In ieder van ons schuilt een sombere Fin; De aarzelende anti-rock van The Nits

De Nederlandse popgroep The Nits zingt in het Engels over Nescio, maar ook over een Bauhaus-stoel of over het Venetië van Don't look now. Dat levert ze van sommigen het verwijt op dat ze te intellectueel zijn, te hoog opgeleid, dat ze "Rietveldpop' maken. Maar hun melodieuze composities worden in heel Europa op prijs gesteld. “Wij streven naar een vriendelijk en zacht, bijna aarzelend geluid. Voor mij heeft dat aarzelen iets heel Europees,” zegt zanger en componist Henk Hofstede.

De cd's van The Nits, waaronder Ting, zijn uitgebracht door Sony Music. De komende weken treedt de groep op in het Muziekcentrum in Enschede (za 14 nov), Brussel (ma 23 nov), Parijs (wo 25 nov) en het Muziektheater in Amsterdam (27 nov).

“We spelen in twee soorten zalen” zei de manager van The Nits, toen ik hem vroeg wanneer ik het best een concert van de groep kon bijwonen. “Zitzalen in het theatercircuit, waar het publiek keurig op zijn plaats moet blijven, en clubs of jongerencentra waar met een beetje geluk zelfs gedanst kan worden.”

De Leidse Schouwburg, een klassieke bonbondoos met veel pluche en weinig beenruimte, is duidelijk een zitzaal. De acht reusachtige schemerlampen die The Nits als decor hebben meegenomen, versterken de indruk van een knusse huiskamer. Het publiek bestaat voornamelijk uit twintigers en dertigers, onder wie veel abonnementhouders van de Schouwburg; men applaudisseert enthousiast, maar beweegt nauwelijks. Pas aan het einde van het tweeëneenhalf uur durende concert, wanneer de grootste hits van The Nits als toegiften door de zaal schallen, staan sommigen voorzichtig uit hun stoelen op om mee te deinen.

Een optreden van The Nits, hoe swingend ook, heeft niets weg van een rockconcert: de musici beginnen precies op tijd, komen op in hun dagelijkse, onmodieuze kloffie, en hoeven de gillende fans niet van hun lijf te houden. Maar The Nits maken dan ook geen rock 'n' roll; op hun laatste cd Ting worden aanstekelijke en verstilde popsongs afgewisseld door bijna klassieke stukken waarin de toon wordt gezet door piano en synthesizer in plaats van gitaar en bas. "Satie for kids', maar zonder dat het ooit kitscherig wordt.

“Wij zijn nooit trendy geweest”, zegt zanger-componist Henk Hofstede (41), die samen met toetsenist Robert-Jan Stips en slagwerker Rob Kloet The Nits vormt. “Toen we in de jaren zeventig met The Nits begonnen, was de symfonische rock in Nederland de heersende stroming. Alle bandjes imiteerden Pink Floyd en Yes, maar wij wilden juist zo sober mogelijk zijn. Het Mondriaan-gevoel, daar streefden we naar, minimale popmuziek zonder vetrandjes; eenvoud van de hoes tot en met de groef. Na onze eerste lp's werden we wat minder streng, maar met onze tijd gingen we niet mee. In 1978 waren al onze collega's van de symfonische rock plotseling op de punk overgegaan; wij bleven gewoon hetzelfde spelen. Niet iedereen was daar op ingesteld, merkten we bij popfestivals. Dan stonden we stijfjes in bandplooibroeken en rode overhemden op het podium, en werden we bespuugd door een publiek dat was gekomen om te pogoën.”

Uitvreter

Sinds 1978 maakten The Nits twaalf platen en een live-cd. Er zitten mislukte experimenten tussen, zoals het zielloze album New Flat en het enigszins saaie Adieu Sweet Bahnhof; maar ook albums die behoren tot de hoogtepunten van de Nederlandse popmuziek. Omsk (met de bescheiden hitsingle "Nescio') en In The Dutch Mountains (waarmee The Nits in 1987 doorbraken naar een groot publiek) zijn het bekendst; nog mooier zijn Kilo (1983) en Hat (1988), mini-lp's waarvan niet alleen de heldere en geheimzinnige melodieën opvallen, maar ook de onalledaagse teksten. Hofstede zingt even gemakkelijk over de avonturen van Nescio's uitvreter na diens sprong van de Waalbrug, als over Henry Moore of de Spaanse burgeroorlog. De ik-figuur van zijn liedjes denkt met weemoed terug aan zijn jongensdagen bij een Amsterdamse voetbalclub, bezoekt het Venetië van Don't Look Now, en schaamt zich er niet voor om tegen een oude liefde te zeggen dat hij na al die jaren vooral haar Bauhaus-stoel mist.

