Zoals een vogel voor een andere vogel doet; Judith Herzbergs gedichten uit het halfbewuste

“Het zal wel ouderwets zijn, maar er valt toch wel iets voor te zeggen om bij het lezen, indien mogelijk, enigszins in de buurt van de bedoelingen van de dichter te blijven,” vindt Guus Middag. Een gedicht over het plukken van een veldboeket gaat dus gewoon over het plukken van een veldboeket. In haar bundel ”Zoals' waarschuwt Judith Herzberg de lezer om niet in een bochtige blauwe anemoon de dichter te willen zien.

Judith Herzberg: Zoals. Uitg. De Harmonie, 59 blz. prijs ƒ 24,90.

De overbodigheid van de literaire kritiek: daar zou ook nog eens een mooi essay aan gewijd moeten worden. Neem nu de poëzie van Judith Herzberg. Haar tweede bundel, Beemdgras (1968), opent met het gedicht ”Beemdgras en zachte dravik'. Het begint met de stellige regel

Dit, dan, is wat wij maken:

en na de dubbele punt volgt inderdaad een beschrijving van wat wij maken: een grasboeket, bijeengelezen in een juniwei vol boterbloemen, zuring, klaver en bloeiende kniehoge grassen, en dat grasboeket wordt in een theepot in het gras gezet. Het zou hier kunnen gaan om een terugblik op de kindertijd. Misschien wordt hier met iemand anders een gedeelde jeugdherinnering nagespeeld. Maar het is ook mogelijk dat dit boeket als een symbool moet worden opgevat. De krachtige beginregel keert aan het slot terug en wordt daar gevarieerd tot:

Dit, dan, wat we van

ons durven verwachten:

gras, in een blauwe theepot,

apart, tussen het groeiend

uitbloeiend, doorlevend gras gezet.

Het ligt voor de hand om hierin een dichterlijk programma te lezen. Dit, dan, is wat Herzberg maakt: een gedicht (het boeket), gebaseerd op de werkelijkheid (samengesteld uit alledaagse grassen), zonder opvallende vormgeving (in een gewone blauwe theepot gestoken), bedoeld om in het dagelijks leven een rol te vervullen (geplaatst tussen het gras waaruit het is samengesteld). Het gedicht dus als een even aan de werkelijkheid ontleend moment, licht vorm gegeven en geschikt en zo als het ware uit de tijd getild: het heeft een zekere meerwaarde (kunst, eeuwigheid) gekregen, maar het heeft ook iets verloren: de mogelijkheid om nog, zoals het gewone gras, door te leven, te groeien en uit te bloeien. Voeg daarbij nog eens de ”onbedroefde kinderogen' waarmee dit grasboeket is samengesteld (beeld voor de onbevangen blik waarmee Herzberg dicht) en de interpretatie is rond.

”Beemdgras en zachte dravik' is een goed gedicht en ”veel goeie gedichten zijn ook stiekeme ars poëtica's', zo schreef Herman de Coninck al eens in een essay over Herzberg. Hij is niet de enige die in dit en in andere gedichten vaak ook ”een stiekem gedicht over poëzie' tevoorschijn leest en ook niet de enige die bewondering heeft voor Herzbergs vermogen om zelfs in een serie kleine gedichten over vliegen nog ”een kleine ars poëtica te verstoppen.'

Er valt alles voor zo'n poëticale lezing te zeggen, maar er is in dit geval wel een eigenaardig probleem: de dichteres zelf moet er niets van hebben. ”Beemdgras en zachte dravik' is gewoon een gedicht over het plukken van een veldboeket, zo heeft ze desgevraagd wel eens gezegd. En als dat boeket dan zo nodig een beeld voor iets anders moet zijn, dan toch zeker niet voor het gedicht: dan nog liever voor de liefde tussen twee mensen bijvoorbeeld, of voor de hoop dat ze nog lang bij elkaar mogen blijven.

