DE ONDRAAGLIJKE LAST ENGELS TE ZIJN

Cleese Encounters. De biografie van John Cleese door Jonathan Margolis 284 blz., geïll., De Kern 1992, vert. Lilian Schreuder-Klijzing, f 37,50 ISBN 90 325 0407 X

John Cleese is rijk en gelukkig. Hij hield tien miljoen pond over aan de verkoop van zijn produktiemaatschappij Video Arts, gespecialiseerd in vaak grappige trainingsfilms voor het bedrijfsleven, en hij heeft - na twee mislukte huwelijken - een prettige relatie met een Amerikaanse vriendin. Samen met zijn psychotherapeut Robin Skynner schreef hij het bijna humorloze boekje Families and How to Survive Them, een abc'tje over assertiviteit, en sindsdien heet het dat hij is ontstegen aan de verlammende angst voor embarrassment, de Britse karaktertrek die in de Nederlandse taal eigenlijk geen alles omvattend equivalent heeft: een mengeling van verlegenheid, onhandigheid en een latent schuldgevoel dat al bij voorbaat tot opperste voorzichtigheid leidt. Liever niets zeggen dan iets verkeerds, want stel je voor.

Hij is het kwijt en dat is fijn voor hem. Maar kunnen wij Cleese zijn geluk ook gunnen? De woede en de frustraties onder die opperlaag van angstig goede manieren vormden jarenlang zijn onuitputtelijke bron. In een eindeloze reeks variaties schreef en speelde hij mannen die alles op alles moesten zetten om in de plooi te blijven, terwijl ze steeds roder aanliepen en het deksel bijna niet meer op die kokende ketel konden houden. Als dan ten slotte die ketel toch openspatte en de stoom met alle kracht naar buiten spoot, was hij op zijn best - zie al die accountants en bankfiliaalchefs en juristen uit Monty Python's Flying Circus, zie de wanhopige hotelhouder Basil Fawlty met zijn peilloos diepe haat jegens de gasten die hem telkens in de weg liepen als hij probeerde zijn hotel Fawlty Towers te runnen.

En zie ook de advocaat Archie Leach met zijn uitgebluste huwelijk in de succesfilm A Fish Called Wanda uit 1988, die al bloosde als een andere vrouw maar naar hem keek en die in een ontroerend grappige monoloog zijn Engelse hart uitstortte: ""Heb je énig idee wat het betekent om Engels te zijn? We zijn allemaal zó doodsbenauwd om in verlegenheid te raken. Daarom zijn we ook allemaal zo dood. We durven iemand niet eens te vragen of hij getrouwd is, uit angst dat net die ochtend zijn vrouw is weggelopen. We durven niet eens te vragen hoe het met de kinderen gaat, want stel je voor dat ze net woensdag zijn verbrand. Iedereen hier is dood. Als ze bij je komen eten, krijg je een stapel lijken op visite.'

BRILJANT ARCHETYPE

John Cleese heeft sinds die film geen groot project meer om handen gehad. Hij is, zei hij, verlost van ""dat vreselijke Engelse arbeids-ethos' en vindt voortaan zijn leven heel wat belangrijker dan zijn werk. Liever, voegde hij eraan toe, een middelmatige Victoriaanse portretschilder met een geregeld inkomen en een comfortabel huis dan een genie als Van Gogh met diens getormenteerde privé-bestaan. Begrijpelijk, maar de bange vraag blijft of uit de onbezorgde evenwichtigheid van zijn huidige leven nog ooit zo'n briljant archetype als Basil Fawlty of Archie Leach kan ontstaan.

