Beste P.,

Ik wacht aan een piepklein tafeltje in een piepklein restaurantje aan de oever van een brede, veelbezongen rivier op een escalopje. (Nouvelle cuisine.) Het is een beroemd zaakje, stampvol kleurige, op gedempte toon converserende, zakenheertjes.

Maar al steek ik gemiddeld twee koppen boven ze uit, ik ben de kleinste, de nietigste.

Vanochtend, op m'n hotelkamer, werd ik overvallen door verschrikkelijke pijn. Ik was naar een museum geweest en wilde me ontdoen van een loodzware catalogus. Ging even op m'n bed zitten om de nieuwe schoenen te wisselen (Tilbury) en pats, raak, dezelfde verdomde kies van anderhalve maand geleden. Tot in mijn tenen! Ik ben niet zo'n held wat die dingen betreft, dus ik belde in paniek mijn tandarts in Amsterdam. Wat moet ik nu doen, lieve tandarts, ik ben zo ver van huis en heb zo'n pijn. Nou, ik moest een theelepel zout oplossen in een glas met lauw water en goed spoelen. En goed eten. Weer op straat vroeg ik me af wat hij bedoeld kon hebben, veel eten of duur eten.

Voor het laatste gekozen en nu zit ik hier met een wang, die bijna in mijn soep hangt. Misère. Buiten pletten gure rukwinden okergele, vijfvingerige kastanjebladeren tegen de ramen. Verschrompelde ouwemannenhanden, radeloos graaiend naar warmte.

Zeg vriend, ik doe niet mee aan die benefietwedstrijd voor meubelontwerpers. Gekkenwerk, contactsport na je vijftigste. Geef mij maar biljarten. De patronen op het groene laken doen me denken aan de golfbewegingen, waarin atomen vloeien. In elke carambole zie ik een uitvergroting van wat zich afspeelt in mijn genen.

PS. Van bergbeekjes en openhaardvuren kan ik ook nooit genoeg krijgen.