Een mens ziet wat hij weet; Gesprek met de blinde fotograaf Evgen Bavcar

“Niemand kan meer in de landschappen van mijn jeugd komen”, zegt de blinde fotograaf Evgen Bavcar. “Ik heb mijn innerlijke galerieën. Ik kan niet tegen u zeggen: kom eens kijken. Maar juist daarom maak ik mijn foto's.” In Parijs is op dit moment een overzichtstentoonstelling van het werk van Bavcar te zien: stadsgezichten, nostalgische landschappen, en "vues tactiles', foto's gebaseerd op de tastzin. “Ik schrijf in braille, maar ik fotografeer ook in braille.”

Tentoonstelling: Visions, Photographies de Evcen Bavcar. FNAC, 2 Place de la Défense, Parijs. T/m 12 dec. Inl. 09-331 42726153. Daarna elders in Frankrijk. Evgen Bavcar: Le voyeur absolu. Uitg. Ed. du Seuil. 130 blz. Prijs ƒ 40,85. Evgen Bavcar: Berlin und der Wind. In: Lettre International. Heft 18. Te bestellen op Dominucstrasse 3, W-1000 Berlin 62.

In het inmiddels klassieke verhaal "De blinde fotograaf' van W.F. Hermans - opgenomen in Een Landingspoging op Newfoundland - gaat een weekbladjournalist voor de rubriek Paradoxale Persoonlijkheden op zoek naar een fotograaf die blind is. Het is een absurd verhaal, maar het interessante eraan is dat het een oorspronkelijke visie geeft op het verschijnsel fotografie. De blinde fotograaf blijkt een groot gedeelte van zijn tijd door te brengen in een donker achterhuis, en na enige verwikkelingen met zaklampen krijgt de journalist in de gaten waarom hij denkt dat hij fotograferen kan. Als jij fotografeert, heeft de blinde fotograaf tegen zijn moeder gezegd, komt dat op hetzelfde neer als dat ik het doe. Jij kunt immers evenmin vertellen wat er op de foto's staat die je hebt gemaakt. Net als iedereen moet jij wachten tot de foto ontwikkeld is en afgedrukt. Het fotograferen, zo blijkt, is voor de blinde alles behalve een spelletje. Het is de enige manier waarop hij zonder hulp van anderen beelden kan laten zien.

Toen ik deze zomer de geschiedenis van de Sloveen Evgen Bavcar hoorde, moest ik onvermijdelijk aan het verhaal van Hermans denken. De 46-jarige Bavcar is volledig blind. In 1957, toen hij elf jaar was (en Hermans zijn verhaal schreef), liep hij met zijn linkeroog tegen een boomtak op, zodat hij de wereld voortaan nog maar door één oog kon zien. Een jaar later werd ook dat goede oog onherstelbaar beschadigd. Bij het spelen in de bossen stuitte hij op een landmijn uit de Tweede Wereldoorlog. Binnen een aantal maanden zag Bavcar niets meer.

Net als de blinde in het verhaal van Hermans houdt Bavcar zich sindsdien bezig met fotografie. 's Nachts verlaat hij zijn eenkamerwoning in een achterhuis aan de Parijse Avenue General LeClerc om foto's van de stad te nemen. Of hij vraagt modellen bij hem thuis voor zijn camera te gaan zitten.

Het enige verschil met de de blinde fotograaf uit het verhaal is dat Bavcars foto's ook als foto's de aandacht trekken. De fotograaf van Hermans was al beroemd voordat iemand één foto van hem had gezien, maar Bavcar heeft met zijn werk een publiek verworven. Bij uitgeverij Le Seuil verscheen een paar maanden geleden Le voyeur absolu, een boek met foto's en teksten van de fotograaf. Het laatste nummer van het Duitse tijdschrift Lettre International werd door hem geïllustreerd. En in de tentoonstellingsruimte van de boekhandel FNAC op de Parijse Place de la Défense is sinds eind oktober een interessante overzichtstentoonstelling met werk van Bavcar te zien.

Autofocus

Bavcar neemt zijn werk als fotograaf zeer serieus. “Er zijn tegenwoordig meer blinden die fotograferen,” zegt hij als ik hem in het piepkleine keukentje van zijn huis spreek. “Sinds de ontwikkeling van de autofocus kan iedereen het eigenlijk. Maar ik ben de enige die het vak als kunstvorm beoefent.” Hij moet er niet aan denken dat hij zomaar wat zou fotograferen. Hij denkt lang na over wat hij met zijn foto's wil, en hij kan er, merk ik, uren over praten.

