Gevaarlijk experimenten

International Banking Deregulation: The great Banking Experiment; Richard Dale; Uitgeverij Blackwell; 40 pond; 211 pagina's

Mogen banken zich op de effectenmarkt begeven? Sommigen zal de vraag absurd in de oren klinken. Niemand vraagt of een tabaksfabrikant mag diversificeren door, zeg, ook voedingsmiddelen te gaan produceren. De enige relevante kwestie is of, op grond van ervaring en analyse, de verwachting gerechtvaardigd is dat zo'n stap op termijn in het belang van onderneming en aandeelhouders is.

Banken zijn echter een geval apart. Als een bank in gebreke blijft, of dat risico loopt, kan dat haar concurrenten verzwakken in plaats van versterken. Als er iets met een bank gebeurt, kan dat - door de centrale plaats die banken in de financieel-economische wereld innemen - vèrstrekkende gevolgen krijgen. Daarom gelden voor banken regels die voor het overige bedrijfsleven niet gelden.

De mate waarin bankwezen en effectenhandel zijn vermengd varieert in de praktijk van oudsher sterk, zowel per land als per instelling. Duitsland en Zwitserland hebben het altijd toegestaan. In het Verenigd Koninkrijk mag het pas sinds de radicale hervorming van het beurswezen in 1986, de zogeheten Big Bang. In de VS was de praktijk in de jaren twintig heel gewoon, maar de Glass/Steagall-wet uit 1933 verbood vermenging omdat dit zou hebben bijgedragen aan de Depressie. In Japan geldt sinds de Tweede Wereldoorlog een gelijkluidende wet.

Richard Dales boek International Banking Deregulation: The Great Banking Experiment is een toonbeeld van helderheid en onpartijdigheid. Kern van het boek is een beschrijving van de situatie in zes landen en een analyse van de achtergronden: hoe en waarom kon de toestand worden zoals ze is, en wat leidt tot verandering?

Daaromheen bevindt zich een uitstekende weergave van de principiële argumenten voor en tegen het samengaan van bank- en effectenbranche. De banken zijn gewoonlijk vóór, met als argument de potentiële economische voordelen voor hen zelf en hun cliënten, zoals meer concurrentie, kostenbesparing en gemak. Dale is bereid de geldigheid van deze argumenten te erkennen (al stemt de Big Bang en wat erop volgde wellicht tot scepsis).

Regel- en wetgevers zijn doorgaans om twee belangrijke redenen terughoudend: ze vrezen belangenconflicten en oncontroleerbare risico's. Strijdige belangen kunnen zich voordoen wanneer de rol van direct belanghebbende wordt gecombineerd met die van agent of adviseur: cliënten kunnen met bepaalde effecten worden opgezadeld; inside information kan misbruikt worden; de grote kredietcapaciteit van banken kan effectenmarkten verstoren.

Maar ook hierover maakt Dale zich niet al te druk. Hij gelooft, misschien terecht, dat de "Chinese muren' (de scheiding tussen krediet- en effectenafdelingen bij banken, red.) - mits onder afdoend toezicht en door de wet gereguleerd - die gevaren kunnen beperken.

Dale is bezorgder over de verhoogde risico's. Hoewel onderzoek achteraf het "universele bankieren' in de VS tijdens de jaren twintig grotendeels lijkt vrij te pleiten van schuld aan het verergeren van de Depressie, en hoewel statistisch niet blijkt dat de effectenhandel grotere risico's met zich meebrengt dan het bankwezen, blijft het cruciale punt voor Dale het gegeven dat de combinatie ervan "het nemen van extra risico's door agressief geleide instellingen in de hand werkt'. Het gedrag van de Amerikaanse spaarbanken in dezen biedt een afschrikwekkend voorbeeld. (Na de financiële deregulering stortten zij zich zo onbesuisd in riskante beleggingen dat de overheid zich uiteindelijke gedwongen zag miljarden te spenderen om gedupeerde Amerikanen nog iets van hun spaargeld terug te geven, red.)

Als een bank in effecten mag handelen, hoe valt dan te voorkomen dat verlies op de beurs de individuele bank in gevaar brengt en daarmee - potentieel - het hele bankwezen? Wel, ten eerste is afdoende supervisie nodig. Maar de effectenbranche heeft eigen toezichthouders nodig, zodat een bank die in effecten handelt ten minste twee (vaak meer) controleurs heeft, met het gevaar van gedeelde verantwoordelijkheid. Dale heeft kritiek op de pragmatische Britse oplossing voor dit probleem: bij elke instelling van één centrale toezichthouder die ervoor zorgt dat de vereiste informatie bij de andere controleurs terechtkomt. Het is een rommelig systeem, maar in de praktijk werkt het waarschijnlijk beter dan Dale denkt.

Ook een volmaakt controlestelsel kan echter verliezen niet voorkomen, en dat hoeft ook niet. Maar als, ondanks alle inspanningen, een effectendochter verliezen lijdt die de balans van de bank ernstig verzwakken, hoe moet zo'n bank dan worden beschermd? Eén oplossing, bepleit in het Amerikaanse debat over afschaffing van de Glass/Steagall-wet, is invoering van de wettelijk mogelijkheid (of zelfs verplichting) dat de bank zo'n dochter afstoot. Dale betoogt met kracht dat dit in de praktijk onmogelijk zou zijn, of gevaarlijk - of allebei.

De tegengestelde oplossing, waarbij aanvaard wordt dat de moedermaatschappij de verantwoordelijkheid draagt, is verplicht te stellen dat de dochter geheel gescheiden wordt gefinancierd. Maar wil deze benadering effectief zijn, aldus Dale, dan is combinatie van de beide activiteiten om economische redenen vermoedelijk zinloos.

Daarom meent Dale dat bankieren en in effecten handelen onverenigbaar zijn. Daarin redeneert hij misschien iets te strak; maar hij heeft gelijk met zijn waarschuwing tegen de gevaren van experimenteren, vooral in de huidige staat van het mondiale financiële systeem - gevaren die degenen in Brussel die belast zijn met de ontwikkeling van toekomstige EG-regelgeving lijken te onderschatten.

© Copyright Financial Times