De alchemistenplant

De tuin voor een poosje verwaarloosd te hebben heeft tot voordeel dat men onder de rommel aangename verrassingen kan ontdekken. Een monsterachtige berg bladeren die ik gisteren eindelijk heb opgeruimd bleek onder zich een kolonie van kleine graszaailingen te huisvesten, nakomelingen van een massa Carex pendula, belachelijk klein vergeleken bij de torenhoge ouders, plus diverse spruiten van een andere soort gras, Luzula nivea, die zich op mysterieuze wijze in een rechte lijn hadden uitgezaaid, en tenslotte een paar miljoen Alchemilla mollis, oftewel vrouwenmantel.

Allemaal zijn ze rotsvast geworteld in het grind, dat niet hoog genoeg kan worden geroemd als kiembasis voor zaad, hoogst onrechtvaardig voor de planten die er verder vandaan staan en hun zaad op het goed bemeste bloembed moeten storten. Zo was al vroeg in de zomer de grond rond het vingerhoedskruid bedekt met een tapijt van zaailingen, maar een paar zware zomerstormen maakten er korte metten mee; ze zijn gewoon weggespoeld.

Anderhalve meter hoge graspollen in het grind, ik denk niet dat dat er goed uit zal zien, maar de vrouwenmantel is prachtig. Het stroomt als een groene golf het bloembed uit; nooit zou ik het opzettelijk zo kunstig hebben kunnen planten (in het grind zou het me helemaal nooit zijn gelukt, alleen de Natuur kan dat). Toen ik een paar jaar geleden een paar dozen jonge plantjes ervan cadeau kreeg, vroeg ik me af hoe de eigenaar er zoveel kon missen, maar nu begrijp ik het; op plantaardig gebied moet het ongeveer het equivalent zijn van het konijn. Nu begrijp ik ook wat er aan de hand is op de foto in het boek van Graham Stuart Thomas, Plants for Ground Cover, waarop een vijver te zien is die bijna verdwijnt onder de kolkende massa's lichtgroen, met het onderschrift: "Alchemilla mollis, or lady's mantle, in complete control'.

Ook rond onze vijver mag zij wat mij betreft in complete control komen. Het is een prima plant, volkomen tevreden in de schaduw, een ondoordringbare bodembedekking leverend en passend bij vrijwel alles, alleen bij voorkeur niet te droog staand; Thomas beschrijft haar heel fraai als een "sociaal werker'. Als men er om een of andere reden niet meer van wil, is het zaak de zaailingen stante pede te verwijderen; ze ontwikkelen in korte tijd een krachtig wortelstelsel dat haast niet meer weg is te krijgen. Sommige tuiniers gaan zelfs zover dat zij na het bloeien de bloemen wegsnoeien, niet alleen terwille van de aanblik maar ook als maatregel van geboortenbeperking.

De voornaamste attractie van de alchemilla zijn de bladeren (ook prachtig wanneer ze nog heel klein zijn) met plooien erin - inderdaad zoals een vrouwenmantel, lees je altijd, maar het lijkt meer op een waaier - waarop regen- en dauwdruppels blijven liggen als kwikzilver. Volgens Alice M. Coats (in Flowers and their Histories) zijn deze druppels trouwens niet zoiets alledaags als regenwater, maar overtollig vocht, afgescheiden door de plant wanneer de wortels meer opzuigen dan nodig is. Om dat te verifiëren zou een constructie met een zeer klein parapluutje nodig zijn; wat er in ieder geval voor pleit is dat die druppels er nog liggen als er omheen alles al droog is.

Vrouwenmantel is zeer in trek, meestal als bodembedekker, en wel in het bijzonder onder rozen, maar dat is een recent verschijnsel. Gertrude Jekyll noemt het niet en William Robertson verwijst alleen maar naar A. alpina en andere kleine soorten als geschikt voor de rotstuin. Margery Fish was er in 1964 enthousiast over; zij beveelt aan het te combineren met wijnruit, vooral Ruta graveolens "Jackman's Blue', en als het ooit nog eens ophoudt met regenen is dat wat mijn zaailingen boven het hoofd hangt.

In de Middeleeuwen was het begrip bodembedekker nog niet uitgevonden, maar vrouwenmantel was ook toen al geliefd; die magische druppels waren een essentieel ingrediënt voor het maken van de Steen der Wijzen. De naam alchemilla komt dan ook uit het Arabisch: al-kimiyah, de alchemistenplant. In die dagen moest men zich tevreden stellen met de wilde soort, A. vulgaris; de zachte (mollis) versie kwam van de Bythinische Olympusberg in Klein-Azië in 1874.

De alchemistenplant heeft nog meer andere namen. Vrouwenmantel bestaat in vele talen: lady's mantle, manteau des dames, Frauenmantel. Sommige auteurs denken dat de vrouw in kwestie Frigga of Freya was, de gemalin van Odin of Wodan; anderen beweren dat het Nehalennia is. Nehalennia? Dat was, volgens de naslagwerken, een Germaanse godin wier attributen - afgezien van, naar men mag aannemen, een mantel - uit een mand en een hond bestonden; zij was ("over den aard dezer godin heerscht onzekerheid') naar alle waarschijnlijkheid een godin der vruchtbaarheid, in feite een soort Frigga. De naam Onze Lieve Vrouwenmantel (manteau de Notre Dame, Muttergottes-maentelchen, our Ladies Mantel) spreekt dan voor zichzelf.

Volgens Alice Coats was alchemilla ook bekend als "syndow', "from the German sinnau, ever-dew'. Dat moet waarschijnlijk zijn "Sintau', welke naam inderdaad voorkomt in Planten en hun namen van H. Klein, die ook Middelnederlandse varianten geeft als Synnauw en Sinnouw. Ook hij geeft de naam Pes Leonis (Leeuwenklauw), naar L. Fuchs (naamgever van de fuchsia?), die deze benaming verklaart (Den nieuwen Herbarius, 1543) uit het feit dat "de bladeren rond en bleek zijn, als de poten van een leeuw'. Dat wil er bij mij niet in; de bladeren van de alchemilla lijken op alles behalve de poten van een leeuw. Ze hadden vermoedelijk nog nooit een leeuw gezien of misschien waren ze zo ingenomen met de naam bereklauw dat ze nog meer dierepoten wilden.

Leeuweklauwen of niet, de voornaamste deugd van de vrouwenmantel schijnen altijd die kwikzilveren druppels te zijn geweest; deze werden aangewend voor het verwijderen van zomersproeten en het herstellen van verloren schoonheid. Een ander (ongespecificeerd) deel van de plant werd ook gebruikt voor het stremmen van overvloedige maandstonden en, wanneer aangebracht op de boezem van een vrouw of maagd, deed het die hun vorm behouden. De verklaring waar blijkbaar niemand nog aan gedacht heeft en waarin alles wordt gecombineerd, is dat de stevige en welgevormde boezems die aldus werden verkregen de mantel in de juiste plooi zouden doen vallen ("Madonnamantel'). Hoe dan ook, een damesplant.