Vogelvrij

”Ik lees de reacties op m'n werk vrijwel nooit', zei Herzberg vorig jaar in een interview. ”Het interesseert me vrijwel nooit. Heel soms vind je een interessante interpretatie, maar dan nog op een andere manier dan de auteur ervan voor ogen stond.' Nu weet ik ook wel dat dichters volgens de laatste wetenschappelijke inzichten maar het best beschouwd kunnen worden als louter toevallige lezers van hun eigen werk en dat een gedicht in zekere zin vogelvrij wordt op het moment dat het gepubliceerd is. Als wij het met een poëticaal of marxistisch of freudiaans of feministisch of intertekstueel geweer onder vuur willen nemen, hebben we daar niet het fiat van de dichter voor nodig. ”Autonomie van de tekst' heette dat vroeger. En tegenwoordig neemt het onder het mom van deconstructivistische of postmodernistische theorieën vaak de vorm aan van de autonomie van de lezer. Het zal wel ouderwets zijn, maar er valt toch wel iets voor te zeggen om bij het lezen, indien mogelijk, enigszins in de buurt van de bedoelingen van de dichter te blijven - en zeker bij een dichteres als Herzberg. Het wezenlijke van haar poëzie lijkt mij nu juist dat zij begrepen wil worden, mededelingen wil doen, een mening of een boodschap te verkondigen heeft en soms ook een moraal te verdedigen.

Anemonen

In haar nieuwe bundel Zoals heeft Herzberg het er voor eventuele poëticaspeurders niet eenvoudiger op gemaakt. Aan het slot vinden we een gedicht dat opgevat kan worden als een waarschuwing aan hun adres. Het lijkt wel een antwoord na 25 jaar op de interpretaties van ”Beemdgras en zachte dravik'. Het gaat opnieuw om een boeket, maar nu is het er een van blauwe anemonen:

Boeket met dertig blauwe anemonen.

Eén is een paar keer in zijn steel

geknakt,

bij elke knak heeft hij een andere

draai genomen.

Zo is die bloem de enige die recht

naar buiten kijkt.

Denk niet meteen: dat is de dichter.

Die weet nog niet

met welke van de dertig hij het

meeste één is.

Weet nog niet eens dat hij straks

blauwe anemonen krijgt.

De interpretatie is duidelijk: het boeket is niet het gedicht en de dichter is niet de plukker of aanbieder ervan. De dichter is ook niet de geknakte anemoon en misschien zelfs wel geen van de overige negenentwintig. Het is nog erger: de dichter weet zelf nog niet eens dat hij straks dit boeket krijgen zal. Maar intussen staat dit allemaal wel weer in een gedicht. Als dit vers poëticaal opgevat moet worden (wat voor deze ene keer wel zal moeten), dan spreekt er een even superieure als ironische opvatting uit: poëzie kan dingen teweeg brengen waar zelfs de dichter nog geen weet van heeft, laat staan de lezer. En eigenlijk zegt Herzberg hier dus dat haar gedichten niet zo bewust tot stand komen, maar eerder via grillige, irrationele en onbewuste omwegen.

Dat zij deze onbevangen houding weet te rijmen met een zekere levensbeschouwelijke inslag: ziedaar het wonder van haar poëzie. ”Begin dat nog begonnen moet' staat hier ergens terloops in een gedicht en dat lijkt mij een onbedoelde, maar mooie karakterisering van haar eigen poëzie. Het is alsof zij iedere keer helemaal opnieuw begint en iedere keer opnieuw haar genre, haar toon, haar stijl en haar taal moet uitvinden. De Coninck vergeleek haar treffend met Hanlo, ook al zo'n geboren experimenteel - al is het misschien beter om te zeggen dat iedereen als experimenteel geboren wordt en dat maar weinigen in staat zijn het te blijven. Je zou ook aan die andere H, Harmsen ten Beek, kunnen denken. Wat ze gemeen hebben is iets onbegonnens, iets kinderlijks, iets halfafs. Herzbergs taal is geen spreektaal, maar de halfaffe hardopdenkende taal van wie nog niet aan conclusies toe is. En wie streng in de leer wil zijn, kan zich dan ook wel eens afvragen of haar gedichten wel altijd gedichten zijn: het zijn eerder de fragmenten, flarden, invallen en snelle verbindingen tussen halve gedachten die er aan voorafgaan.

