Oude mensen moeten niet denken; Prix Renaudot voor roman Francois Weyergans

Over de Prix Goncourt en de Prix Renaudot, de belangrijkste Franse literaire prijzen, wordt elk jaar druk gespeculeerd. Ook dit jaar weer: menigeen durfde er heel wat om te verwedden dat Patrick Besson voor zijn "Julius et Isaac' de Prix Goncourt zou krijgen. Maandag werd echter bekend dat die naar de Caraïbische Patrick Chamoisaeu is gegaan voor zijn roman "Texaco'. "La Démence du boxeur' van François Weyergans werd bekroond met de Prix Renaudot.

François Weyergans: La démence du boxeur, Grasset, 236 blz. Prijs: ƒ 42,15

De Prix Renaudot is dit jaar toegekend aan de Belgische auteur François Weyergans die de prijs in ontvangst neemt voor zijn roman La démence du boxeur. De 51-jarige Weyergans die in 1973 met Le pitre debuteerde, heeft een negental romans op zijn naam staan; hij is behalve schrijver ook cineast en heeft na een leertijd bij Robert Bresson enkele speelfilms gemaakt. In de nu bekroonde roman heeft Weyergans dankbaar gebruik gemaakt van zijn ervaringen in de filmwereld.

In La démence du boxeur blikt de hoofdpersoon, een 82-jarige beroemde filmproducent, Melchior Marmont, terug op zijn leven. Marmont heeft vier jaar geleden zijn 40 jaar jongere vrouw verloren en haar dood heeft een grote bres geslagen in zijn verdedigingslinies tegen de tijd die alleen al door zijn hoge leeftijd ernstig ondermijnd zijn. Ondanks zijn nog steeds drukke bezigheden als televisieproducent kan Marmont zich niet onttrekken aan het gevoel dat hij zichzelf ook op professioneel gebied aan het overleven is. Hij dankt zijn roem aan de films die hij in de jaren dertig in Hollywood geproduceerd heeft en die toen weinig succesvol waren, maar waar bijna een halve eeuw later door de programmamakers van de televisie om gevochten wordt. Deze late erkenning maakt van hem een soort dinosaurus, een relikwie uit de veelbelovende begintijd van de film, de kunst waar hij zich mee vereenzelvigd heeft en die nu in de wurggreep van de televisie een langzame dood dreigt te sterven. Hoewel Marmont ervan overtuigd is dat je er bij het ouder worden voor moet zorgen dat je geen ogenblik voor jezelf hebt, om te voorkomen dat je in de ban raakt van het weinig opwekkende vooruitzicht van de dood, raakt hij toch onverwacht verstrikt in bespiegelingen over de vergankelijkheid der dingen.

Aanleiding tot Marmonts terugblik is de aankoop van het huis waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht, een eeuwenoud kasteel in de bergen bij Vichy. Marmont hoopt dat hij met deze aankoop een plaats vindt waar hij de herinneringen kan huisvesten die elkaar in zijn hoofd verdringen en die, denkt hij, om opnieuw tot leven te kunnen komen, de gelegenheid moeten krijgen zich stroomopwaarts te bewegen en naar hun bron terug te keren, zoals sommige vissoorten voor de voortplanting naar hun geboortewateren aan de bovenloop der rivieren terugkeren.

De ontmoeting met zijn jeugd verloopt echter anders dan Marmont verwacht. Als hij op een koude wintermiddag door een taxi bij het afgelegen huis is afgezet, en een eerste inspectietocht door de vertrekken maakt, die hij in 1915 voor het laatst betreden heeft, constateert hij dat de vorige eigenaars letterlijk niets bij het oude hebben gelaten en dat er geen sprake van is dat zijn geheugen in deze uitgewoonde rune een verjongingskuur kan ondergaan. Deze constatering dwingt hem afscheid te nemen van de illusie dat landschappen en plaatsen de mens greep geven op de tijd en minder vlug zouden slijten dan het lichaam waarop de tekenen van veroudering van dichtbij gevolgd kunnen worden. Als aldus zijn laatste vermeende bolwerk tegen de tijd al voordat hij het betrokken heeft, door de stroom blijkt meegesleurd, is het hek van de dam en hebben de spoken van het verleden vrij spel.

