"En wat zegtie dan?' "Juist!'

Dat is wel het vervelendste van het doodgaan van mensen: dat je met hen ook alles wat je voor hen betekende verliest. Wat de overledene in je zag, dat ben je niet meer. Wat je voor hem of haar betekende, beteken je niet meer. Zoals je met hem of haar praatte; die speciale taal is mee gestorven en je verhalen moet je in andere woorden zien kwijt te raken. Niet alleen ben je die ander kwijt, je gaat zelf ook een beetje verloren.

Neem nou Hein Donner. Met woede en weemoed stel ik me voor hoe hij aan de bar van de Kring beheerst zou zijn opgeveerd als ik naast hem was komen staan met de woorden: “Het blauwwitte vlees boven je te korte sok is weer zichtbaar!”

“Jij hebt Het Boek gelezen!” zou hij hebben gezegd; "het boek' staat voor De ontdekking van de hemel.

“En wat drinkt zo'n meisje nou?” “Geen cuba-libra, geen broodje ham met een glas melk, geen wortelsap: geef mij maar een wodka-jus.”

We zouden dan even geheimzinnig glimlachend voor ons uit hebben gestaard, afwachtend: “Wie begint?” En dan, tegelijk: “Delius staat voor Apollo! Vaak afgebeeld met lauwerkrans.”

“En die Diskos van Phaistos”, zou ik nu zeggen, “die cryptogrammen: dat zijn natuurlijk de teksten van Harry waar jij altijd mee bezig bent maar nooit...” Streng, want als Calvinisten onder elkaar wisten we dat Hein niet trots mocht zijn op het monument dat Harry voor hem had opgericht. Ik zou hem ook plagen: “Onno: die nullen kun je tegen elkaar wegstrepen, NN betekent anoniem. Niemand dus en niemand kan iedereen zijn. 't Is ook zo'n symmetrische naam, Onno; homoseksueel geneigd, weet je wel.”

Hein zou een rum-cola bestellen en over de aanschaf van een kinderwagen beginnen, - Ze hadden elkaar gevonden, dit was het moment. Wellicht zou hij nu opmerken dat Ada ook symmetrisch klinkt en dan refereren aan het kind in Twee vrouwen dat hij indertijd ook als "volstrekt autobiografisch' gekenschetst had. Nu dan twee mannen die samen een kind voortbrengen....

“Eén man: dat blijkt toch al uit de Proloog? Wij weten van meet af aan wie de vader is.”

“Wij wel.” Wie zou nu het woord "kutzwager' laten vallen? “Die stoelendans van Onno en Max op het moment dat Ada in hun leven komt: Opgestaan, plaats vergaan... Plus dat je zwanger kunt worden van een warme stoel...”

“Je weet natuurlijk...” - de aardigste wijze waarop je een ander iets kunt gaan zeggen dat hij nog niet wist -, “dat Ada in het Maleis "zijn' betekent. Alle vormen van zijn; de bahasa kent geen vervoegingen. Hein zou zich groot houden en verwijzen naar de kruidnagel op de zere kies in De aanslag: ook Indisch. “De namen in dat boek...”, zou ik dan zeggen maar hij zou me onderbreken: “waar niets nog namen heeft; daar is het paradijs.”

“Maar ook, - Hein! - kan het noemen van iemands naam een kleine liefkozing zijn.” Hij zou net doen of hij niets gehoord had. “En Weisz? De eerste Eva was maagd; alle belangrijke vrouwen zijn in het wit...”

“Dat is weer typisch zoiets waar een meisje als jij op let.”

“En die tergende manier waarop jullie schakers...”

“Ik ben geen schaker meer; ik hoor nu bij de schrijvers!”

“...die manier waarop schakers opeens een gesprek onderbreken en naar de telefooncel gaan om Beverwijk of IJsland te bellen en dan komen ze eruit en dan zeggen ze e5, en dat is dan een belangrijke zet en groot nieuws voor ingewijden. Die Max doet dat ook: M1234 of zo. Maar dat gaat tenminste over sterren: veel eeuwiger dan dat spelletje waar jij je zo ernstig mee bezig placht te houden. Mag ik nog een wodka-jus? En een rum-cola voor deze schrijver hier?”

“Puntenslijper!” Hij zou het laten klinken als een scheldwoord. “Gruwel, gruwel, gruwel: een mamuschka met een puntenslijper onder haar rokken.”

“Conrad. Seid umschlungen, Millionen, zou dat Rilke zijn?” We zouden nu trachten elkaar af te troeven. “Flaubert, meteen al!” “Nooteboom, die etalage waarin Ada een Buddhabeeld ziet en een Japanse kom.” “Hoornik: manshoog het suikerriet.” “Harry zelf, als hij in de wachtkamer van het ziekenhuis naar de televisie komt kijken wanneer De Gaulle de Assemblée Nationale voor ontbonden verklaart.” “En wat zegtie dan?” Als uit één mond: "Juist!'

