Ik vertrouw op Ibsen; Regisseur Lidwien Roothaan en de grote zaal

Regisseur Lidwien Roothaan heeft een zwak voor het relatief onbekende en "kleine': ze werkte in een kleine zaal met een klein gezelschap waarmee ze lang vergeten stukken uitvoerde die dan onverwacht geestig en heel succesvol bleken te zijn. Volgende week gaat haar enscenering van Henrik Ibsens "De vrouw van de zee' in première: bij het grote gezelschap Toneelgroep Amsterdam in de grote zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Maar totaal veranderd is Roothaan toch niet: “Dit stuk van Ibsen schijnt zo ongeveer zijn slechtste te zijn,” zegt ze. “Het komt vast wel goed.”

De vrouw van de zee van Henrik Ibsen door Toneelgroep Amsterdam. Première 18 november, stadsschouwburg, Amsterdam.

“Ik zou mijn eigen regies moeiteloos herkennen” zegt Lidwien Roothaan, halverwege het gesprek. Vlak ervoor heeft ze uiteengezet hoe belangrijk de bijdrage van de acteurs is in haar ensceneringen, met de ene hoofdrolbezetting ziet een voorstelling er "totaal anders' uit dan met de andere. De ene acteur kan "goed kwaad' worden, de andere kan beter een andere kant van zijn personage exploiteren. Maar dergelijke toevalligheden staan de herkenbaarheid van haar werk niet in de weg. Waar die dan uit bestaat? Ze blijkt het antwoord al eerder gegeven te hebben, sprekend over het beeld dat haar van Ibsens De vrouw van de zee voor ogen zweeft: “De essentie neerzetten en niets dan dat. De acteurs overhalen of dwingen zich tot de kern te beperken. In dit geval moeten ze trouwens wel. Dit stuk biedt geen ontsnappingsmogelijkheden.”

Roothaan (40) zit er een week voor de première ontspannen bij. Na meer dan tien jaar regisseren maakt zij met Ibsens stuk een nieuwe start: het is de eerste voorstelling die zij voor Toneelgroep Amsterdam maakt als lid van de artistieke staf en zij regisseert voor de eerste keer voor de grote zaal, van de Stadsschouwburg. Maar van het gevoel met dat laatste een mijlpaal in haar carrière te hebben bereikt, heeft ze geen last. “Misschien kom ik er achter als we volgende week in het decor repeteren, maar vooralsnog zie ik geen enkel verschil. Het is, denk ik, een louter technisch probleem. Je hoort altijd dat een acteur op een groot podium alvorens te spreken even de aandacht moet trekken met een gebaar of een pas, anders duurt het te lang voor het publiek in de gaten heeft wie er aan het woord is. En tekstscènes moeten zich bij voorkeur op het voortoneel afspelen, dat vind ik althans zelf altijd prettig. Zoiets. Ik werk met ervaren acteurs. Het komt vast wel goed.”

Als het aan Gerardjan Rijnders, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, gelegen had, was de nieuwe fase in Roothaans ontwikkeling al eerder aangebroken. Maar zij wilde het zelf anders. Vier jaar geleden gaf ze er de voorkeur aan de leiding van het oudste (mime-)gezelschap van Nederland, Theatergroep Carrousel, op zich te nemen. Ze blies de op sterven na dode groep nieuw leven in, zorgde voor kassuccessen met vrijwel vergeten, maar naar bleek oergeestige stukken als Biedermann en de brandstichters van Max Frisch en Bordewijks Sumbo NV, maar regisseerde ook een gloednieuw stuk van Wanda Reisel en De vader van Strindberg. Tussendoor maakte ze ook al voorstellingen voor Toneelgroep Amsterdam, zoals De twaalf gezworenen van Reginald Rose en Roberto Zucco, het laatste stuk van Bernard-Marie Koltès. Haar afscheidsvoorstelling voor Carrousel was een ijzig-ingetogen Elektra van Sofokles.

Roothaan heeft lang blijk gegeven van een zwak voor het relatief onbekende en "kleine': vóór haar tijd bij Carrousel regisseerde ze, bij F Act, Repelsteel van Adolf Muschg en Joe Ortons Loot. En ze maakte "montage'-voorstellingen als Hesper, naar Djuna Barnes, en De Lente is onnozel, naar Flaubert. Die waren in meer dan één opzicht opvallend. “Mensen zeiden tegen me: je zou eens goeie stukken moeten gaan doen! Ik deed naar hun mening rariteiten, curiosa en daar hadden ze wel gelijk in. Misschien was het angst voor het echte, serieuze repertoire - ik weet het niet. Op Elektra is weinig af te dingen, maar dit stuk van Ibsen schijnt weer zo ongeveer zijn slechtste te zijn. De dramatische omslag voltrekt zich op één pagina en is te plotseling. Dat is inderdaad lastig maar Ibsen was een ervaren toneelschrijver dus ik vertrouw erop dat er een oplossing mogelijk is. Op de regie-opleiding bedacht ik al dat ik dit stuk ooit wilde doen.”

Winter

In De vrouw van de zee (1888) beschrijft Ibsen het problematische huwelijk tussen Ellida, de vrouw uit de titel, en de oudere huisarts Wangel. Doordat een onbekende, van zee komende man een hypnotische macht over Ellida begint uit te oefenen, komen de huwelijkse problemen aan het licht. “Uiteindelijk”, zegt Roothaan “breekt de winter weer aan en ebben de verlangens weer weg”. Het huwelijk wordt gered door Wangels inzicht dat liefde niet af te dwingen is. Hij behoudt Ellida door haar in vrijheid te laten kiezen.

