Expositie geeft beeld van anderhalve eeuw veranderingen in paleis en tuin; Loo heeft stadhouderlijk aanzien terug

Tentoonstelling: Het Witte Loo, van Lodewijk Napoleon tot Wilhelmina, 1806-1962. Paleis Het Loo, tot 10 jan. Di t/m zo 10-17u. Catalogus ƒ 29,50.

In de Koningstuin van paleis Het Loo viert een Maple Leaf in zijn eentje de herfst. Als je hem niet met eigen ogen zag, zou je hem niet geloven: met zijn vuurrode bladeren speelt hij een woeste Canadees op het keurig gemaaide gazon. Eigenlijk had hij moeten worden omgekapt. Nu verstoort hij, met enkele collega's verderop, de strenge regelmaat van de in 1984 in hun oorspronkelijke vorm herstelde classicistische tuinen.

Hij is een opmerkelijke herinnering aan de rumoerige discussies over de restauratie van paleis en tuinen in het midden van de jaren zeventig. Toen na de dood van prinses Wilhelmina was besloten om van Het Loo een museum-monument te maken gewijd aan de historische band tussen het Huis Oranje-Nassau en de Nederlanden, stelde minister van cultuur Van Doorn voor om paleis en tuin te ontdoen van de negentiende- en twintigste-eeuwse toevoegingen. Tot in de Tweede Kamer riep men daar schande van. Kamerlid De Koning van de Boerenpartij meende indertijd dat wat goed genoeg was geweest voor het koninklijk huis, ook goed genoeg moest zijn voor de museumbezoekers.

De minister besliste anders en al weer bijna tien jaar heeft Het Loo zijn stadhouderlijk aanzien terug, zij het dat de Maple Leaf en enkele andere bomen werden gespaard. De tentoonstelling Het Witte Loo, van Lodewijk Napoleon tot Wilhelmina 1806-1962, laat zien wat er verloren is gegaan. Tegen schotten die zijn bekleed met "koninklijke' draperieën geven tekeningen, foto's, meubels en andere voorwerpen een beeld van de veranderingen die paleis en tuin in de loop van die anderhalve eeuw ondergingen. Het was Lodewijk Napoleon die de omvorming van de baroktuin, die al aan het eind van de achttiende eeuw voorzichtig was begonnen, fors doorzette door in 1806 om het hele paleis een park te laten aanleggen in de uiterst modieuze landschapsstijl. Het paleis liet hij bepleisteren, zodat het volgens de voorschriften van die stijl als een "klassiek' gebouw oogde.

“De tuinen zijn geheel bedorven,” schreef koning Willem I na zijn terugkeer uit ballingschap treurig aan zijn moeder. Niettemin ging hij ijverig verder op de ingeslagen weg en gaf hij opdracht grote visvijvers te graven en beschilderde zeventiende-eeuwse plafonds te witten. Een aquarel uit 1820 van F. C. Bierweiler toont een vooraanzicht van het paleis, omgeven door een dichte, Ruysdael-achtige beplanting. Veertig jaar later, op een aquarel van een anonieme collega, is die exotische beplanting langs de oprijlaan vervangen door rijen beuken, die er nu nog staan.

Het grootste deel van de tentoonstelling is echter gewijd aan paleis en interieur en aan al dan niet uitgevoerde bijgebouwen. Hoewel de tentoonstelling soms aan overzichtelijkheid te wensen over laat, verschaft de bijbehorende catalogus klaarheid. Over het spectaculaire plan voor een simultaankerk, bijvoorbeeld, die Lodewijk Napoleon bij zijn paleis wilde laten bouwen voor de eredienst van zowel rooms-katholieken als Nederlands-hervormden. De Bonapartes wensten in de Nederlanden terwille van de rust en orde een verzoening tussen de vele kerkgenootschappen. Om het goede voorbeeld te geven liet Lodewijk deze dubbelkerk ontwerpen door Friedrich Gunkel, met twee ovale kerkruimtes onder een koepel. Helaas moest hij vluchten voordat het uitzonderlijke ontwerp kon worden uitgevoerd.

De meeste van de negen bijdragen aan de catalogus zijn inventariserend van aard. Dat is nuttig, al is het de vraag wat de lezer bijvoorbeeld moet met de wetenschap welke meubels zich in 1869 precies bevonden in de appartementen van prins Hendrik, wanneer de inrichting niet gerelateerd wordt aan de heersende modes van de tijd. Wat in een inventariserend project als dit wel hinderlijk ontbreekt, is een samenvattend hoofdstuk over de bouwgeschiedenis tussen 1806 en 1962. Nu kon het gebeuren dat bijvoorbeeld de grote verbouwing van 1911-1914, waarbij een deel van de gebouwen werd voorzien van een extra verdieping, vrijwel onbesproken bleef.

Op de tentoonstelling wordt in elk geval één ding duidelijk: veel van de veranderingen die in de negentiende en twintigste eeuw aan het Looo zijn aangebracht, deden het oorspronkelijk zo harmonieuze geheel van huis en tuin beslist geen goed. Het lijkt dan ook tijd te worden voor een herwaardering van de onder minister Van Doorn aangevangen restauratie. Museum Het Loo is van plan om daar binnen vijf jaar een expositie aan te wijden, en misschien is dat dan meteen een mooie gelegenheid om het lang beloofde restauratierapport uit te brengen.

Wie na het bezichtigen van de tentoonstelling de benen even strekt in de baroktuin ondergaat een aparte sensatie. In koor klateren de symmetrisch geplaatste fonteinen en de tien jaar geleden geplante buxushaagjes groeien al aardig dicht. Overal slenteren groepjes bewonderende bezoekers, precies zoals je ze altijd ziet ronddrentelen op zeventiende-eeuwse prenten van dergelijke tuinen. Gepensioneerden eten hun boterhammen op de bankjes. In 1976 klaagde mevrouw De Boois (PvdA) in de Tweede Kamer dat de minister de landschapstuin slechts wilde vernielen terwille van het creëren van een attractie. Dat is gelukt. Het huidige bezoekersaantal is 350.000 per jaar.