Onzekerheid en ellebogenwerk bij de landmacht; "Misschien kan ik nog ergens portier worden'

Binnen de krijgsmacht wordt met spanning gewacht op de toekomstplannen die het kabinet omstreeks de jaarwisseling bekend zal maken. Een kleiner leger, zonder dienstplicht? De spanning is groot, vooral bij de landmacht die het meest zal moeten inleveren. De onrust sprak ook duidelijk uit het opiniestuk van luitenant-generaal H. Couzy deze week in deze krant. Over rumoer in de kazernes.

Kazerneterreinen mogen van Defensie niet voor gesprekken met militairen worden betreden, en de betrokkenen willen hun achternaam per se niet in de krant zien, want alles wat je zegt zou wel eens tegen je gebruikt kunnen worden. “Zo is op dit moment bij ons in de kazerne nu eenmaal de sfeer”, zegt Rolf. “Er zijn mensen die nu heel gemakkelijk over anderen denken: die lellen we wel even weg. Als straks de dienstplicht wordt afgeschaft en er moeten nog eens 3200 man uit, zal de sfeer nog veel harder worden.”

Rolf is "beroeps' bij de Koninklijke Landmacht, sinds 1969. Nu is hij 40. Hij kan als onderofficier nog wel hogerop maar ziet weinig toekomst meer in het leger. Sinds vorig jaar de grote "herstructurering' naar een “kleiner en flexibeler leger” (minister Ter Beek) op gang kwam, is het dringen geblazen binnen de krijgsmacht, vooral bij de landmacht dat als grootste krijgsmachtdeel ook de grootste personeelsreducties moet incasseren. Bataljons worden opgeheven, functies verdwijnen, mensen vertrekken, vacatures worden niet opgevuld, rangen "devalueren'. Een onderofficier die vijf jaar geleden nog de scepter zwaaide over 216 soldaten, moet nu genoegen nemen met negen. De functies van pelotons- of compagniescommandant worden niet meer vervuld door dienstplichtigen, maar door beroepssergeanten en majoors. Om alle functies worden achter de schermen oorlogjes gevoerd, iedereen hoopt op een nieuwe "stoel' om de grote saneringsslag te overleven.

Maar toch is de sfeer op de werkvloer niet slecht, laten betrokkenen niet na te beklemtonen. De voor het leger zo kenmerkende "kameraadschappelijkheid' is ondanks het ellebogenwerk en de vriendjespolitiek in ruime mate aanwezig, de afstand tussen onderofficieren en officieren niet groter dan hij was. “Hoewel”, zegt Rolf, “de officieren waarschijnlijk meer informatie hebben over wat er verandert dan wij en het in ieder geval eerder krijgen. Dat steekt wel eens.”

Maar wat vooral steekt is de manier waarop het personeel vanuit "Den Haag' wordt geïnformeerd en bij de operatie wordt betrokken. “Neem het rapport van de Commissie-Meijer over de dienstplicht”, zegt officier René (24). “Dat wordt hier op maandagmiddag met veel geheimzinnigheid gepresenteerd, terwijl iedereen het zaterdag al gewoon in de krant heeft kunnen lezen. Zo gaat het met alles.”

Het zijn dan ook de vele vraagtekens die de operatie omgeven en de grote onzekerheid waarmee het personeel wordt geconfronteerd die voor onrust zorgen in de landmacht. “Er is geen duidelijke lijn”, zegt onderofficier Henk (24). “Eerst is er de Defensienota met plannen en percentages voor een kleiner leger, dan is er de Commissie-Meijer over de dienstplicht, dan is er weer Prinsjesdag met nieuwe bezuinigingen en nu moeten we weer wachten op de Prioriteitennota die eind dit jaar zal aangeven wat blijft en wat weggaat. Als ze drie jaar geleden hadden gezegd "we gaan banen schrappen en dit is de afvloeiingsregeling', was er veel minder onrust geweest.”

“Vorig jaar kregen we in de filmzaal door de commandant twee plannen voor een kleiner leger gepresenteerd”, zegt officier René. “Eén met dienstplicht en één zonder, oftewel één slecht plan en een nog slechter plan wat werkgelegenheid betreft. Daarna hoorden we niets meer. Het gevolg was dat we zelf zijn gaan rekenen, zelf zijn gaan kijken wat de percentages zouden betekenen voor de mankracht. Iedereen trekt zijn eigen conclusies en gaat vervolgens met de ellebogen werken. Je krijgt dan kromme sitiuaties.”

Onderofficier Theo (37): “Laatst heeft generaal Reitsma (belast met de herstructurering, red.) bekendgemaakt dat de maatregel die ouderen in staat zou stellen eerder de dienst te verlaten van de baan was. Afgezien van het feit dat deze uitstroommaatregel officieel nog helemaal niet bestond, was van de "afwijzing' ook niets bekend bij de overlegorganen. Dat zorgt voor onrust.”

