"Je weet nooit of de oorlog je inhaalt'; Duizenden vluchtelingen uit Jajce zijn niet welkom in Kroatië

TOMISLAVGRAD, 13 NOV. De oude vrouw uit Jajce heeft op haar handen en armen kruisen getatoeëerd staan. “Dat deden onze moeders, uit traditie, toen we nog zuigelingen waren, opdat de Turken ons niet zouden ontvoeren en in hun harem stoppen. Met het teken op onze handen kon iedereen zien dat wij katholiek waren”, zegt de oude vrouw, die nog niet weet dat katholiek in deze burgeroorlog "Kroaat' moet heten. Maar Kroaat of niet, samen met duizenden andere inwoners van Jajce die twee weken geleden na zes maanden beleg in handen van Servische troepen zijn gevallen, heeft ze moeten merken dat ze in de Republiek Kroatië niet welkom is.

“Ze stuurden ons terug aan de grens”, zegt de oude vrouw. “Dus nu blijven we maar hier. Wat moet er van ons worden?” Met tientallen anderen - vrouwen in alle leeftijden, kinderen en oudere mannen, want jonge mannen moeten aan het front vechten - zit ze nu ongemakkelijk op de bankjes van een kleuterschooltje in Tomislavgrad, een stad in de Kroatische sector van Herzegovina die tot voor kort "Duvno' heette, maar door het Kroatische leger HVO dat hier thans de dienst uitmaakt is vernoemd naar een Middeleeuwse Kroatische koning.

De straten van het stadje zijn boordevol, met vluchtelingen niet alleen, maar ook met Kroatische strijders en met witte voertuigen van de vredesmacht van de Verenigde Naties, die aan de rand van de plaats een pleisterplaats hebben op hun gevaarlijke tocht naar de binnenlanden van Bosnië.

Door de hoofdstraat loopt John MacPhee, een reusachtige man en een opvallende gestalte omdat hij de Kroatische symbolen op zijn Schotse muts en cape heeft genaaid. Een huurling in vele oorlogen, maar hier niet voor het geld, zegt hij. “Sinds ik hier ben, heb ik per week gemiddeld drie pond gevangen. Ik ben hier uit woede gebleven, omdat deze mensen hulp nodig hebben.” Drie maanden vocht hij, met drie andere buitenlanders waarvan er inmiddels twee in het ziekenhuis liggen, in Jajce tot aan het eindoffensief.

MacPhee is op weg naar het kantoor van het plaatselijke Rode Kruis, en stoot een deur open. “Neem mij niet kwalijk dat ik stoor”, bast hij door de kamer, “maar ik was net in het ziekenhuis en daar ligt een vrouw uit Jajce die hier niemand kent en bij wie juist een been is afgezet. She is terribly depressed! Kan ik erop vertrouwen dat u iemand stuurt om haar te bezoeken en een praatje met haar te maken?”

Adela Skavo, hoofd van het plaatselijke Rode Kruis, knikt zuchtend. “Mijn God”, mompelt ze, als de joviale Schot is vertrokken, “het houdt niet op. Er komen weer tien families met tractoren deze kant uit.” Haar telefoon rinkelt onophoudelijk. “Meestal verzoeken om voedsel”, legt ze uit. “We krijgen wel wat van de UNHCR (het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN, red.) en van Merhamet (een moslim-hulporganisatie, red.), maar het is niet genoeg. Meer dan twaalfduizend vluchtelingen hebben we nu ondergebracht, 6.500 daarvan uit Jajce. De mensen hier zijn aardig, en geven wat ze kunnen. Maar ze hebben niet genoeg geld om al die mensen te blijven voeden, en we krijgen van buiten niet genoeg. En dan heb ik het nog niet eens over brandstof.”

Vorige week nog zaten alle schoolgebouwen in Tomislavgrad vol mensen uit Jajce, legt Skavo uit. Die hadden zich meestal hoopvol in de richting van de Kroatische havenstad Split begeven, maar waren onderweg aan de grens tussen Herzegovina en Kroatië teruggestuurd. Op de groep in de kleuterschool tegenover café Genscher na, zijn ze allemaal in particuliere huizen ondergebracht.

“De mensen hier zijn goed voor ons”, zeggen de tijdelijke bewoners van de kleuterschool, in de kleuterstoeltjes en bankjes in opgevouwen toestand soep slurpend. De doordringende lucht van een ontsmettingsmiddel lijkt hun de eetlust niet te ontnemen. Er wordt véél ontsmet sinds gebleken is dat onder de vluchtelingen uit Jajce tot nu toe 25 gevallen van tyfus zijn geconstateerd, vrucht van een beleg waarbij honderden doden zijn gevallen en de bombardementen zo hevig waren dat lijken vaak dagenlang bleven liggen.

Geklaagd wordt er niet in de kleuterschool, wel verteld hoe erg het allemaal was. “Onze strijders vochten met kogels tegen granaten”, zegt een vrouw, die het grootste deel van de zes maanden beleg in een grot heeft doorgebracht. Kate Radovac draagt zwart, omdat ze een zoon heeft verloren, die voordat hij zijn vaderstad Jajce verdedigde ook al aan het front in het Kroatische Novska was geweest. De dagen dat zij haar huis bij de skilift aan Nederlandse toeristen verhuurde, lijken een eeuwigheid geleden.

