J.J. Peereboom en de stroeve menselijke betrekkingen; Vrijblijvend tutoyeren

J.J. Peereboom: Links en rechts. Uitg. de Arbeiderspers. 275 blz. Prijs: ƒ 49,90.-.

De Stichting voor de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek kende vorige week haar jaarlijkse Publieksprijs toe, aan een niet-Nederlandse schrijfster voor de verandering. Een merkwaardige prijs, want waarom zou je nog eens een boek belonen dat allang een groot publiek heeft bereikt en dus geen propaganda meer behoeft? De CPNB zou er beter aan doen om haar propagandistische aktiviteiten te richten op boeken en auteurs die wel wat reclame zouden kunnen gebruiken. Waarom niet eens schrijvers als Willem Brakman, Alfred Kossmann, K. Schippers, Ivo Michiels of J.J. Peereboom voorgedragen voor een publieksprijs: schrijvers die erg gewaardeerd worden door een beperkte groep lezers, maar die vrijwel onbekend zijn bij een groter publiek. Dit is een betrekkelijk willekeurig rijtje namen dat gemakkelijk door andere vervangen zou kunnen worden, en natuurlijk aangevuld met essayisten en dichters, die andere kinderen van de rekening.

Intussen is het raadselachtig waarom iemand als J.J. Peereboom, om me tot één van de genoemde namen te beperken, zo weinig aftrek vindt. Hij behoort niet tot het type schrijver dat het zijn lezers nodeloos moeilijk maakt. Zijn verhalen en romans zitten overzichtelijk in elkaar, zijn dialogen zijn levendig, zijn taalgebruik is puntig en vaak erg geestig. Is hij dan een beetje saai, of ouderwets? Ook dat kan hem niet worden aangewreven. Onderhoudend is wel het minste wat je over zijn vertellingen kunt zeggen, die altijd de indruk te wekken over deze tijd te gaan, al zijn ze zeker niet modieus.

Het blijft altijd gissen naar zoiets onberekenbaars als ”de' smaak van ”het' publiek. Het enige wat ik zou kunnen verzinnen is dat Peereboom tot de wrede schrijvers wordt gerekend. Hij biedt de zoekende mens geen troost, geen uitweg uit zijn dagelijkse misère. Bij hem zul je geen antwoord vinden op de angstige vraag wat de zin is van het leven, een vraag die in zijn boeken wel steeds aan de orde is.

Ook in zijn nieuwe roman, Links en rechts, wordt volop gepiekerd over het leven, zonder dat er aan het eind een of andere oplossing is bereikt. Niet toevallig zijn bijna alle romanfiguren rond de vijfendertig. De eerste helft van het leven zit erop en nu wordt er naarstig gespeurd naar een zinvol vervolg. Men weet niet goed waar het heen moet: een veilig gebonden leven of een avontuurlijk vrijgezellenbestaan, een monogaam huwelijk of wisselende contacten, een vaste baan of een losse werkkring met interessante schnabbels. Steeds is er de keuze tussen vrijheid en verplichting, denken of doen, woorden of daden, links of rechts. In de praktijk is men uit op een een daadkrachtige middenweg tussen het een en het ander, of, zoals een van de romanfiguren het martiaal formuleert: “Links, rechts, links, rechts: alle hoofden dezelfde kant op; om zes uur uit bed, en na wassen met koud water een onwrikbare dagindeling tegemoetgaan: Ferdy voelde de strijdige onderdelen van zijn natuur tot rust komen als hij het zich voorstelde.”

Zo'n strak geordend leven vol nuttige bezigheden wordt door iedereen begeerd, maar de discipline ontbreekt om de mooie voornemens ten uitvoer te brengen. Men leeft hier ”rechts en links' en dat betekent dat er maar wat op los wordt geleefd zonder doel of richting. De een geeft een paar uur per week les aan een avondschool, de andere werkt halve dagen in boekhandel of peuterspeelzaal, laat zich in met louche handeltjes of is halfslachtig doende met het schrijven van een essay over de prehistorie van het ijshockey. Van de grootse ambities die naast deze nederige bezigheden gekoesterd worden, komt niets terecht.

Dit mag allemaal wat uitzichtloos en naargeestig klinken, maar zwaar op de hand is Links en rechts bepaald niet. Voor een lichte toets zorgen de vele droogkomische terzijdes en de grappige persoonsbeschrijvingen die Peereboom moeiteloos uit zijn mouw lijkt te schudden. Een bijdehand mannetje op een receptie wordt ”een verzamelaar van namen en connecties' genoemd, terwijl een voorbijgangster meelevend getypeerd wordt als ”een zware vrouw in een wijnrode jas met een ceintuur en een zwart hoedje, die haar hele leven klusjes had opgeknapt voor iedereen en nooit bedankt werd.'

Erg komisch zijn ook de vele verwikkelingen rond het zogeheten Instituut voor Sportkunde, waar psychologen, sociologen, historici en filosofen onduidelijke werkzaamheden verrichten zonder ook maar een schijn van doelmatigheid of wetenschappelijkheid. Gedaan wordt er eigenlijk niets, maar vergaderd des te meer en geruzied over de benoeming van een nieuwe werknemer waarvoor geen geld is en trouwens ook geen emplooi.

Links en rechts is een satire op het moderne leven, zoals dat door hele of halve, niet meer zo jonge intellectuelen wordt geleid. Peereboom legt zich toe op de stroefheid van de onderlinge menselijke betrekkingen. In zijn vergeefse, maar niets ontziende zucht naar zelfontplooiing is de intellectueel het verleerd om op enigszins normale wijze met zijn naaste om te gaan, of dat nu een geliefde, een collega, een familielid, een vriendin, een sollicitant of een buurman is. Het mooist komt deze communicatieve onbeholpenheid wel tot uitdrukking in het voorstel dat een van de romanfiguren aan een gespreksgenoot doet: “Tussendoor even: onze relatie moet enigszins formeel blijven, maar het is te gedwongen om elkaar u te blijven noemen; dus zullen wij vrijblijvend tutoyeren? Mijn naam is Kasper.”

Het aantrekkelijke van deze roman is dat Peereboom zelf feilloos beschikt over de juiste toon die zijn geesteskinderen zo deerlijk moeten missen. Nergens maakt hij ze alleen maar belachelijk. De ironie wordt getemperd door deernis, want ze hebben het moeilijk, de oudere jongeren van deze tijd. Hij benadert ze mooi afstandelijk, zonder hautain te worden. Daarmee maakt hij het de lezer ook meteen onmogelijk om zich gnuivend aan het getob te onttrekken. Hun ongemakkelijkheid, hun mislukkingen, hun hele tragi-komische gestuntel worden vanzelf ook een beetje de onze. Zodat wij nog maar weer eens volmondig instemmen met deze verzuchting: “Wat zou het leven een genot zijn als er ooit iets makkelijk ging.”