GEORGE MACAULAY TREVELYAN; Aristocraat en poëtisch historicus

G. M. Trevelyan. A Life in History door David Cannadine 288 blz., geïll., Harper Collins 1992, f 68,20 ISBN 0 00 215872 8

De tijd dat de History of England en de English Social History van G. M. Trevelyan (1876-1962) in geen enkele welvoorziene Engelse boekenkast ontbraken, is voorbij. Voor sommige historici had de auteur al bij zijn leven afgedaan, als een verouderde vakgenoot uit de verhalende literaire school, en nu staat hij nergens meer op de leeslijsten van de studenten. Toch is hij niet uit het zicht geraakt. Zijn bekendste boeken zijn nog te krijgen als Penguins; misschien blijft dat zo, en wint hij nieuw aanzien als een klassieke geschiedschrijver, in één adem met Gibbon en met Mac-aulay die een aangetrouwde oud-oom van hem was.

Het boek G. M. Trevelyan. A Life in History van David Cannadine zal zijn nagedachtenis goed doen. Wij hoeven niet meer verontschuldigend te glimlachen alsof wij het over treinlectuur hebben wanneer wij hem ter sprake brengen. Cannadine, vier jaar geleden op zijn achtendertigste vanuit Christ College in Cambridge naar Amerika gehaald om hoogleraar te worden aan Columbia University en bekend van onder meer The Decline and Fall of the British Aristocracy (1990), is de beste pleitbezorger die Trevelyan had kunnen krijgen. Dit boek over hem heeft niet de gewone vorm van een biografie; het is een studie van zijn leven in het eerste hoofdstuk, en van zijn plaats in de Engelse geschiedschrijving en samenleving in de drie volgende.

Wie zich wil kunnen voorstellen wat de Amerikanen in Cannadine zagen, moet dit werk eens lezen. Zelfs iemand die zich noch voor Engeland noch voor geschiedschrijving of historici interesseert, zal gegrepen worden door de zekerheid waarmee hij zijn gegevens beheert, zijn ideeën combineert en zijn oordeel inhoud geeft. Het is onnodig om het met hem eens te zijn, mischien zelfs beter om soms van mening te verschillen. Juist dan is het mooi dat het onmogelijk blijkt zo'n tegenstander gezag te ontzeggen.

Cannadine is zelf ook te evenwichtig om Trevelyan te verheerlijken. De lezer denkt nu eens: wat zou het een voorrecht geweest zijn om als student aan de voeten van deze geleerde gezeten te hebben; dan weer: wat een geluk dat ik dat niet hoefde; en ten slotte: maar ik zou hem tenminste hebben willen zien en horen.

AANZIENLIJKE FAMILIE

George Macaulay Trevelyan (zijn tweede voornaam was een omen) werd geboren als zoon in een aanzienlijke familie van landeigenaren in Northumberland. Zijn grootvader, Sir Charles Edward Trevelyan, is bekend gebleven als hervormer van het gouvernement van India en van de Engelse overheidsdienst; zijn vader was minister in verschillende kabinetten van Gladstone, en zijn oudere broer zat in twee Labourregeringen. George werd na zijn studie in Cambridge meteen opgenomen in Trinity College, maar nam in 1903 ontslag en ging in Londen wonen om zijn werk te kunnen doen zonder studenten aan zijn hoofd.

In 1927 keerde hij terug in Cambridge als hoogleraar in de geschiedenis. Toen had hij al een oeuvre op zijn naam waarvan England under the Stuarts, een driedelig boek over Garibaldi, een biografie van John Bright en een van de Lord Grey van de Reform Bill van 1832, en vooral zijn History of England uit 1926 bekend geworden waren. In Cambridge schreef hij nog een reeks andere werken, waarvan English Social History uit 1944 de grootste carrière heeft gemaakt: in 1950 waren er een half miljoen exemplaren van verkocht.

Naast het bestuur en beheer aan de universiteit werkte Trevelyan in andere bestuurlijke functies, waarvan die bij de National Trust en de Youth Hostels Association het meest tijdrovend en het meest typerend waren. Hij meende dat de geestelijke gezondheid van de mens zowel historisch besef als gevoel voor de natuur nodig heeft, en hij hielp voorkomen dat de gelegenheden om die te ontwikkelen verloren gingen. Hij was zelf ook een natuurmens, althans een onvermoeibare wandelaar; een wandeling van vijf uur over heuvel en dal vond hij doodgewoon.

De liefde voor de natuur heeft hem in de ogen van een volgende generatie historici geen goed gedaan, want die leek te horen bij zijn positie als heer van goede huize, voor wie handel en nijverheid onzichtbaar moesten blijven. Was hij niet eigenlijk zelfs een Whig-historicus, net als zijn oudoom Thomas Babington Macaulay (1800-1859), de liberale politicus en meest gelezen geschiedschrijver van de negentiende eeuw? Vond Trevelyan niet evenzeer dat de voornaamste problemen van Engeland opgelost waren in 1688, toen het parlement liet zien wie de baas was door een nieuwe koning aan te stellen, en dat alles sindsdien steeds beter gegaan was zodat niemand iets te mopperen had?