Traumatischer nog dan het beleg was de vlucht van de ongeveer 20.000 laatste inwoners van Jajce: een 25 kilometer lange stoet te voet of met karren, slechts een enkele bus, door een dal bij nacht en onder een regen van kogels van de Serviërs. De oude vrouw met de tatoeages is bont en blauw in haar gezicht. “Een paar keer gevallen”, zegt ze. Voelen ze zich nu veilig in Tomislavgrad? “Je weet nooit of de oorlog je inhaalt”, zegt een man. Er is hier regelmatig luchtalarm.

Een deel van vluchtelingen uit Jajce is in dorpen rondom Tomislavgrad ondergebracht. Eén daarvan is Omerovica, een door moslims en zigeuners bewoond plaatsje met een in de kale vlakte opvallende moskee, maar zonder een verharde weg. Bij de driehonderd zielen die het plaatsje in vredestijd herbergde hebben zich 58 vluchtelingen gevoegd, zowel moslims als zigeuners.

Omerovica oogt straatarm en een restant uit vroeger tijden. Als er geen familieleden in Duitsland werkten kon het dorp, dat meer uit hutten dan huizen bestaat, niet overleven, vertellen de dorpelingen. Vreemd genoeg maakt Omerovica een vrolijke indruk, door de goedmoedige spraakzaamheid van iedereen en de joelende kinderschare die dit novum in de dorpsgeschiedenis, buitenlands bezoek, begeleidt.

Voor een schamele woning tussen kale struiken staat een groep vrouwen op een vuurtje koffiebonen te roosteren. Ze vragen, evenals de andere dorpelingen, de bezoeker meteen binnen voor koffie - gastvrijheid is heilig. Ze zijn allen door soms vage familiebetrekkingen in dit dorp verzeild geraakt. Hun blijmoedigheid wordt afgewisseld met tranen - als het gaat over hun mannen, zonen of vaders waarvan ze al maandenlang niets meer hebben gehoord.

Niet alleen uit Jajce zijn ze. Er is er een uit Zvornik: in april de bossen ingevlucht, twee maanden rondgezworven door de bergen, ondergebracht in een sporthal in Tuzla. Twee weken geleden daar vertrokken, omdat in deze inmiddels ook regelmatig gebombardeerde en deels omsingelde stad het voedsel schaars werd en de vluchtelingen van buiten de stad steeds minder rantsoenen kregen. De jonge vrouw die dit allemaal heeft meegemaakt, verlegen en met twee kinderen, voelt zich nu veilig. Maar ze zou graag iets horen over haar man. Waar zou je dat moeten vragen? Bij het Internationale Rode Kruis, is ons antwoord, maar Genève ligt ver weg van Omerovica.

Verder naar het zuiden, aan de Herzegovijns-Kroatische grens ligt in het stadje Posuse een vluchtelingenverblijf, dat in ellendigheid alle andere overtreft. “We hebben al verscheidene keren geprobeerd er iets aan te doen, maar de plaatselijke autoriteiten laten dat niet toe”, zegt een vertegenwoordiger van een internationale hulporganisatie, die anoniem wenst te blijven. “De Kroaten willen die armoedzaaiers aan hun grens daar weg hebben, en ze voelen er trouwens helemaal weinig voor aan "smerige moslims' een onderdak te bieden waardoor ze zouden kunnen blijven.”

Maar blijven doen ze evengoed, de honderden mensen die opeengepakt in een smerige sporthal in Posuse wonen, sommigen al vier, vijf, zes maanden. Mannen, vrouwen, kinderen geven de hoop niet op toch eens over de grens naar Kroatië of het buitenland te komen. En ze trotseren de verpestende stank die het gevolg is van gebrek aan ventilatie in een hal, waar 's nachts geen centimeter ligruimte onbenut blijft. Overdag trouwens ook steeds minder, want het wordt koud buiten en bijna niemand heeft bij de overhaaste vlucht voor de kogels extra kleren kunnen meenemen.

“Mijn man vecht nog, als hij nog leeft”, zegt een jonge vrouw, “en weet niet dat zijn vrouw en kinderen hier niet kunnen overleven.” Steeds meer kinderen worden ziek, vertelt men: keelontsteking, bronchitis en geelzucht. Het dak lekt, de regen druppelt op de dekens. De ventilatie, door een paar bij een bombardement aan het begin van de oorlog weggeblazen ruiten en delen van het dak, is onvoldoende maar de gaten zijn wel groot genoeg om de kou binnen te laten. Een keuken is er niet in dit vluchtelingencentrum, per dag wordt per persoon een half brood en wat vlees uit blik verstrekt. En ja, vorige week nog een appel. “We eten al een half jaar conserven”, zegt een vrouw moedeloos en probeert op een elektrisch kookplaatje bij de muur water voor macaroni aan de kook te brengen. Het weinige sanitair is verstopt en verspreidt een verpestende stank.

Een vrouw uit Jajce heeft zich hier juist bij degenen gevoegd die er al maanden wonen. “Ik ben wel geschrokken”, zegt ze, “maar er is hier een postkantoor met een fax, en dat is belangrijk voor me.” Ze belt iedereen die ze kent in Kroatië en elders in de wereld in de hoop dat eens, over de fax, een uitnodiging binnenkomt waarmee ze de grens van Kroatië kan overschrijden. “Vergeet het maar”, zegt een vrouw die hier al langer is en geen geld meer heeft om te bellen. Haar zoontje is een maand geleden in de Kroatische havenplaats Split in het ziekenhuis opgenomen, en ze heeft nog maar één keer een dag gekregen om hem te bezoeken, toen moest ze weer naar Posuse terug. “Als je denkt dat je het geregeld hebt verzinnen ze wel weer een ander papier wat je moet hebben.