Was Hein Donner ooit patiënt bij de communistische huisarts Ben Polak? Max Delius wel en de arbeider, met alpinopet, die hij op de foto in die beroemde wachtkamer zag staan komt in levende lijve terug, zijn handen enigszins geopend naast zijn heupen, op een politiek-muzikale manifestatie waar Peter Schat ook is en wie was daar eigenlijk niet? Zelfs een meelijwekkend schaap, dat doet denken aan dat Boekenbal waar een krijsend speenvarken Harry Mulisch tot stellingname wist te verleiden.

“Lubbers: met zijn puntige tanden en zijn zware, donkere baard.” “Prins Claus: zijn opengesperde ogen!”

Ik hoop dat ik zo tactvol zou zijn geweest om nu niet te gaan zinspelen op de wijze waarop hijzelf, als meneer Blits, een gerocheerde koning, in afwachting van het mat, met een zwart lapje voor zijn oog en een schaakspel binnen het bereik van zijn witte handen, in een schuinstaande rolstoel wordt weggezet in een conversatiezaal in Sancta Maria. En hoe Onno Quist teloor zal gaan als een versmelting van Van Mierlo en Lammers, maar minder succesvol. De man die zei: “Ik houd me niet zo bezig met mijn lichaam”, zal er achter komen dat "lichaam' gelijk staat aan "macht', terwijl de man die zich bezig hield met het ontcijferen van een onduidbare tekst, - “maar misschien zit het begrip de liefde alleen maar in de weg”- tenslotte toegeeft: “Ik wil niets meer te maken hebben met schrift.”

“Begrijp jij trouwens dat zinnetje over het heelal is te klein om alle inkt te bevatten? Net zo onzinnig als de laatste regel van Twee vrouwen. Volgens mij is hij hier aan het schmieren.”

“Dat gaat er om of Ada wel of niet bij hem zal blijven, hè? Als ik haar was geweest had ik nu al gedacht: wegwezen!”

“Tida ada!” Nu zouden we lachen.

“Toch een troost”, zou ik dan zeggen, “de gedachte dat alles is voorbestemd en verband houdt met elkaar. Lijnen in de hand. En dat er niets gebeurt dat niet strikt noodzakelijk is. Wil jij nog iets drinken?” Vast wel.

“Herinner jij je trouwens”, - tegen beter weten in want volgens mij was Hein daar niet bij, - “dat Marina S., intussen haar eigen unieke dood gestorven, daar aan de bar stond en zich beklaagde over het uur leven dat ze was kwijt geraakt toen ze eens naar Italië vloog? Ze wilde het terug hebben, ze stond er een beetje om te zeuren, eiste de aandacht op van heren die onder elkaar een ongetwijfeld veel belangrijker gesprek voerden. Maar ik zag dat Harry haar hoorde en erover ging nadenken. In Het beeld en de klok schrijft hij ook al over dat uur.” Hein zou zeggen dat hij het zich herinnerde en zo hoort het ook: “Ik herinner me dingen die nooit gebeurd zijn. Net als jij als je mijn boek leest”, zegt de schrijver.

Quinten en Octavia: de engelachtigheid van de een, de ongeborenheid van de ander. Bijna was ze er wel maar haar vader in spe wordt vermorzeld tussen twee stenen: een uit de hemel naar beneden geslingerd en een omhoog gestoten uit de aarde. “Hij weet ze wel aardig uit de weg te ruimen, onze schrijver”, zou Hein nu zeggen. “Met gekruiste armen!”

“Het god-zijn van de 8! Het 8-zijn van het woord mama. Die sleutels steeds, in rechthoekige ruimtes verborgen. Zoals Ada in dat bed ligt: zij is zelf een sleutel en wordt tegelijk met haar zoon opgelost in brandend licht...” Omdat alles altijd klopt - als je maar wilt!

We veroorloven ons nu om sentimenteel te worden en wat minder "slim'. “Die vrouw met dat nummer in haar arm getatoeëerd: zou dat echt Eva Weisz kunnen zijn?” Hein zou dan weer beginnen over de vrouw met "enigszins wijd uitstaand haar', die dood had moeten zijn, als jong meisje vermoord in de oorlog - De aanslag - maar die jaren later nog even aanwezig is, op de begrafenis van een verzetsheld. “Daar heb ik nooit iemand over gelezen”, zei hij dan. “Ik ben de enige die dat heeft gezien.”

“Toch heb je dat vaak”, zou ik zeggen. “dat je iemand van wie je weet dat hij dood is, in een flits heel even nog langs ziet komen. Daar is hij, denk je, terwijl je weet dat het niet waar kan zijn.”

Zo zie ik Hein Donner nog wel eens: niet in de Vreugdehof waar hij de laatste jaren van zijn leven moest vechten met dat lichaam dat hem altijd zo onverschillig was geweest. Maar lopend door de stad, een beetje voorover gebogen, met een wat moeizame gang op zijn lompe, nooit gepoetste schoenen. Ik zet hem er zijn gevlekte, juchtlederen hoed bij op, die hij afnemen kan als hij Harry Mulisch ontmoet.