Zij neemt mij de woorden uit de mond; Stukken van en over Renate Rubinstein

Renate Rubinstein: Wat vliegt de tijd! Uitg. Meulenhoff, 216 blz. Prijs ƒ 29,50

Renate, herinneringen van vrienden. Uitg. Meulenhoff, 147 blz. Prijs ƒ 39,50

Renate Rubinstein (1929-1990) had een gelukkige hand van boektitels kiezen. Op de televisie heeft zij eens gezegd dat de titels van haar boeken er altijd ”zomaar ineens waren'. Daarna werd, omdat het zo toch wat snel leek te gaan, met hulp van vrienden nog uitgebreid over alternatieven gedubd, en vervolgens werd het natuurlijk toch die eerste titel. En die was haast altijd even treffend, ongekunsteld, elegant. Jood in Arabië, Goi in Israël, Niets te verliezen en toch bang, Met gepast wantrouwen: alsof hij er altijd al geweest was, of dat toch had moeten zijn.

Daar is maar één conclusie uit te trekken. Het komt doordat die treffendheid, ongekunsteldheid, elegantie - en vooral ook de indruk dat iets klaar lag om geformuleerd te worden - nu eenmaal Rubinsteins stijl was. Met Wat vliegt de tijd!, een keus uit haar tot dusver niet in boekvorm verschenen werk, lijkt de reeks moeiteloos te worden voortgezet, alsof de vrienden die het boek samenstelden nu ineens zelf de geestkracht hebben gekregen die zij misten toen de schrijfster er nog bij was.

”Wat vliegt de tijd! Wat ben ik blij dat daar nu een eind aan komt!' schreef Rubinstein twee jaar geleden in een brief aan J. Goudsblom. Het was enkele uren voor haar dood. Goudsblom haalt die brief aan in Renate, het door hem bezorgde vriendenboek dat tegelijkertijd verschijnt. Deze bundel bevat bijdragen (in Goudsbloms geval een grafrede, in andere necrologieën, in twee gevallen tekeningen) van vijfentwintig vrienden van Rubinstein. Het zijn voornamelijk journalisten, hoogleraren, dichters, schrijvers; veel mannen, een paar vrouwen, sommige uitvoerig, andere heel kort - met andere woorden, een hoogst gevarieerde rouwstoet, waarin Norbert Elias, Maarten 't Hart, Peter Schat en Annie Schmidt, al dan niet bien étonnés, verzameld zijn.

Helaas, ruim twintig close-ups, hoe mooi en ontroerend soms ook, vormen samen nog geen beeld. Hoe vertrouwder de lezer met het onderwerp is, des te groter zal zijn waardering voor dit vriendenboek zijn. Wat de niet-ingevoerde lezer in elk geval geboden had moeten worden, is een summiere chronologie van Rubinsteins leven en werk, en ook een aanduiding van wie de bijdragers aan het boek zijn. Ze zijn ten slotte niet allemáál beroemd. Was het bescheidenheid die dat belette? Discretie? Als je eenmaal besluit om al die ontboezemingen aan de openbaarheid prijs te geven, is het aardiger om het publiek enige achtergrondinformatie verschaffen.

Het is waar, het succes en de belangstelling die Rubinstein vanaf de jaren zeventig steeds meer ten deel vielen, waren vaak erg op haar persoon gericht, wat ook kwam door de vertrouwelijke toon van haar werk. De onthulling, na haar dood, van een tot ieders verbeelding sprekend geheim liefdesleven zette nog eens sterk de vrouw ”Renate' in het brandpunt van de belangstelling. Het is jammer dat een stukje van Simon Carmiggelt - desnoods ”Tamar' uit 1964, dat al in Mijn beter ik staat - in het vriendenboek ontbreekt.

Maar wat niet moet worden vergeten is dat Rubinstein in de eerste plaats een voortreffelijk schrijfster, meer specifiek columniste was. Het is opvallend hoe weinig in het vriendenboek over haar schrijverschap te lezen is. Het meest nog in de bijdrage van Rubinsteins uitgever, Laurens van Krevelen, en, minder voorspelbaar, in een artikel van de cabaretschrijver Guus Vleugel.

Forum

Datt laatste, ”Irritatie en vertedering” (uit HP/De Tijd, mei 1991), is geschreven met een grotere afstand dan de meeste andere bijdragen. Toch is het een van de beste stukken in de bundel. Vleugel heeft het over de invloed van de Engelse Katharine Whitehorn en de Amerikaanse Mary McCarthy op de opzet van de Tamar-kolommen, herinnert zich een opmerking van Rubinstein zelf over korte en lange zinnen (korte waren volgens haar lang niet altijd beter voor de spanning in een tekst dan lange) en plaatst haar, niet zonder enige ironie, in de literaire traditie van Ter Braak en het tijdschrift Forum.

