In La Coruña heerst nog altijd Depormania; 'Harde en toegewijde werkers, niet meer en niet minder'; "Trainingen op maandag hebben karakter van receptie'

LA CORUÑA, 13 NOV. Ze hebben het nooit gemakkelijk gehad, de bejaarde medeburgers die de ochtendtrainingen van de koninklijke sportclub van La Coruña bezochten. Net als zo veel van hun lotgenoten in stadions overal ter wereld leefden ze drie dagen met de teleurstelling van het vorige weekeinde en drie in vreze voor de aanstaande zondag. Maar in hun geval kwam daar nog bij dat ze niet eens naar een glorierijk verleden konden verwijzen.

Sinds de oprichting in 1904 heeft het eerste elftal van de Deportivo de la Coruña vooral in de tweede en derde divisie van het Spaanse voetbal gespeeld. In de eredivisie bungelde de club vrijwel altijd onderaan. Vorig seizoen voorkwam ze pas op de laatste speeldag degradatie. Vrolijkheid was er een zeldzaam verschijnsel langs de lijnen.

Dit seizoen is alles anders. Na tien competitiedagen staat de club uit de afgelegen noordwesthoek van Spanje nog steeds op de eerste plaats in de hoogste klasse. De ploeg versloeg de sterrenelftallen van Barcelona en Real Madrid niet per ongeluk, maar op basis van zichtbaar overwicht. En gisteren mocht "de Depor' in een oefenwedstrijd aantreden tegen AC Milan, de nummer één in de Italiaanse competitie.

De oude mannetjes die mopperend de trainingen plachten te bezoeken hebben gezelschap gekregen van spijbelende scholieren en buitenlandse verslaggevers. Ze stralen, ook als het regent. “Vooral op maandag hebben de trainingen het karakter van een een receptie gekregen,” zegt Manuel Montiel, de secretaris van de club. En ook hij krijgt de grijns niet van zijn gezicht en de twinkeling niet uit zijn ogen.

Is er een wonder gebeurd in Galicië? Daarover verschillen de meningen. “Ik zie niet wat dit elftal voor bijzondere kwaliteiten heeft,” zei Bert Jacobs vorige week, nadat zijn Sporting Gijon met 2-0 van Coruña had verloren. “In Nederland staat Roda of Vitesse ook wel eens een tijdje bovenaan en dan geniet iedereen ervan dat het iets minder gaat met de bekende namen. Het zijn volgens mij gewone hollers en dravers die ongelooflijk geluk hebben gehad.”

Jacobs wordt bijgevallen door Coruña-trainer Arsenio Iglesias, die zijn ploeg omschrijft als “harde en toegewijde werkers, niet meer en niet minder”. De 61-jarige oefenmeester is wars van moderniteiten zoals “computers en psychologische begeleiding”, maar schenkt wel zelf de wijn in tijdens de spelersmaaltijden zodat hij er zeker van is dat er maat wordt gehouden.

Hij geniet van het succes zolang het duurt en verzekert intussen dat de Spaanse competitie ook dit jaar weer gewoon zal worden gewonnen door Barcelona of één van de twee topclubs uit Madrid. Real Madrid en de FC Barcelona werken immers met een jaarbudget van bijna negentig miljoen gulden en dat is vijf keer zoveel als men in Coruña te besteden heeft.

Maar zijn die enorme investeringen nu niet juist bedoeld om verrassingen als de huidige te voorkomen? Door de grote economische belangen die tegenwoordig met het voetbal gemoeid zijn, moet de klassering in de nationale liga en de internationale toernooien tot op vrij grote hoogte vooraf berekend kunnen worden. Als het publiek weg blijft en de televisieinkomsten vervallen, sluit de begroting niet.

Secretaris Montiel en voorzitter Lendoiro van Deportivo de La Coruña vinden het niettemin helemaal niet zo verrassend dat hun bescheiden bedrijfje in de afgelopen tweeënhalve maand een flink stuk markt van de leiders heeft afgepikt. “Dat we nu nummer één staan hadden we niet verwacht,” zegt Montiel. “We worden ook geen kampioen. Maar het succes was begroot. Dat is dus geen wonder, geen geluk. We rekenden erop bij de eerste vijf te komen.”

Met dat doel zijn afgelopen zomer twee dure Braziliaanse internationals aangetrokken: de 28-jarige linkerspits Jose Roberto Gama de Oliveira ("Bebeto') en middenvelder "Mauro' da Silva Gomes. Zelfs Bert Jacobs moest toegeven dat Bebeto tussen de “hollers en dravers” een klasse apart is; hij zou hem zó over willen nemen. Hij is niet de enige. Vanuit Italië hebben zich ook al clubs gemeld die bereid zijn de som van 18 miljoen gulden te betalen die vereist is voor het openbreken van Bebeto's driejarige contract.

