Vernieuwing

Vandaag is het precies honderd jaar en een week geleden dat Harold Ross, de oprichter van The New Yorker werd geboren. Zijn weekblad is zo vaak geprezen dat ik daarover niets nieuws kan vertellen; zoveel pogingen zijn er gedaan om het na te doen, en evenveel mislukt, dat prijzen ook niet nodig is. Ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag heeft het een paginagroot getekend portret van hem afgedrukt, met een tekst, achter hem aan de muur geprikt: “"I don't want to look like the editor of Vanity Fair," he roared.”

Deze tekst bevat het probleem. Al jaren ging het niet goed met The New Yorker. Het leed aan de kwaal die alle dag-, week- en maandbladen van enige betekenis bedreigt: de redacteuren slaagden er niet in die geheimzinnige weg tussen traditie en vernieuwing te vinden. Als ik in de stad was, bleef ik het trouw kopen en lezen, ik zag weleens een aardig verhaal of een cartoon waarom ik moest lachen en de Talk of the Town bleef goed in zijn mengsel van dorpsnieuws en meldingen van groot belang, dat alles met dezelfde nonchalence opgeschreven. New York is behalve de hoofdstad van de wereld ook een dorp waar "iedereen iedereen kent' en bijgevolg elkaar bespreekt, zoals in Amsterdam. Zo is The New Yorker behalve al het andere ook een dorpsbode die minder interessant wordt naarmate je verder en langer van de wereldstad verwijderd bent. The New Yorker in Amsterdam zegt je niets, evemin als de Canard Enchané, of Vrij Nederland of De Telegraaf als je wat langer in Berlijn bent. Ik noem een paar willekeurige grootheden. Het gaat tenslotte altijd om wat er bij je naaste buren gebeurt.

The New Yorker handhaafde wel zijn vertrouwde eigenschappen maar tegelijkertijd werd het blad leger. Het bleef niet slecht maar er viel minder in te beleven. Er stond nog altijd in wat je ervan verwachtte behalve de verrassing. Zo riep het nummer na nummer verder de vloek over zich af die iedere krant verdoemt als er niet bijtijds iets aan wordt gedaan: The New Yorker maakte je niet meer nieuwsgierig.

Daarop besloot de uitgever tot radicale maatregelen. Hij ontsloeg de hoofdredacteur en benoemde op zijn plaats Tina Brown, een vrouw onder wier leiding Vanity Fair het tot grote journalistieke en commerciële hoogte heeft gebracht. Ze haalde er meteen de bezem door. Er kwamen nieuwe rubrieken, de bijdragen werden korter, het geheel dikker. Er werd flink geïnvesteerd. Binnen een paar weken was er een nieuwe The New Yorker ontstaan met behoud van de oude typografische trekken en de oeropzet die Harold Ross eraan heeft gegeven.

Wat is nu het geheimzinnige verschil als we de hoeveelheid pagina's en het aantal bijdragen buiten beschouwing laten? (Want dat telt niet: kwantiteit op zichzelf is nooit voldoende). Dit verschil valt na zo'n korte tijd van vernieuwing niet vast te stellen. Er is in het bestaan van kranten een wet die zegt dat het tenminste twee jaar duurt tot de geest van de nieuwe hoofdredacteur is doorgesijpeld tot de ruimte tussen de regels waar de toon van de muziek klinkt. Wie de laatste verantwoordelijkheid draagt zet zijn stempel op iedere pagina: op den duur. Het is een onvermijdelijk proces maar het verloopt altijd trager dan iedereen had gehoopt.

In dit geval kunnen we hoogstens vermoeden waar het misschien heen zal gaan. Het blad heeft intussen een paar politieke onthullingen gebracht die bijdragen tot de politieke verlegenheid waarin president Bush zich bevindt. Er is tegenwoordig ook op de eerste redactionele pagina's een rubriek Commentaar. Het standpunt van The New Yorker vindt men niet meer alleen in de algemene teneur, de keuze van de bijdragen, de toon van de auteurs. Ieder nummer heeft een startschot, een Hier-sta-ik, ik-kan-niet-anders.

Honderd jaar nadat Harold Ross werd geboren kiest The New Yorker hoopvol voor Bill Clinton. De commentator onderbouwt die keuze met een theorie: het idealisme van de jaren zestig is dit jaar doorgedrongen tot de regering van Amerika, zoals dat in Praag al met Vaclav Havel is gebeurd en in Madrid met Felipe González. De geest van 1968 heeft in vijfentwintig jaar veel van zijn eigen tekortkomingen geleerd, zo vaak verloren dat ze nu wist hoe ze moest winnen (Wallenstein) en op 3 november was het zover. De commentator legt dan uit hoe het karakter van de nieuwe president werkelijk in elkaar zit en hoe het, net als dat van Vaclav Havel, is gevormd "in the radical cultural scene of that time'.

Zou het? Grote passen, gauw thuis. Ik denk aan het commentaar van Bert Poll, toen Havel voor het presidentschap aantrad. Hij had zijn twijfels: toneelschrijvers moeten toneel schrijven en de politiek is voor politici. Ik was het niet met hem eens: eindelijk eens een president die weet wat een toneelstuk is. Niet dat Havel het sindsdien slecht heeft gedaan - wat is goed onder zulke omstandigheden? - maar ik ben toch meer voor het standpunt van Poll gaan voelen. Wie weet wat voor mooie toneelstukken hij had geschreven.

Vernieuwing moet er zijn, maar je ziet pas hoe het ermee is gegaan als het te laat is. The New Yorker is anders geworden: die zekerheid hebben we intussen gekregen.