Volgens Roothaan had zij het stuk "niet eerder en elders' kunnen doen. Het vereist naar haar idee een "topbezetting' die alleen Toneelgroep Amsterdam leveren kan. Marjon Brandsma speelt Ellida, Joop Admiraal Wangel en Pierre Bokma de vreemdeling.

Roothaan: “Je hebt met Ibsen zoveel in handen: het stuk verandert na iedere lezing. Je hoeft nergens oplossinkjes te bedenken of noodverbanden aan te leggen, maar daardoor is het ook genadeloos. Handeling is overbodig, het gaat om de taal, de misverstanden, de relaties. Dit is een veel minder symbolisch stuk dan bij voorbeeld Wanneer wij doden ontwaken. Ik heb het niet zo op symboliek, omdat die het publiek te weinig ruimte laat, het moet zijn eigen conclusies maar trekken en zijn eigen ideeën ontwikkelen. Het gaat erom de relaties zo extreem mogelijk, dus zo helder mogelijk, te laten zien.”

Roothaan toont zich een warm voorstander van "de zoektocht', tijdens het repeteren. “Ik heb een zo open mogelijk decor gewild en Mirjam Grote Gansey heeft dan ook een soort fjordenlandschap ontworpen, dat de acteurs weinig houvast biedt. Een decor geeft, als het goed is, een richting aan: het is een eerste bewijs dat je weet wat je met een stuk wilt. Aandacht voor de tekst, de essentie weergeven - maar die ken ik zomin als de acteurs. Die vinden we samen en vaak pas na talloze domme omwegen of je kiest na weken voor de benadering van de eerste dag. Je kunt ook niet meteen tegen acteurs zeggen, dat ze alles maar moeten weglaten. Dat demotiveert.

“Als je pas begint ben je als de dood dat het resultaat niet duidelijk jouw voorstelling is. Je bent krampachtig, bang dat de acteurs je iets afpakken. De drang alles te controleren ben ik kwijtgeraakt. Ik ben respect gaan krijgen voor acteurs en gun ze hun eigen verantwoordelijkheid. Vroeger had ik de neiging te zeggen: zo moet het en je doet het maar. Nu weet ik dat een regisseur naast andere kwaliteiten ook psychologisch inzicht moet hebben. Hij is verantwoordelijk voor een klimaat waarin acteurs iets durven te laten zien.

“Anderen floreren bij de gratie van conflicten, maar ik werk graag in harmonie. Het vreemde is alleen dat ik veel minder dan vroeger solliciteer naar vriendschap met mijn spelers. Als de gezelligheid er is, uitstekend, maar een zekere afstand heeft ook voordelen. Dat is de professionaliteit denk ik, die je je langzaam eigen maakt”.

Regelmatig verwijst Roothaan naar de ambitie zich te ontwikkelen. Het is de reden waarom ze nu voor een grote zaal werkt hoewel “de kleine zaal me nog steeds veel leuker lijkt”, het was de reden waarom ze Rijnders' aanbod uiteindelijk accepteerde. Samen met Rijnders en Titus Muizelaar vormt zij het regisserende deel van de artistieke staf. Zij noemt zichzelf een kritische eenling naast de vrienden Muizelaar en Rijnders. Voor de gewoonte van de laatste om mederegisseurs slechts beperkte tijd naast zich te dulden is zij niet bang: “Ik hoop het bijtijds te zien, zodat ik zelf kan opstappen. Ik zit niet gebakken aan deze plek. Van de grote gezelschappen is Toneelgroep Amsterdam wel het enige dat me aanspreekt. Men maakt hier geëngageerd toneel en men is niet bang voor mislukkingen - wat een voorwaarde is om eventueel mooie kunst te maken.”

Roothaans eigen engagement is er op een andere manier dan zijzelf soms zou willen. “Als ik alleen al in de Staatsliedenbuurt rondloop, zie ik ergere dingen dan ik acteurs ooit op toneel kan laten zien. Ik zou wel theater over Het Systeem of De Systemen willen maken, over het uiteenvallen van de huidige maatschappij in een onder- en bovenlaag, maar op de een of andere manier is mijn theater altijd "klein'. Ik zou niet weten hoe je als regisseur over die grote politieke thema's iets zeggen kunt zonder in agitprop te vervallen. Toneel moet sowieso geen antwoorden geven, en de goede vragen stellen maar dat lijkt me op dit niveau vooralsnog onmogelijk.”

Zoals zij in de loop der jaren ontdekt heeft dat zij “ook met serieus repertoire mijn eigen verhaal” kon vertellen, zo heeft zij de strekking van dat verhaal langzamerhand ook gedefiniëerd. Enigszins lacherig vat zij samen waar het wat haar betreft op neerkomt: “Dat iedereen almaar blijft proberen gelukkig te worden en het niemand ooit lukt.”

Glimlachend maar tegelijkertijd ernstig vervolgt ze: “Daar gaan mijn voorstellingen over, althans dat is mijn drijfveer: de tragiek van de miscommunicatie en van de moed om door te gaan en tegelijkertijd de humor daarvan. Wat me fascineert is de reusachtige, onvoorstelbare en niet kapot te krijgen energie die mensen in hun streven naar geluk steken en de absolute eenzaamheid die hoe dan ook het resultaat is. Die discrepantie tussen ideologie en moraal enerzijds en de simpele praktijk anderzijds is zowel stuitend als ontroerend. Men zegt dat idealen in deze tijd niet meer bestaan, maar ik ben ervan overtuigd dat die nooit verdwijnen. Die garanderen beweging, zoals mieren niet anders kunnen dan ingewikkelde nesten bouwen. Als straks de ozonlaag weg is - ik weet het zeker - krijgen we allemaal schubjes. Opdat we blijven doorrennen.”