanese, spreekt weliswaar Javaans, maar heeft in de familie nooit dezelfde plaats kunnen innemen als Usmans eerste vrouw, een Javaanse en de lieveling van grootmoeder. Zij klaagt dat ze zich niet goed kan wassen, voelt zich "onrein' en ziet daarom af van haar vijf plichtgebeden per dag. Als vrome moslim-vrouw zegt ze zich hierdoor bezwaard te voelen. De jongste dochter durft niet achter het huis te baden, slaapt niet goed op het harde bed en weigert te eten, omdat ze het vreselijk vindt om buiten haar behoefte te doen. De heavy metal-fan uit Jakarta blijkt mentaal niet opgewassen tegen de ongemakken van het kampong-bestaan.

Usman en zijn oudste dochter genieten van de warme ontvangst in het dorp. De dienstchauffeur uit Jakarta geldt hier als een geslaagd man. Hoewel het hem thuis zwaar valt de eindjes aan elkaar te knopen, wil hij in de kampong niet voor zuinig doorgaan. Al spoedig loopt siwo, met zijn ene oog, trots rond met Usmans snelle zonnebril. Terwijl vader successen viert, praat zijn dochter urenlang met grootmoeder. De oude vrouw zegt dat ze niet lang meer leven zal en wil haar "kracht' - Mbah Giyem geldt net als haar gestorven man als iemand met bijzondere gaven - overdragen. Haar keuze is gevallen op de oudste kleindochter.

Die ochtend waagt het busje opnieuw de steile klim naar boven om het gezelschap uit Jakarta in Solo op de trein te zetten. Nadat de bule een groepskiek heeft geschoten, trekken grootmoeder en kleindochter zich een ogenblik terug. Usmans vrouw maant tot spoed; ze weet haar gevoelens van teleurstelling niet goed te verbergen. Ze mag dan zuiverheid voorstaan in de moslim-leer, maar ze had liever gezien dat haar eigen dochter de "zegen' van oma kreeg. Als het busje, omstuwd door dorpsbewoners, aan de afdaling begint, hurkt grootmoeder op haar voorgalerij en blikt in de verte.