Binnen top RLD ernstige kritiek op eigen optreden

DEN HAAG, 14 NOV. In de top van de Rijksluchtvaartdienst (RLD) bestond in 1983 ernstige kritiek op het feit dat de dienst weigerde informatie te verschaffen aan politie en justitie over de toedracht van een ongeluk met een KLM-toestel in Panama.

De politie had destijds een vermoeden van een strafbaar feit. Omdat de RLD belangrijke informatie niet aan politie en justitie ter beschikking stelde kon een strafrechtelijk onderzoek niet van de grond komen, aldus verklaarde de toenmalige commandant van de Dienst Luchtvaart van de rijkspolitie, R.M. Schnitker, vorige week in deze krant. Volgens hem speelde een soortgelijk geval zich ook in 1988 af.

Minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) weersprak afgelopen woensdag deze gang van zaken. Zij gewaagde in de Tweede Kamer van “erg veel onzin”. In een daarop volgende schriftelijke verklaring liet haar woordvoerder donderdag weten dat de RLD in 1983 “tot tweemaal toe” de politie heeft aangeboden “te beschikken over de bij het onderzoek vastgestelde feiten”.

Uit een vertrouwelijke notitie van de toenmalige directeur Luchtvervoersbeleid van de RLD, mr.R.L.M. Schreurs, blijkt echter dat deze destijds meende dat de RLD “onjuist” had gehandeld door geen volledige opening van zaken ten opzichte van politie en justitie te betrachten. Gisteravond bevestigde het ministerie het bestaan en de inhoud van de notitie.

In de notitie, gedateerd 3 november 1983, schrijft Schreurs aan de toenmalige directeur-generaal van de RLD, mr. H. Raben, dat de RLD het ongeluk met een DC10 van de KLM in Panama ten onrechte afdeed als een "incident', een klein ongeval, dat door de KLM zelf - los van de RLD - kon worden onderzocht. Het KLM-toestel werd korte tijd na het ongeluk total loss verklaard.

Wegens de “schade aan het vliegtuig en het gevaar dat voor de inzittenden is ontstaan”, aldus Schreurs, had de RLD zelf een vooronderzoek naar het ongeluk moeten instellen. “Indien de zaak op deze manier zou zijn aangepakt”, zo ging hij verder, “zou naar buiten toe niet de indruk zijn gewekt dat de zaak "binnenskamers' is geregeld.”

Hij concludeerde dat de RLD “onjuist” was opgetreden en daardoor “naar buiten toe een vreemde schijn op de zaak heeft geworpen”, met name “bij de politie en het openbaar ministerie”. Schreurs, destijds in de RLD-hiërarchie even hoog geplaatst als de directeur Luchtvaartinspectie, ir. H.N. Wolleswinkel, zei dat dit “alleen nog maar zal worden versterkt wanneer door de RLD opnieuw wordt geweigerd het materiaal aan de politie af te dragen”.

Pag.3: Gegevens ongeval niet aan Justitie gegeven

Toenmalig directeur-generaal Raben schreef niettemin korte tijd na de notitie van Schreurs aan de rijkspolitie dat men uitsluitend inzage kon krijgen in het materiaal dat onderzoekers van de RLD ter plaatse hadden verzameld. De belangrijkste onderzoeksgegevens over het ongeval, die met goedkeuring van de RLD door KLM in kaart waren gebracht, werden echter niet aan politie en Justitie ter beschikking gesteld.

Achtergrond hiervan is het "herenakkoord' dat de RLD en KLM reeds in 1960 sloten. Dit stelsel van afspraken - vorige week in deze krant beschreven - bepaalt dat KLM "kleine ongevallen' zelf mag onderzoeken, zonder bemoeienis van de RLD. Er ontstaat in dit soort gevallen echter een probleem als politie en Justitie willen ingrijpen. Een piloot kan dan niet worden vervolgd, omdat hij - en zijn maatschappij - degenen zijn geweest die het eventuele bewijsmateriaal tegen zichzelf hebben aangedragen. Volgens Schnitker, inmiddels gedetacheerd bij het openbaar ministerie in Haarlem, was dat destijds de ware reden dat de RLD geen volledige opening van zaken wilde geven. “Uit hun huidige reactie”, zegt hij, “blijkt dat de denkwijze bij de RLD nog dezelfde is. Maar een dergelijke opvatting past niet in ons strafrechtstelsel. Het is zeer gewenst dat de Tweede Kamer hierover een uitspraak doet.”

Het niet door de RLD onderzochte ongeval in Panama wordt door deskundigen en betrokkenen in de luchtvaart beschouwd als een illustratie van een gebrek aan onafhankelijkheid bij de RLD. Inmiddels heeft een nieuwe wet de Eerste en Tweede Kamer gepasseerd die het in de toekomst onmogelijk maakt dat de RLD nog luchtvaartongevallen onderzoekt. Deze wet is om formele redenen nog niet van kracht. Het onderzoek naar de ramp in de Bijlmer staat daarom nog onder leiding van een RLD-functionaris, directeur Luchtvaartinspectie Wolleswinkel.

Deskundigen en betrokkenen wijzen er bovendien op dat het "herenakkoord' van KLM en RLD leidt tot willekeur: ongevallen in de zogenoemde "kleine luchtvaart' worden door de RLD vaak uitgebreid onderzocht, ongevallen met KLM-toestellen blijven soms buiten schot.