Prix Goncourt voor eigen taal van Patrick Chamoiseau; Christus redt een sloppenwerk

Over de Prix Goncourt en de Prix Renaudot, de belangrijkste Franse literaire prijzen, wordt elk jaar druk gespeculeerd. Ook dit jaar weer: menigeen durfde er heel wat om te verwedden dat Patrick Besson voor zijn "Julius et Isaac' de Prix Goncourt zou krijgen. Maandag werd echter bekend dat die naar de Caraïbische Patrick Chamoisaeu is gegaan voor zijn roman "Texaco'. "La Démence du boxeur' van François Weyergans werd bekroond met de Prix Renaudot.

Patrick Chamoiseau: Texaco. Uitg. Gallimard. 432 blz. Prijs ƒ 51,60

Eenenzeventig jaar geleden mocht een Antilliaanse schrijver voor het laatst de Prix Goncourt in ontvangst nemen. In 1921 was het René Maran die zijn roman Batouala bekroond zag. Deze week viel de eer opnieuw te beurt aan een auteur uit Martinique, Patrick Chamoiseau (39).

Zijn roman Texaco is niet zomaar een roman. Het is een epos, een standaardwerk over de geschiedenis van het Franse eiland in het Caraïbisch gebied. Honderdvijftig jaar ellende, vrolijkheid, slavernij, vrijheidstrijd, armoede en ontwikkeling passeren de revue en leiden de westerse lezer binnen in de nu eens beklemmende, dan weer bevrijdende, maar immer relativerende Antilliaanse wereld.

Zo gestructureerd en historisch "verantwoord' als het carcas van het boek is - verdeeld in verschillende tijdperken en voorzien van een chronologische tabel - zo uiteenlopend zijn de bouwstenen ervan: dagboekfragmenten, gedichten, liederen, vertellingen en 'gewone' tekst wisselen elkaar af en vormen samen de bitterzoete geschiedenis van een eiland. Uitgangspunt daarbij is Marie-Sophie Laborieux, stichtster en bewoonster van de krottenwijk Texaco, uit hout en golfplaat opgetrokken op een terrein van de gelijknamige Amerikaanse oliemaatschappij. Chamoiseau, die met Texaco zijn derde roman heeft geschreven en zichzelf daarin aanduidt als "degene die de woorden noteert', ontmoet Marie-Sophie in 1985. Zij vertelt de schrijver, vanachter een glas oude rum, de geschiedenis van de eilandbewoners, van haar ouders en van Texaco. Of er ooit daadwerkelijk iemand is geweest met de naam Marie-Sophie Laborieux of dat de schrijver gebruik heeft gemaakt van een "model' blijft onduidelijk; de sloppenwijk Texaco bestaat wel.

Marie-Sophie, geboren in 1913 en overleden in 1989, is het kind van een voormalige slaaf die op latere leeftijd, terwijl hij wanhopig op zoek is naar zijn weggelopen geliefde, een kind verwekt bij een blinde vrouw. Zich baserend op verhalen van haar vader vertelt Marie-Sophie over de slaven op de suikerplantages, de hoogmoed van de békés (de blanken), de vrijheidsstrijd, de ontgoocheling als de voormalige slaven aan het vrije leven in l'Enville (de stad) beginnen, de verkapte slavernij, de armoede, de losse relaties en uiteindelijk de strijd om het behoud van de sloppenwijk Texaco, het armzalige domein van de tweede en derde generatie vrije Martiniquanen.

De verhalen van Marie-Sophie worden bevolkt door bizarre, theatrale figuren als haar vader Esternome, die na zijn slaventijd achtereenvolgens werk heeft als vliegenmepper, rattenvanger, afwasser, luikensluiter en groentewasser; Ninon, de slavin met de vele minnaars, die kort na haar vrijheid wordt verrast door een vulkaanuitbarsting; Basile, de man die Marie-Sophie redt uit de waanzin van haar werkgever; Nelta, de man die haar op een dag verlaat en een ansichtkaart met hartelijke groeten stuurt uit de Provence; papa Totone, die Nelta's plaats inneemt. Stuk voor stuk tragische en tegelijk humoristische personen. Het is goed voorstelbaar dat Chamoiseau zijn inspiratie vond in uiteenlopende klassieken in de wereldliteratuur als Germinal (een "sociale' roman van Emile Zola) en Alice in Wonderland.

Chamoiseau heeft voor één van zijn wonderlijke creaturen zijn toevlucht gezocht in de bijbelse traditie. Het betreft de gemeente-ambtenaar, die, nadat Texaco herhaaldelijk met de grond gelijk is gemaakt door de politie, definitief moet beslissen over het lot van de sloppenwijk. Bij zijn eerste bezoek wordt hij onthaald met een steen, later krijgt hij de bijnaam Christus wegens zijn redding van Texaco. Jammer genoeg is dit het enige (misschien wat zwaar aangezette) symbool in het boek, waardoor het iets heeft van een stijlbreuk.

Het meest opvallende aan deze roman is echter Chamoiseau's taalgebruik. Temidden van onberispelijk Frans strooit hij met Creoolse woorden, Amerikaanse verbasteringen en eigen woordbaksels waarvan niemand de afkomst kan achterhalen. In scheldwoorden bijvoorbeeld toont de auteur zich een meester: mabouya-sans-soleil, isalope-sans-église, coco-sale, alabébétoum, patate-blême-six-semaines. Literaire kringen in Frankrijk spreken over dit linguïstische verschijnsel reeds als "het chamoiseau'. Het maakt het boek origineel, geeft het iets mysterieus. De auteur maakt zijn roman hiermee, mede door de gevarieerde vorm, tot een fraai staaltje literatuur waarin hij nauw aansluit bij de orale traditie.

Texaco is beslist een bijzonder boek, al duurt het even voor de lezer "erin' komt en zich mee laten nemen in de borrelende stroom boeiende verhalen. Het zit vol emoties, die zich echter niet snel meester maken van de lezer. Deze blijft steeds de toeschouwer die 150 jaar geschiedenis op flinke afstand aan zich voorbij ziet trekken.

En dan rijst onwillekeurig de vraag of de jury zich bij haar keuze niet te zeer heeft laten leiden door het feit dat het dit jaar 500 jaar geleden is dat Columbus aankwam in de Caraïben. Een historische gebeurtenis die veel leed veroorzaakte, waarvan een groot deel door Chamoiseau op verdienstelijke wijze op papier is gezet. In die zin is de Prix Goncourt 1992 wellicht meer een eerbetoon aan een volk dan aan een schrijver en zijn boek.

    • Friederike de Raat