De anti-rock van The Nits en de intellectuele teksten van Hofstede hebben de groep succes gebracht - in binnen- en buitenland. Sinds het begin van de jaren tachtig kunnen ze leven van hun muziek; de winst van platen wordt grotendeels geïnvesteerd in de groep. Van hun dubbele live-cd Urk (1989) werden in Nederland meer dan honderdduizend exemplaren verkocht; hun laatste plaat ligt overal op het Europese continent in de winkels, en de aan Ting verbonden tournee voert de komende maanden naar België, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en zelfs Finland.

Toch is de vaderlandse popkritiek niet echt trots op The Nits. Hun muziek is te bedacht, komt zo weinig uit het hart, luidt de klacht. "Rietveldpop' wordt het smalend genoemd, niet wegens de klare lijn van de composities, maar omdat de oprichters van de groep ooit een MO-opleiding tekenen volgden aan de Amsterdamse Rietveld Academie. The Nits hebben niet wat een goede popgroep volgens de critici moet hebben: street credibility, de geloofwaardigheid van de straat. Ze zijn domweg te braaf.

“Laat ze ons maar braaf vinden”, zegt Henk Hofstede wanneer ik hem een week na het Leidse optreden vraag of hij zich stoort aan de kritiek.

We spreken elkaar in De Werf, zoals het hoofdkwartier van The Nits officieel heet. Het is een voormalige gymzaal in het verre westen van Amsterdam die deels verbouwd is tot opnamestudio, en bovendien fungeert als oefenruimte, pakhuis, werkplaats en archief. Hofstede - met zijn rode haar en lachend gezicht een beetje de Dik Trom van Sloterdijk - verontschuldigt zich voor de rommel. Uitgeladen concertapparatuur verspert de trap naar de regelkamer, muizen lopen door het aangebouwde keukentje, her en der liggen (oude) decorstukken. Door de muren heen klinkt af en toe het geluid van de trambaan of de autosnelweg. “Misschien dat we daar over een paar jaar vanaf zijn”, vertelt Hofstede. “De gemeente wil De Werf slopen en de buurtbewoners willen hier een groenvoorziening. Wij hebben nu een voorstel ingediend om het gebouw met aarde en gras te bedekken, zodat we in die gigantische molshoop des te rustiger kunnen oefenen. Er wordt druk op het plan gestudeerd.”

Onhandig

In De Werf wordt sinds 1980 het specifieke geluid van The Nits bepaald. De groep experimenteert en improviseert, maakt proefopnames van de nieuwe nummers, en neemt soms delen van een nieuwe plaat in één keer live op. “Heel veel mensen denken dat wij perfectionisten zijn”, zegt Hofstede, die naast zanger ook gitarist van The Nits is; “dat we net zo lang doorgaan totdat ieder nootje er goed opstaat. Natuurlijk, er is precisie in de band, maar we zijn aan de andere kant heel onhandig. Onze manier van muziek opnemen is niet, zoals bij veel andere popgroepen die de studio ingaan, "Amerikaans'. Wij zijn niet zo zelfverzekerd, zo agressief; wij streven naar een vriendelijk en zacht, bijna aarzelend geluid. Voor mij heeft dat aarzelen iets heel Europees.”

Jullie fans zitten op het continent, niet in Engeland en Amerika. Zijn The Nits een typisch Europese popgroep?

“Ik zou nog steeds niet weten wat voor groep we eigenlijk zijn. Maar ik heb inderdaad nooit de lange Amerikaanse wegen als ideaal voor me gezien; veel meer het Bauhaus, met zijn verbinding van kunst en technologie, en de Europese muziektraditie. Ik ben op zoek naar de wereld van voor de rock 'n' roll. Mijn wortels zijn niet de blues, maar Franse chansons en de werken van modern-klassieke componisten.”

Was dat de muziek waarmee je bent opgegroeid?

“Absoluut niet. De eerste muziek die ik me kan herinneren was operette; mijn hele familie was lid van een operettevereniging, en het was ook daar dat ik als zanger mijn debuut maakte. Daarna kwam de rock 'n' roll in Nederland; ik was gek van de Beatles, maar wat nog meer indruk maakte waren de artiesten die in onze buurt oefenden. Amsterdam-Oost, of liever de Watergraafsmeer, leek in het begin van de jaren zestig het centrum van de Nederlandse popmuziek. ZZ en de Maskers, Ria Valk, The Lords, Rob van rijschool De Nijs - allemaal repeteerden ze in de ruimte waar ook de fanfare speelde. Ze hadden goudkleurige microfoons en blitse broeken met smalle pijpen, dat sprak me aan. Ik besloot om gitaar te gaan spelen, want ik wilde ook in een bandje.”

