Het ruikt veelal naar spruitjes (II)

Is de Nederlandse speurders- roman een typisch VVD-genre? Je zou zo denken, met auteurs als Theo Joekes, Charl Schwietert en Ferry Hoogendijk.

Het boek van de laatstgenoemde heet In het Holst van Hilversum, verzorgingscentrum van het Goois Matras. Reeds voor verschijning, lees ik op de achterflap, zijn de filmrechten aangekocht “door de bekendste Nederlandse filmproducent Rob Houwer”. Nooit meer iets van vernomen. Jammer hoor, wat zich daar, in het holst van Hilversum, allemaal afspeelt . . .

“John, laaf je aan mij. Kom, heerlijk dier . . .”, fluistert Jacqueline.

“Als aperitief ben je onweerstaanbaar”, fluistert John terug.

“En als hoofdgerecht . . .?”

“Daaraan beginnen we zo. Wil je vlees of vis?”

“In dit geval vlees.”

Ik ken trouwens geen enkele vaderlandse misdaadroman waarin op een natuurlijke ongekunstelde wijze over erotiek wordt geschreven; in thrillerschrijvend Nederland heet de geslachtsdaad onveranderlijk "het liefdesspel'. Dat wordt vervolgens, moet ik constateren, op boerenklompen bedreven. Geen kwaad woord over René Appels Persoonlijke Omstandigheden. Maar ook in dit boek is sprake van een “vlinderende zoektocht” langs het begeerde lichaam, terwijl het stiften der dameslippen leidt tot de verzuchting: “Altijd een wat pornografisch gezicht, die omhoogkomende rode staaf”.

Ik ben daar niet zo vóór.

Misschien had Dorothy Sayers wel gelijk toen zij liet weten een tegenstander van "het liefdeselement' te zijn. Zij zag liever dat "de dader voor de rechtbank en niet voor het altaar wordt gesleept'. Niemand die meer naar haar luistert, blijkens het feit dat je in vrijwel elke Nederlandstalige thriller struikelt over de zwellende tepels en de staalhard geworden herenleden.

Een uitzondering is Thomas Ross, die zo weinig mogelijk seks in zijn boeken stopt, zelfs niet de zogenaamde "functionele seks', wat dat ook moge zijn. Zijn Belgische collega Jef Geeraerts is eveneens zo verstandig geweest om ervan af te zien het onbeschrijfelijke te beschrijven. Zeker, in zijn boek De Coltmoorden komt de traditionele negerin voor met het “appelvormige kontje”, maar het enige wat zij daarmee doet is wiegelen, wat literair alleszins verdedigbaar is.

Als de Nederlandstalige thrillerschrijver zijn oeuvre enige erotische meerwaarde probeert te geven, dan gaat hij werkelijk door roeien en ruiten. Neem Gele Modder, geschreven door Geeraerts landgenoot Dirk Draulans. Ik citeer, met bezwaard gemoed: “Patrice duwde zijn vingers diep in haar vagina, lange vingers met scherpe nagels en harde ringen met steentjes, en zij voelde hoe hij haar openreet. De zwakke plek gevonden, grijnsde Patrice”.

Het loopt uiteindelijk slecht met de smeerlap af. Met kracht drijft de begeerlijke Nadya haar machete tot diep in . . .

Dit is geen boek meer, dit is een abattoir.

Trouwens, waarom wordt in Nederlandse thrillers toch zo onmatig veel gedronken? Het is, lijkt mij, een amechtige poging om het geschrevene enige sfeer mee te geven. Axel Bouts' Rosé de Provence is tot in het titelblad alcoholdoordesemd. Binnen luttele bladzijden nuttigt men een glas Glenmorangle, een Kir Royal, een Pastis, een fles Bourgogne, een fles Rosé des Maitres de Saint-Tropez, een Marc de Provence, benevens een glas rosé, een tweede glas rosé en nòg een glas rosé, want dat is "een lekker wegdrinkertje'.

Dit is geen boek meer, dit is een complete slijterij.

Soms wordt de schrijver poëtisch.

Berg je dan maar.

In René Huigens boek Dood is ook een leven zoekt Angelica haar stuifmeel. “Dat geeft me het gevoel dat ik een bloem ben die op het punt staat te ontluiken”, zegt zij.

En wat antwoordt haar moordenaar als hij aansluitend zijn wurgende handen om haar keel legt? Hij zegt: “Bloemen houden van mensen”.

Behalve veel slechte thrillerschrijvers bestaan er bovenal veel slechte uitgevers, die denken dat een boek beter wordt naarmate de auteur meer televisiebekendheid geniet.

Zo'n Wil ("Opsporing verzocht') Simon is inmiddels alweer toe aan zijn tweede misdaadroman. Het boek heet Moord in de Stopera. Helaas heeft de schrijver slechts een minimaal aantal woorden tot zijn beschikking. Lees alleen al bladzijde één. “De zwaailichten wierpen grillige lichtvlekken op de gevel van de Stopera.” “De artistenfoyer was gezellig verlicht” en “het gebouw straalde veel licht uit”, terwijl de regen onderwijl aan de “toch al sfeervolle verlichting” een extra dimensie toevoegde. Tijdens de balletvoorstelling wordt een danser vermoord. Wat te doen? Er wordt “een blik agenten opengetrokken”. Onder anderen Karel van Huizen, toevallig een balletliefhebber. Terwijl hij zich “in het dansgebeuren” verliest denkt hij verlekkerd aan het verdere verloop van de avond. “Dan zou hij Trudie helpen bij het uittrekken van haar zalmrose spulletjes.” Zijn collega Mans van der Heg valt op zijn beurt voor de Surinaamse werkster Maria. Hij biedt haar een appeltje aan. Zij kijkt er van op: “Meestal bied je mij jouw worstje aan en je weet dat ik niet van die bleke worstjes hou”. Eind goed al goed. Op de voorlaatste bladzijde valt de moordenaar te pletter. “Zijn schreeuw was ijzingwekkend.' En op de laatste bladzijde krijgt Maria van haar Mans een “lekkere, rijpe doerian”, zodat beiden, de blanke speurder en de zwarte werkster, “nou lekker samen kunnen genieten van haar tropische vrucht.” Opsporing verzocht, van de auteur, wegens verregaande viespeukerij subsidair verkrachting van de Nederlandse taal.

Hoofdschuddend leg je zo'n boek terzijde. Ja, er lopen op het ogenblik in Nederland een paar hele goede thrillerschrijvers rond. Maar vergeleken met al die anderen waren Ivans, Willy Corsari en W.H. van Eemlandt eigenlijk zo slecht nog niet.