Nostalgie

De foto's die nu bij de FNAC zijn te zien, geven een goede indruk van zijn veelzijdigheid. Er zijn zogeheten "vues tactiles', foto's gebaseerd op de tastzin, naakten bijvoorbeeld, en details van beeldhouwwerken die hij eerst heeft afgetast. Er zijn stadsgezichten van Parijs en Berlijn, waarin hij de ervaringen verwerkt die hij heeft opgedaan tijdens zijn nachtelijke wandelingen door deze steden. Er hangen een paar portretten, en kerkinterieurs. Maar het mooiste vind ik toch de foto's die hij heeft gemaakt in zijn geboortestreek vlak bij de Oostenrijks-Sloveense grens. Op deze foto's zie je bijvoorbeeld zijn geboortehuis, met een sterk oplichtend raam, of een stukje van de weg naar de lagere school, of alleen een paar bomen. Het zijn foto's die overlopen van de nostalgie, met titels als Landschap van vroeger, Kindertijd en Beelden van vroeger.

Als ik Bavcar voor de eerste keer bezoek, kennen we elkaar alleen van de telefoon. Ik kan me geen enkel gezicht bij zijn stem voorstellen, en ik realiseer me dat hij dat zelf waarschijnlijk ook niet kan. In zijn foto's zijn soms kinderportretten verwerkt uit de tijd toen hij nog zien kon. Hij vertelt me dat dit het laatste beeld is dat hij van zichzelf heeft. “Ik heb dat gezicht nog in de spiegel gezien.” Het huis waar Bavcar woont, is in deze tijd van het jaar bijna een donkere kamer. Als er bezoek is, kan er een eenzaam lampje aan het plafond worden aangedaan, maar de indruk van een studio verdwijnt nooit. Overal langs de wanden staan rijen dozen en boeken opgeslagen. De muren zijn vettig geel, ze moeten in geen jaren geverfd zijn.

Ik ben met Bavcar in contact gekomen via vrienden die bij het Berlijnse Lettre International werken. Bavcar is de afgelopen zomer een paar maanden gastdocent geweest aan de Berlijnse kunstacademie. In die tijd heeft hij ook de foto's van Berlijn gemaakt die in het laatste nummer zijn afgedrukt. Met zijn ongebruikelijke lessen moet hij aan de academie voor de nodige opschudding hebben gezorgd. Zijn methode bestond eruit dat hij heel veel met zijn studenten wilde praten. “Ik ben waarschijnlijk de eerste blinde fotograaf die aan een kunstacademie les heeft gegeven,” zegt hij. “Mijn stelling was dat een mens alleen maar ziet wat hij weet. Het ging er dus om na te gaan wat de studenten wisten. Een van hen vroeg me de eerste keer of hij zijn fototoestel ook mee moest nemen. Ik antwoordde toen: nee, als je je hoofd maar meeneemt. Dat was natuurlijk een grapje, maar er zat een kern van waarheid in. Voor ik mijn studenten op pad stuurde, vroeg ik wat ze wilden laten zien. En als ze terug kwamen, moesten ze weer praten. Ik vroeg hun wat er volgens hen op hun film stond. Ze moesten aangeven welke foto de mooiste zou zijn, en waarom. Pas daarna mochten ze de film gaan ontwikkelen om te kijken of het klopte.”

Zintuigen

Hoewel Bavcar nu voornamelijk bekend is als fotograaf, zijn zijn teksten voor hem even belangrijk als zijn beeldend werk. Hij is een gedreven schrijver over esthetische ervaringen. Nadat hij in Llubljana in de filosofie en geschiedenis was afgestudeerd ("heel veel Marx en Engels'), kwam hij aan het begin van de jaren zeventig naar Parijs om aan de Sorbonne esthetica te studeren. Hier ontwikkelde hij zich tot een specialist op het gebied van de zintuigen. Voor de Franse radio verzorgde hij bijvoorbeeld een reeks programma's waarin hij onderzocht in hoeverre schilderijen in woorden gevangen konden worden.

Zijn uitgangspunt is dat beelden en woorden veel nauwer met elkaar verwant zijn dan men vaak denkt. Bavcar is er van overtuigd dat de verbale ondersteuning van de esthetische ervaring zeker niet alleen blinden aangaat. Ook in de cultuur van zienden ligt de oorsprong van de beeldende kunst volgens hem in woorden. “Eerst was er het woord” citeert hij de Bijbel.