Wat vliegt de tijd!, Rubinsteins eigen posthume bundel, biedt wèl een mooi beeld van de schrijfster en haar ontwikkeling. Voorin staat het eerste stuk dat zij in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures schreef, misschien haar eerste publikatie überhaupt. Dat was in 1955. Rubinstein was, zoals zij zelf later vertelde, hevig getroffen toen zij toevallig een nummer van Propria Cures in handen kreeg. Vooral een stuk van Piet Borst (later een vooraanstaand medicus) over een Vlaams studentencongres, oneerbiedig, onconventioneel en geestig, beviel haar: die club, daar wil ik bij horen, dacht zij. Het artikel ”Het zionisme of de nieuwe onvrijheid' was haar - meteen geslaagde - poging om lid te worden.

Het zou overdreven zijn te zeggen dat de latere, trefzekere Rubinstein al helemaal uit dat zionisme-stuk spreekt, een stuk waarvoor haar recente verblijf van drie jaar in Israël haar het nodige zelfvertrouwen gaf. Maar het is een knappe, en voor die tijd zeker opzienbarende beschouwing over de vraag of je jood kunt zijn zonder zionist te zijn, over Israël, antisemitisme en de zogenaamde ”joodse zelfhaat'. Niet slecht voor een vijfentwintigjarige in de jaren vijftig.

Rond 1960 had zij haar trant gevonden. ”Vriendschap voor vreemden' (Hollands Weekblad, 1961), een lange column waarin het gaat over de neiging om vrienden dingen kwalijk te nemen die je vreemden niet zou aanrekenen, toont reeds haar vermogen om zo te schrijven dat iemand anders denkt: zij neemt mij de woorden uit de mond. Die reactie van de lezer is, zoals zij zelf heel goed besefte, een artistiek effect. De lezer wist niet dat die woorden in zijn mond lagen voor hij ze las.

Er werd en wordt wel eens meewarig, ja geprikkeld gereageerd op het verschijnsel van de column, dat in Nederland de laatste dertig jaar zo'n grote bloei heeft beleefd. Vluchtig, makkelijk, wordt gezegd: alsof teksten die meteen deftig in boekvorm verschijnen, en niet eerst hoeven te concurreren met honderden nieuwsberichten, daardoor automatisch meer waard zijn. Rubinstein, die door sommige mensen een snob werd genoemd, is voor die redenering over de hiërarchie van de genres in ieder geval nooit gevallen. ”Columnist zijn is het minst frustrerende beroep dat er bestaat,' zei zij tevreden. Maar zij werkte en schaafde aan haar teksten tot het leek alsof zij zo uit haar pen gerold waren: dat was kunst, wist zij.

”Ik ben geneigd te denken dat hoe je iets schrijft belangrijker is dan wat je schrijft,' staat in een schriftelijk interview uit 1987 met Johan Diepstraten (ook in de bundel afgedrukt); ”je zit zelf meer in dat hoe dan het wat' - een uitspraak die zij meteen weer tempert met te zeggen dat stijl niet alles goed kan maken. Maar zij voelde het wel zo.

Wat vliegt de tijd! bevat prachtige columns. Een, naar aanleiding van een gedicht van Jan Hanlo, waarin zij mijmert hoe heerlijk het zou zijn als de geschiedenis achterwaarts in plaats van voorwaarts ging. Een waarin zij duidelijk maakt waarom Gerard Reve leuker is dan W.F. Hermans. Een waarin zij uitlegt dat het niet zo interessant is om gelijk te hebben. Een waarin zij schrijft - het is een van de laatste stukken van haar leven, het laatste in dit boek - dat J.A.A. van Doorn ”domweg gelijk' had met het stuk over Israël en de joden, het stuk dat hem zijn columnistschap bij deze krant kostte.

Absurd, fel, geestig en soms zelfs wijs, dat kon zij allemaal zijn, en als niet iedereen plezier beleeft aan alles wat zij heeft geschreven bewijst dat voornamelijk dat een goede columnist geen allemansvriendje kan zijn. Je zou kunnen zeggen dat Rubinstein in haar levenswerk het maximum heeft bereikt wat iemand kan bereiken die alles behalve een allemansvriendje is.

    • Ileen Montijn