Een welgestelde wandelaar uit het noorden, die vlotte geschiedboeken schreef in plaats van problemen onder woorden te brengen, zo werd hij gezien in zijn laatste jaren en erna; om zijn reputatie nog dieper te laten zakken werd daarnaast beweerd dat hij zelden tijd besteed had aan het werk van zijn studenten.

VERZONNEN

Cannadine corrigeert en compliceert het beeld op al deze punten. Dat van de studenten was in ieder geval verzonnen, zoals hij met opgaaf van namen aantoont. Dat Trevelyan geneigd was het oude Engeland hoger te schatten dan het nieuwe is juist, maar betekende niet dat hij zich pastorale illusies maakte en dacht dat de moderne industriële wereld zich aan de oude regels moest houden. Zijn aanzienlijke familie had ook geen traditie van behoudzucht, integendeel: de voornaamste leden ervan waren hervormers en radicale liberalen, en de verhouding tussen zijn liefde voor het verleden en zijn begrip voor de toekomst kan niet in een eenvoudige formule vastgelegd worden. Dat hij het zich makkelijk maakte als historicus was allerminst waar: de noodzaak van eigen bronnenonderzoek was zijn eerste beginsel, en na bloemrijke eerste jaren leerde hij zijn stijl te beheersen. Hij herschreef zijn teksten gewoonlijk drie- of viermaal voordat hij er genoegen mee nam.

Hoewel het Cannadine in hoofdzaak om Trevelyans ideeën en het werk te doen is, levert hij ook een aantal tekenende persoonlijke bijzonderheden, niet alleen betreffende het wandelen. In zijn huis te Hallington, Northumberland, dat hij aanhield toen hij in Londen en Cambridge woonde, werd spartaans geleefd: het eten was slecht, er was geen wijn, de cider was zuur, de bedden waren hard, het warme water was lauw, het tochtte in alle kamers en er lag linoleum op de vloeren. Hij werkte onafgebroken en vond nooit dat hij het te druk had. Ik heb teveel voor mijn plezier geleefd, ik moet mezelf aanpakken, noteerde de gevierde historicus in 1941 toen zijn schrijfwerk, zijn universitaire verplichtingen, zijn besturen en zijn correspondentie hem geen ogenblik vrij lieten.

Trevelyan onderscheidde zich door generositeit, zowel met opinies - hij zei nooit lelijke dingen over zijn vakgenoten - als met geld. Hij hielp mensen vaak persoonlijk, en hij kocht stukken land die hij weggaf aan de National Trust. In Cambridge stond hij bekend om zijn knetterende harde lach, maar hij kon zo ontroerd worden door poëzie dat hij ervan snikte. Wel was hij van jongs af aan stroef in de persoonlijke omgang, hoewel hij op den duur iets makkelijker werd. Toch bleef hij, zoals een collega zei, ""inadequately warmed by self-indulgence''.

GEDACHTEN EN EMOTIES

En wat doet het er voor ons toe hoe Trevelyan was? Het is van belang zoals iedere herkenbare uitbeelding van een karakter van belang is, en Cannadine (die hem niet gekend kan hebben want hij was twaalf in 1962) brengt hem tot leven alsof hij hem zich herinnert. Het is bovendien van belang om wat er besloten ligt in de ondertitel "A Life in History'; Trevelyan vertegenwoordigt het Engeland van zijn tijd, inclusief een hele voorgeschiedenis. De poëzie van de geschiedenis komt van het besef, schreef hij, dat andere mensen gestaan hebben waar wij nu staan, met hun eigen gedachten en emoties, ""but now all gone, one generation vanishing into another, gone as utterly as we ourselves shall shortly be gone, like ghosts at cockcrow.''

Trevelyan was ook in zijn werk niet op zijn sterkst in het begrip voor individuen, schrijft Cannadine, maar hij was bezeten van een medegevoel met de mensheid in haar geheel: een poëtische bewustheid van de vergankelijkheid en tragedie van het bestaan.

Alweer die poëzie, waar de tegenstanders van Trevelyan juist niet van gediend zijn. Er is geen ontkomen aan dat de geschiedenis dat was voor hem; wetenschap misschien, maar geen science, en in ieder geval literatuur, hoewel geen fictie. Na hem, en zonder zijn dood af te wachten, hebben de wetenschappelijke historici aan de universiteiten het hoogste maar niet het laatste woord gehad. Nu zijn de literatoren onder de historici weer een eindje opgedrongen, en zij worden aangemoedigd door Cannadines pleidooi. Daarnaast zullen ook degenen die van mening zijn dat wij Trevelyan achter ons moeten laten in dit boek het verleden terugvinden. Hij en het Engeland waar hij uit voortkwam, zijn verdwenen like ghosts at cockcrow, maar zij blijven oproepbaar.