De huidige nummer twee op de Spaanse topscorerslijst kon begin dit jaar kiezen tussen Borussia Dortmund en Deportivo de La Coruña. Voor zijn gezin leek het hem beter om naar Galicië te gaan, waar men een streektaal spreekt die meer overeenkomst vertoont met het Portugees dan met het Spaans.

Direct na aankomst schafte hij twee Mercedessen en een Rolex aan “om tot rust te komen” en sindsdien heeft de frêle aanvaller (64 kg, schoenmaat 36) geen dag meer heimwee naar Brazilië gehad. La Coruña, waar het bijna altijd mist en regent, noemt hij nu zelfs liefdevol “klein Rio de Janeiro”. Een vergelijking die vermoedelijk meer te maken heeft met de warme ontvangst door de stedelingen dan met het klimaat. “Hoe het ook zij,” zegt secretaris Montiel, “wij hebben een meerjarenplan. Wij zijn niet geïnteresseerd in verkopen. Wij willen juist spelers kopen.”

Vier jaar geleden nam het huidige bestuur een vereniging over die zo goed als bankroet was en nog maar zesduizend leden telde. Er werd ernstig over opheffing gesproken. Zelfs de nieuwe voorzitter, Augusto Cesar Lendoiro, zag het somber in, hoewel hij in sportkringen toch als een weergaloos bestuurder gold.

Al op zijn vijftiende was hij president van een voetbalclub, daarna haalde hij het lokale handbal uit het slop en leidde hij de plaatselijke rolhockeyvereniging naar het kampioenschap van Europa. “We zijn onder zijn leiding begonnen met een reclamecampagne om de stad weer bij het voetbal te betrekken,” legt Montiel uit. “Men had zich volledig van de Depor afgekeerd. De voetballiefhebbers van La Coruña waren verdeeld in twee kampen: de aanhangers van Barcelona en die van Real Madrid. Wij hebben geprobeerd ze duidelijk te maken dat er nog een club was en dat die echt van hùn was en daarom niet mocht verdwijnen.”

De campagne sloeg aan. Twee jaar geleden promoveerde het eerste elftal naar de hoogste divisie. Inmiddels heeft de club 22.000 leden die, sinds de verplichte omzetting in een naamloze vennootschap, ook aandeelhouders zijn. De financiën zijn gezond.

In La Coruña heerst Depormania, een vorm van voetbalkoorts die gepaard gaat met blauw-witte uitslag op kleding en gezichten en een enorme interesse voor alles wat te maken heeft met het wel en wee van de Superdepor. Zelfs bij mensen die zich nooit voor voetbal hebben geïnteresseerd. “Onze stad is nu bekend in heel Europa”, hoor je in iedere winkel en in ieder café.

Het succes heeft ook problemen met zich meegebracht. Deportivo speelt in het stadion Riazor, dat sfeervol gelegen is op nog geen tweehonderd meter van het strand en van de Atlantische Oceaan. Het ruikt er zilt en het is veel te klein. De club wil een uitbreiding met zeker achtduizend overdekte zitplaatsen. Maar het stadion is onderdeel van een gemeentelijk sportcomplex en de burgemeester voelt er niets voor om die uitbreiding te betalen.

Hoewel de eerste burger een enthousiast supporter is, weigert hij om plaats te nemen in de ereloge. Hij betaalt liever voor een anonieme plaats in het publiek. Volgens Montiel antwoordt hij zelfs niet op de brieven van het bestuur en keert hij zich af als iemand het woord tot hem richt.

Achtergrond van deze curieuze gang van zaken is een persoonlijke vete tussen burgemeester Francisco Vazquez en voorzitter Lendoiro. De twee hebben bij elkaar op school gezeten en zijn bevriend geweest, maar houden er heel verschillende politieke opvattingen op na. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen stelde Lendoiro zich kandidaat voor het burgemeesterschap namens de conservatieve Partido Popular en trok hard van leer tegen de socialist Vazquez. Dat heeft de burgemeester hem ook na zijn herverkiezing niet vergeven.

Wil de voorzitter nu via de club zijn aanzien verhogen om opnieuw een gooi naar het ambt te doen? Zijn secretaris denkt van niet. “Lendoiro heeft er zijn buik van vol. Vazquez is bovendien heel populair. En het volk, dat wijs is, weet als het er op aan komt heel goed onderscheid te maken tussen het voetbal en de politiek.”

De komst van AC Milan moest gisteravond een voorlopig hoogtepunt worden in de euforie van de laatste maanden. Sommige Coruñezen waren er zelfs van overtuigd dat hun elftal de wedstrijd tegen de in eigen land ongeslagen Italianen zou kunnen winnen. Maar ze verloren, met 1-0. De trouwe supporters hadden gratis toegang, want het bestuur besloot de ontmoeting niet te beschouwen als de zoveelste financiële meevaller maar als een “hommage aan de supporter” die in het verleden steeds zo zwaar heeft moeten lijden.

    • H.M. van den Brink