In deze sfeer zijn het vooral de jonge onderofficieren en officieren die het leger de rug toe keren en werk in de "burgermaatschappij' zoeken. Studies worden opgepakt om in het ergste geval goed voorbereid op de arbeidsmarkt te komen, kranten worden doorgespit op advertenties. “Groepjes collega's hebben de dienst al verlaten”, zegt Rene “en mij valt op dat het altijd de besten zijn, de hele slimme, mensen die goed waren in hun vak.”

Een van de toekomstige vertrekkers is onderofficier Edgar (30). Hij heeft een baan aangenomen als autoverkoper. “Ik had nog een paar jaar luchtmobiel kunnen gaan, maar als je dan 42 bent, zeggen ze ook "wegwezen'. Ik heb daarom eieren voor mijn geld gekozen en gedacht: het is tijd de bakens te verzetten en niet te gaan zitten wachten op de grote uitstroom. Ik heb ook geen zin om straks Armeniërs en Azeri uit elkaar te gaan houden. Ik ben bij het leger gekomen omdat ik het oost-westconflict interessant vond, niet om ergens ver weg voor je klep geschoten te worden.”

Rolf: “Velen zijn zich er niet van bewust dat er wordt gewerkt naar een contractverandering waarbij uitzending niet langer kan worden geweigerd. Eerlijk gezegd wil ik ook graag een keuze houden.”

Er blijken in de krijgsmacht veel vreemde verhalen de ronde te doen over de mariniers in Cambodja. Zo zou het aantal gewonden veel groter zijn dan officieel wordt toegegeven, er zou een helikopter zijn neergeschoten met mariniers, reeds afgezwaaide mariniers zouden gevraagd worden weer terug te komen om voor moeilijk te krijgen vervanging te zorgen. Ook zouden er problemen zijn bij het verkrijgen van een overlijdensrisicoverzekering in geval van uitzending.

“De meeste verhalen uit Cambodja zijn natuurlijk gebaseerd op hearsay”, zegt René. “Maar in het algemeen bestaat de angst dat door de afschaffing van de dienstplicht militairen gemakkelijker naar moeilijke gebieden worden uitgezonden. Afschaffing van de dienstplicht zou zo drempelverlagend kunnen werken. Aan de andere kant krijg je door mensen tot uitzending te verplichten een natuurlijke selectie. Men wil de krijgsmacht mobieler en flexibeler, dan zal die dat ook worden wanneer alleen de mensen die daarvoor kiezen ook blijven. En er zijn er genoeg die willen blijven. Maar ook onder hen vinden velen het jammer dat de dienstplicht verdwijnt. Je hebt veel plezier van dienstplichtigen. In een beroepsleger staan alle neuzen één kant op.”

Zo makkelijk als de jongeren zich laten omscholen en vertrekken, zo moeilijk lijkt de toekomst voor oudere militairen, waarbij vooral onderoffcieren van middelbare leeftijd zich zorgen maken. “Want wie zit er nu te wachten op een veertigjarige ex-militair die een hoop geld kost en alleen maar ervaring heeft met een wapen?”, zegt Rolf. “Ik ben buiten het leger gaan solliciteren in automatisering maar het was snel duidelijk dat ik daar geen schijn van kans maak. Nu heb ik me ingeschreven voor een arbeidsproject in Flevoland. Misschien kan ik ergens portier worden.”

Rolf heeft geen zin af te wachten tot hij overbodig wordt en in een "herplaatsingsprocedure' terechtkomt, een lange en taaie bureaucratische weg langs mogelijk vervangend werk in het leger of andere rijksdiensten. “In zo'n procedure maak je weinig kans”, zegt onderofficier Theo. “Overal in de overheid wordt immers bezuinigd. Bedacht is dat we in de milieupolitie terecht zouden kunnen, of ergens buiten de krijgsmacht. Maar bij overheidsdiensten gaat het toch maar om kleine aantallen en in de burgermaatschappij is het op het ogenblik ook geen vetpot.”

Rolf: “Sommige mensen krijgen nu al iets onmogelijks aangeboden. Ik denk dan ook dat het absoluut niet lukt dat het absoluut de krijgsmacht te verkleinen zonder gedwongen ontslagen.”

Bij de landmacht zijn tot nog toe 150 man min of meer gedwongen de deur uitgewerkt. Het ging daarbij om de "medisch beperkten', personeel dat "zwak, ziek en misselijk' was en niet meer geschikt voor actieve dienst. Tachtig man is terechtgekomen in een "herplaatsingsprocedure'. De cijfers kunnen de manschappen lezen in een maandelijkse rapportage over de herstructurering genaamd "Flex'. “Dat is zo'n beetje de enige manier waarop je betrokken wordt bij de herstructurering”, klaagt Rolf. “Er is op de werkvloer weinig inspraak. Alleen over de uitvoering mag je wel eens meepraten.”

“Nu leunt de krijgsmacht nog sterk op de loyaliteit van de beroeps”, zegt René. “Maar als de spanningen te groot worden, dan houdt dat op. Wanneer dat punt bereikt is? Ik weet het niet.”