Konitz blaast zonder flatterende ruis, liever naakt dan namaak

Concert: Lee Konitz, Gary Foster en Marco Kegel (altsaxofoon) met het trio van pianist Rein de Graaff Gehoord: 12/11 BIMhuis, Amsterdam. Nog te horen: 13/11 Oosterpoort, Groningen, 14/11 Vredenburg, Utrecht, 15/11 Pepijn, Den Haag, 16/11 Wilhelmina, Eindhoven.

Vrijwel elk mens wordt op een gegeven moment door jongeren voorbij gestreeft. In de top van de dameszwemsport komt dat moment tegenwoordig al voordat iemand twintig is, bij abstracte denkers zeer veel later, en in een enkel geval - het absolute genie - nooit. In de jazzmuziek, een mengsel van topsport en denkwerk, wordt de top doorgaans in de vroege volwassenheid bereikt. De vorige maand 65 geworden altsaxofonist Lee Konitz was net voorbij de dertig toen zijn talent het uitbundigst bloeide. Motion uit 1961 is er een bewijs van; kracht en motoriek zijn op deze lp in perfecte balans met structurerend vermogen en zin voor suspense. Dat Konitz juist hierna jaren in retraite ging, kan bijna geen toeval zijn, wat moest hij hierna nog als uitvoerend artiest? Hij gaf veel les en speelde op een demonstratieplaat van Music Minus One. Pas omstreeks zijn veertigste begon hij weer regelmatig op te treden en hoorde het publiek een andere Konitz, veel abstracter en minder bevangen door accordiek. De oude standards hadden zijn hart nog wel maar niet meer helemaal. In 1976 maakte hij een revival-tournee met tenorsaxofonist Warne Marsh waarbij hij voor een vol BIMhuis geweldig klop kreeg. Marsh bleek de eind jaren veertig ontwikkelde cool-stijl tot een zeldzaam hoog niveau te hebben geperfectioneerd, voor Konitz leek het een ernstig door corrosie aangetaste liefde.

Zestien jaar later lijkt er iets dergelijks aan de hand. Konitz' jongere collega Gary Foster en de nog aan "tienervet' lijdende Marco Kegel, studerend aan de jazzafdeling van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, blijken hun Lee Konitz "oude stijl' beter te kennen dan Konitz zelf. In 317 East 32nd, een Lennie Tristano-bewerking van de standard Out of Nowhere, steelt Foster in de beste Konitz-traditie de show, in Alone Together is het Kegel die veel applaus krijgt, met een knikje van Foster toe, "goed zo jongen, zet hem op'.

Konitz hoort het schijnbaar onbewogen aan. Hij kan zijn vroegere zelf niet kopiëren en hij wil het ook niet. Zijn toon klinkt als bordkarton, zijn frasen zijn niet vloeiend meer, maar zijn uitgangspunt dwingt respect af. Zoals een onthande oude dame tot haar laatste snik haar zelfstandigheid blijft verdedigen tegen goedwillende welzijnsinstanties, zo bevecht Konitz zijn recht te spelen zoals hem dat nu, anno 1992, invalt. En zo klinkt Body and Soul zoals het nog nooit geklonken heeft, zelfs niet uit zijn eigen mond. A capella, zonder flatterende ruis, liever naakt dan namaak. Wie die bejubelde versie van toen en toen nog eens horen wil moet maar naar de winkel gaan. Nostalgie is in de mode en overal te koop.