Meisje

De wat vage (en na Zeepost, Beemdgras, Strijklicht, Botshol en Dagrest ook wel wat teleurstellende) titel Zoals mag denk ik wel opgevat worden als een verwijzing naar dat halfbewuste stadium waar de meeste van Herzbergs gedichten hun oorsprong vinden: het zoals-stadium van nog niet helemaal doordachte overeenkomsten, verbanden, verwantschappen en gelijkenissen. ”Mijn gedichten komen voort uit mijn poging twee dingen, die op het eerste gezicht geen verband lijken te hebben met elkaar, toch te rijmen', schreef Herzberg in 1978 al, in een essay over eigen werk. Zoals laat van deze rijmdwang weer mooie voorbeelden zien. Zo is er een meisje dat zich voor de spiegel een paar keer omdraait ”zoals een vogel voor een andere vogel doet'. Terwijl ze zich nog eens bekijkt en zich begint op te maken, neemt ze steeds meer de trekken van een vogel aan, om in de laatste regels dan ook inderdaad als een vogel haar nek te strekken, in zichzelf te lokroepen, te giechelen - en weg te vliegen. In een ander gedicht is er het vaag gevoelde verlangen van de ”ik' om een vis te zijn, ”zachtjes door het water/ wimpelen en met een wending remmen'. Maar er valt met zo'n verlangen niets aan te vangen, voor wie ”als mens zo moeizaam door de kamers waadt': mooi, en triest, hoe met dat laatste waterige woord waden toch nog enigszins aan het visverlangen tegemoet gekomen wordt.

Net als haar vorige bundels bevat Zoals weer een paar dromen en droombeelden, enkele verhalende gedichten, een ”Liedje', een paar slordige en weinig pregnante aanzetten, oorlogsbeelden en -herinneringen, enkele natuurgedichten en vele pogingen om terloops, met verrassende beelden, ongeschreven alledaagse wetten te achterhalen: over burengerucht, sentiment in de file, afscheid nemen of over een begrafenis ”Achter in de stoet/ is het verdriet verdund'. En net als Strijklicht en Dagrest opent ook Zoals met een prachtig meeuwengedicht en met een prachtig beeld voor hoe ze vliegen: als vliegers namelijk. ”Iets, aan de kust, liet ze vieren.'

Maar het mooiste gedicht is toch wel het titelgedicht. Na een lange en geestige inventarisatie van dingen die ons zoal ontschieten, neemt het in de laatste regel een verrassende wending. Meestal zien dichters in dieren mensen en meestal moet dat ons iets over onszelf leren, maar hier worden wij juist als vergelijking voor dieren gebruikt: de menselijke intutie als beeld voor het dierlijke denken. Maar nu is het curieuze en komische dat we over dat denken van de dieren alleen maar vermoedens kunnen hebben, waardoor, denk ik, in de laatste regel de hele vergelijking op losse schroeven komt te staan.

En nu zou ik dit titelgedicht maar wat graag als een poëticaal gedicht lezen. Daar, in het schemergebied waar gedachten ons ontschieten terwijl we nog niet weten dat we ze kwijt zijn, waar we iets vinden zonder gezocht te hebben, waar we wachten zonder dat we er erg in hebben - daar ontstaat poëzie. En zo, zoals in ”Zoals', denken dichters, denk ik, dichters zoals Herzberg. Maar zo zal het vast niet bedoeld zijn.

ZOALS

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor,

en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,

zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt

en pas als je het hebt, weet wat het was,

zoals je soms een pakje ergens heen brengt

en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,

dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,

minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens

maar toch het meeste wachtend bent,

zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging

en je een geur te binnen schiet bij wijze van

herinnering, zoals je weet bij wie je op alert

en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,

zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.

JUDITH HERZBERG