The Nits zijn Engelstalig. Heb je nooit zoals Ria Valk en Rob de Nijs in het Nederlands willen zingen?

“Toen ik me in mijn studietijd serieus op de muziek stortte, zocht ik bewust geen aansluiting bij de Nederlandstalige traditie, een traditie die toch vooral gestoeld is op Duitse schlagers. Ik wilde muziek maken zoals de Beatles. In het begin van de jaren tachtig, toen Doe Maar veel succes had met nummers als "Sinds een dag of twee' en "De Bom', werd het voor veel groepen een must om in het Nederlands te zingen. Wij waren op dat moment al populair in het buitenland, dus dat hoefde voor ons niet zo nodig. Ik vind het prettig om ook in Finland of Griekenland gemakkelijk over mijn teksten te kunnen praten. Bovendien is de Engelse taal veel muzikaler dan de Nederlandse. Nederlands scheurt, en is allesbehalve zacht of mooi.”

Hoe komt het dat jullie zo geliefd zijn in landen die de meeste westerse popartiesten links laten liggen?

“De populariteit in het buitenland is ons niet komen aanwaaien; we hebben er alles aan gedaan om onze muziek te exporteren naar landen die ons interesseerden. Neem Finland. Voordat onze platen daar begonnen te lopen, hebben we eindeloze tournees moeten maken, en optredens gedaan in de kleinste en koudste plaatsen. Maar het is natuurlijk niet alleen een kwestie van hard werken. Waarschijnlijk spreekt juist in Noord-Europa het on-Amerikaanse, het strakke van onze muziek aan. We mogen dan sinds Omsk minder streng en sober zijn geworden, en onze composities weelderiger en warmer - The Nits hebben nog steeds de melancholie van het noorden. In ieder van ons schuilt een sombere Fin.”

Maar op In The Dutch Mountains bleken The Nits ook vrolijke muziek te kunnen maken.

“Wij maken eigenlijk nooit vrolijke muziek. Vrolijke muziek is verdacht. Maar daarom hoeft het niet altijd zwaar en melancholiek te klinken. Het is voor mij een uitdaging om in verschillende rollen te zingen: de lage registers van mijn stem gebruik ik voor de zwaarmoedige Leonard Cohen-achtige sukkelaars, de hoge zijn voor de wat meer onbekommerde types.”

In The Dutch Mountains en Hat zijn persoonlijke platen, met veel jeugdherinneringen. Op Ting zijn de teksten veel minder toegankelijk.

“Hoe gek het ook mag klinken, Ting gaat over het landschap van Amerika: over huizen, rivieren en brede vlaktes, over de kijkdozen van de Newyorkse kunstenaar Joseph Cornell, en over de Greyhound-bussen. De bus is een heel poëtisch vervoermiddel. Hij brengt je naar de stilste plekken, over de langste wegen.

“Ting heeft geen duidelijke verhalenverteller, zoals In The Dutch Mountains. De zanger is niet de centrale figuur, de liedjes zijn geen zelfportret van Henk Hofstede. Tegelijkertijd kan ik me voorstellen dat de teksten duidelijker voor mezelf zijn dan voor de luisteraar. Dat mag je een zorgelijke ontwikkeling noemen, maar het is het directe gevolg van de manier waarop mijn teksten tegenwoordig tot stand komen. Ik ben gewend geraakt om bij het inzingen van mijn zangpartijen te improviseren op basis van een paar notities. Het geeft niet als dat songteksten oplevert die het strenge oog van de poëziecriticus niet kunnen verdragen. Zelfs onzin is toegestaan. Sinds Dada is het geen wet dat je echte woorden moet zingen.”

The Nits trekken volle zalen en verkopen platen van Rusland tot Oostenrijk. Wat is er nog te wensen over? De eerste plaats op de Billboard top 100?

“Ik moet er niet aan denken. Een nummer-eenhit levert volle vliegvelden op, en wachtkamers bij de tv-studio. Daar gaan bands aan kapot, kijk maar naar wat er met Shocking Blue gebeurd is nadat "Venus' nummer 1 in Amerika werd. Nee, wij hoeven niet per se commercieel groot te zijn. Het zou mij de meeste voldoening geven als we op onze tournee de hele wereld konden rondreizen. Pas als we in de theaters van Tokio en Reykjavik staan, heb ik mijn doel bereikt.”