“Wat zou de christelijke kunst zijn zonder woorden?” vraagt hij me als we 's avonds in een Italiaans restaurant een pizza eten. “Niemand heeft ooit de scènes uit de bijbel gezien, maar toch heeft de tekst uit dit boek duizenden kunstenaars tot grote werken genspireerd.”

Woorden zijn blind, vindt Bavcar, maar ze maken het ons mogelijk te kijken. “Alleen woorden zijn in staat een beeld op te roepen.”

Ik zeg hem dat het mij in de oren klinkt als een gelegenheidsargument. Zou hij hetzelfde beweren als hij wel kon zien maar geen gevoel voor woorden had? “U vergeet dat ik vroeger heb kunnen zien.” antwoordt hij, “zelfs beter dan de meeste mensen.” Hij heeft de indruk dat veel mensen nu niet meer weten wat kijken is, omdat ze worden doodgegooid met beelden. “Dat is het lot van de moderne wereld. De mensen zien zo veel, en zo veel clichés, dat ze niets meer kunnen opnemen. Ik hoor vaak iemand zeggen dat hij heel veel heeft gezien, maar als ik hem dan vraag wat, kan hij er niets over vertellen. Het verhaal gaat verloren door het beeld.”

Doordat Bavcar eerst heeft kunnen zien en daarna blind is geworden, heeft hij het gevoel dat hij beter dan veel anderen weet wat beelden zijn. Hij herinnert me eraan dat hij zijn gezichtsvermogen niet van de ene dag op de andere is kwijtgeraakt. In Le voyeur absolu heeft hij beschreven hoe hij de laatste maanden van zijn ziende leven alles nauwlettend in zich opgenomen heeft, "alsof ik heel lang afscheid nam van het licht'. Hij schrijft: "Zo heb ik alle tijd gehad om de dierbaarste voorwerpen te vangen, beelden van boeken, kleuren, hemelverschijnselen, om ze mee te nemen op een reis zonder terugkeer.'

Galerieën

“Niemand kan meer in de landschappen van mijn jeugd komen”, zegt Bavcar terwijl we laat in de avond door de Rue Daguerre lopen, “maar met mijn foto's kan ik zeggen: dat hebben mijn ogen gezien. Ik heb mijn innerlijke galerieën. Ik kan niet tegen u zeggen: kom eens kijken. Maar juist daarom maak ik mijn foto's.”

De woorden en de beelden die in zijn boek zijn opgenomen hebben volgens Bavcar dezelfde functie. “Ze roepen een wereld op zoals ik die ervaar.” Hij vindt het dan ook jammer dat de meeste artikelen over het boek zich op de foto's richten. “Ik denk mijn foto's.” zegt hij. En even later: “Ik schrijf in braille, maar ik fotografeer ook in braille.”

Over de techniek van dit "fotograferen in braille' wil hij aanvankelijk weinig loslaten. Dat is zijn beroepsgeheim. Na verschillende gesprekken kan echter wel ongeveer vermoed worden hoe hij te werk gaat. Vaak gaat hij 's nachts naar een plaats die hij van te voren heeft bedacht. Hij kent deze plaats, hij weet wat er ongeveer te zien is. Daar stelt hij dan zijn camera op. Hij gebruikt zeer lange sluitertijden, tot ongeveer een half uur, en in die tijd licht hij de details uit die hij belangrijk vindt. Met een zaklamp schijnt hij op de onderdelen die op de foto moeten komen. Op deze manier kan hij in belangrijke mate bepalen wat er wordt vastgelegd. Hij noemt de plaatsen waar hij aan het werk gaat zijn "oneindige donkere kamer'. Wat andere fotografen bij het afdrukken doen, doet hij al bij het opnemen van de foto. “Ik heb de camera obscura verdubbeld.”

De kracht die van zijn foto's uitgaat, ontstaat volgens Bavcar omdat hij bij het uitlichten van voorwerpen zo veel mogelijk zijn gevoel probeert te volgen. “Toen ik in mijn geboortedorp in Slovenië foto's maakte,” vertelt hij, “heb ik bijvoorbeeld de bomen die ik me van vroeger herinnerde langdurig belicht, op de zelfde manier als ik ze in mijn hoofd bedacht.” Op deze manier heeft Bavcar, zo denkt hij, zijn herinneringen in beeld gebracht. “Ik ga te werk als het geheugen. Ook in ons verleden is het donker, tot we met onze herinnering licht op iets werpen. Als we het daarna weer vergeten, komen de zwarte landschappen weer terug.”