Jonathan Margolis, redacteur van de populaire Mail on Sunday, maakt zich daar geen zorgen over. Van tijd tot tijd, schrijft hij in de laatste alinea van zijn boek Cleese Encounters, zal ""de grappigste man ter wereld' heus nog wel iets scheppen wat ""nieuw, origineel en grappig' is. Maar erg veel argumenten voert hij voor die hoopvolle stelling niet aan. Hij wilde de biografie gewoon met een positieve noot eindigen, denk ik. Argumentatie en analyse zijn niet zijn sterkste kanten, hij heeft alleen heel veel uitgepluisd. Margolis weet bijvoorbeeld precies te vermelden hoe en wanneer Cleese in zijn werk namen uit zijn jeugd heeft gebruikt, en wat de inspiratiebronnen voor Fawlty Towers zijn geweest (onder meer een restaurant in New York waar de vraag of er mineraalwater in huis was, werd beantwoord met: not as such), maar hij blinkt niet uit in het analyseren van de opbouw van een sketch of een aflevering uit die comedy-reeks of een filmscenario. Hij citeert wat Cleese erover zei, maar brengt er zelf nauwelijks iets over te berde.

Het bijeensprokkelen van feitjes werkt het best als de kinderjaren in het kalme middle class-milieu in Weston-super-Mare moet worden beschreven. Het zijn allemaal ogenschijnlijk onbeduidende mededelingen over de pastorie, de weg van huis naar school, het schoolregime, de leraren en de berichtjes in de plaatselijke krant, maar bij elkaar scheppen ze een heel exact beeld van zo'n provincieplaatsje waar alles achter façades en onderhuidse treiterijtjes verstopt zit - en daarmee ook van het genenmateriaal waaruit John Cleese is opgebouwd.

Het verhaal dat Cleese ooit vertelde over de voorbereidingen voor een bioscoopbezoek, spreekt boekdelen: eerst werden vijfentwintig minuten lang de voor- en nadelen afgewogen, dan belde vader de bioscoop om de aanvangstijd uit de krant te verifiëren, daarna stond moeder voor het dilemma of ze eerst nog thee zou zetten of daarmee zou wachten tot na het uitstapje, vervolgens werd vastgesteld wat voor weer het was en dan moest nog uitvoerig worden besproken welke kleren de kleine John diende te dragen. ""Het leek wel op de organisatie van een safari.' Spontaniteit was in Weston-super-Mare onbestaanbaar.

SILLY WALKS

Er valt een rechtstreeks verband te leggen met de Python-sketches waarin zulke vormen van overgeorganiseerdheid tot in het extreme werden doorgetrokken. Al was het maar zijn Ministry of Silly Walks: als blijkbaar àlles door ministeries wordt geregeld, is het toch niet zo gek om te bedenken dat er ook voor de beoordeling van silly walks ambtenaren in kantoren bestaan? Een kwestie van logica, zoals Cleese vaak heeft verklaard: ""Je kunt het zo gek niet verzinnen... je kunt iedereen aankleden als een wortel, maar als er dan iemand opkomt die niet op een wortel lijkt, moet je uitleggen waarom dat zo is. Er mogen in een sketch geen tegenstrijdigheden zitten; alles moet, juist binnen zo'n volkomen mallotige context, volstrekt logisch zijn.'

Ik heb van bovenstaande citaten mijn eigen vertaling gemaakt, want het lezen van Cleese Encounters wordt in ernstige mate belemmerd door de vertaalster die kennelijk in veel gevallen geen flauw idee had van wat de biograaf bedoelde. Ze introduceert onbestaande woorden als ""voorbereidingsschool', waar in het Engels waarschijnlijk het onvertaalbare prep school stond, en raakt hopeloos verstrikt in de lange zinnen vol terug- en vooruitblikken (van het type: ""little did he then know that later...') waarvan Margolis een handje heeft. Een schoolvriend zegt in haar vertaling: ""Waarom hij zo opvallend was, en ik kan me hem goed herinneren, helemaal los van zijn latere roem, was omdat hij een belachelijk lange jongen was en in Weston-super-Mare woonde.'

John Cleese heeft aan dit boek niet willen meewerken. Een reden wordt niet vermeld, maar ik vermoed dat hij niet onder de indruk was van het niveau van de biograaf. De man is een bewonderaar, een onmiskenbaar ijverig verslaggever, maar geen hoogvlieger. En inderdaad: Cleese verdient beter.