Terwijl hij op een rode plastic kuipstoel in de donkere vestibule van het van elektriciteit verstoken huis kleumend wacht op de taxi die hem naar de bewoonde wereld moet terugbrengen, en luistert naar de plotseling opgestoken wind die aan de luiken rukt, raakt Marmont alle besef van tijd en ruimte kwijt. Op de grond om hem heen liggen de boeken die hij in zijn jeugd gelezen heeft en waaraan hij veel van zijn ideeën en aspiraties heeft ontleend. Boven op een van de stapels ligt, veelbetekenend, Goethes Faust. Tegen dit decor van vergeelde, haveloze banden trekt dan Marmonts leven, dat van zijn familieleden en dat van grote figuren uit de filmwereld in flarden aan hem voorbij.

Memoires

Hoe rijk en vol dit leven misschien ook geweest is, onsterfelijk zal Marmont er niet mee worden. Marmont heeft altijd gekozen voor het onaffe, het onverwachte, het toeval, en stelselmatig geweigerd zich vast te leggen op een kunstmatige orde. De mooiste films zijn voor hem de films die altijd alleen maar op papier zijn blijven bestaan omdat hij op het laatste moment besloot van de produktie af te zien. Het schrijven van zijn memoires heeft hij overgelaten aan zijn zoon en zo hij al het plan heeft opgevat om een laatste film te maken over zijn eigen ervaringen en herinneringen, dan is dat voornamelijk omdat hij het door die memoires gecreëerde beeld op losse schroeven wil zetten.

De beschrijving van Marmonts fragmentarische en verwarde herinneringen in de vestibule laat zich lezen als het scenario van deze laatste film. Het accent van zijn Hongaarse grootmoeder, het silhouet van zijn vader, een picknick met zijn moeder, een tochtje in de lift met Kim Novak, de lach van Max Ophüls en twee danspassen met Barbara Stanwick, dat is alles wat er aan herinneringen rest in het falende geheugen van een oude man die geboren is tijdens de Belle Epoque, twee wereldoorlogen heeft meegemaakt en met de dood in het hart de groten van de film, van Cecil B. de Mille tot Orson Welles, van Charley Chaplin tot Hitchcock, ten grave heeft gedragen. Als een bokser die door herhaald schedelletsel aan dementie lijdt, worstelt Marmont (marmonner = mummelen) met zijn onsamenhangende herinneringen waarin fictie en werkelijkheid zich vermengen.

Nadat hij zo lange tijd op zijn ongemakkelijke stoel in de vestibule heeft doorgebracht, gaat de storm even plotseling liggen. Een zwarte kar komt de hal binnenrijden, op de bok zit een koetsier wiens gezicht verlicht wordt door een stormlantaarn en die hem met een armbeweging aanspoort achter in de kar plaats te nemen. Marmont herkent de spookwagen uit de gelijknamige, in 1920 uitgebrachte film (Körkarlen) van de door hem bewonderde regisseur Victor Sjörström en weet dat de dood hem is komen halen.

La démence du boxeur bevat enkele pakkende scènes en een aantal mooi geschreven passages. Weyergans springt op een prettig afstandelijke manier om met het tot gratuite nostalgie nodende thema van de vergankelijkheid. Wel heb ik moeite met zijn soms wat wijdlopige verteltrant waarbij de ene anecdote de andere lijkt uit te lokken zonder dat de relevantie daarvan duidelijk wordt. Een merkwaardige inconsequentie bij een auteur die voor het overige de indruk maakt met de dood op de hielen te schrijven, maar geen reden om deze bekroonde roman niet te lezen.