Als Bavcar foto's maakt van plaatsen die hij niet uit zijn jeugd kent, probeert hij zich daar zo goed mogelijk een indruk van te vormen. Hij leest over die plaatsen, hij snuift de lucht op, hoort de straatgeluiden aan, of bedient zich van de tast. In Lettre International beschrijft hij hoe hij als blinde de stad Berlijn heeft ervaren. Hij noemt de geuren die hem daar zijn opgevallen, de wind, en de houding van de mensen die hij heeft ontmoet.''

De reden dat Bavcar zijn portretten bij voorkeur in het donker maakt, is dat modellen volgens hem in het donker anders kijken. Ze zijn er zich dan extra van bewust dat ze niet gezien worden. “Als ik als blinde een vrouw fotografeer, kijkt ze toch al anders dan wanneer een ziende dit zou doen. Bij een blinde fotograaf kijkt het model als het ware in een spiegel. Als ze wil weten of ze mooi is, heeft ze, net als Assepoester, alleen haar eigen oordeel om op af te gaan. Ze is daardoor vrijer om zich niet naar het cliché te gedragen. Er zit geen sluier meer voor haar gezicht.”

Geboortedorp

Veel van Bavcars foto's en teksten stralen een weemoedige, kinderlijke sfeer uit. Hij denkt dat dit te maken heeft met het tijdstip waarop hij blind werd. Voordat op zijn twaalfde jaar voorgoed de duisternis intrad zwierf hij dagelijks in de omgeving van zijn Sloveense geboortedorp Lokavec. Alles wat hij zich aan beelden herinnert, is verbonden met zijn kindertijd.

Dat gevoel is nog versterkt doordat deze fase van de ene dag op de andere ophield. Na zijn ongeluk werd Bavcar in één keer gedwongen het leven van een volwassene te leiden. Hij bracht veel tijd door in ziekenhuizen en van zijn twaalfde tot zijn zeventiende jaar zat hij op een blindeninstituut in Llubljana. Het instituut bezorgt hem nog steeds nachtmerries. Hij had het voor zijn huidige leven niet kunnen missen, hij werd hier getraind tot de aangepaste blinde die hij nu is, maar “het deed denken aan een voorfase voor de dood. We leefden als soldaten, in een voordurende strijd om het bestaan. Mijn jeugd is me daar afgenomen.”

Het was op dit blindeninstituut dat hij zijn eerste foto's maakte en zijn eerste teksten schreef - liefdesbrieven op verzoek van klasgenootjes.

Een bijzonder pijnlijke herinnering is de brief die hij in die tijd uit naam van een vriendje schreef aan een meisje dat met haar klas het instituut had bezocht. De brief werd aanleiding tot een kleine rel. “Het doel van dergelijke bezoekjes was om ons een beetje uit ons isolement te halen. Maar het was niet de bedoeling dat er banden ontstonden tussen zienden en niet zienden. Het moest platonisch blijven.” Op een dag stond de vader van het meisje woedend bij de directeur. Welke blinde had het in zijn hoofd gehaald zijn dochter en liefdesbrief te schrijven?

Bavcar vergelijkt de afkeer van blinden in die tijd met racisme. “We werden grootgebracht in een getto. Wij wilden leven als anderen, contacten hebben met zienden, maar zodra die tot stand kwamen werd er ingegrepen.”

Evgen Bavcar beseft dat hij niet de eerste blinde schrijver of fotograaf is, maar hij heeft wel de indruk dat hij één van de eersten is die de ervaringswereld van een blinde proberen weer te geven. Hij kent de namen van grote blinde schrijvers, zoals Borges en Milton, maar zij schreven volgens hem over andere onderwerpen. Zij werden meestal ook pas blind toen zij hun onderwerp al gevonden hadden.

Bavcar: “Het is belangrijk dat blinden zelf over hun ervaringen schrijven. Die ervaringen heb je nodig om te weten wat het is. Het is ook belangrijk dat blinden niet klakkeloos de terminologie van zienden overnemen. Als een blinde zegt: dit huis is mooi, wat is dat mooi dan? Dat probeer ik weer te geven.”

De ziende schrijvers die zich tot nu toe aan het onderwerp hebben gewaagd, geven Bavcar meestal een reden tot ergernis. “Zienden hebben de neiging blinden als exotisch voor te stellen. Voor deze schrijvers is het blind zijn een literaire uitdrukking voor iets anders. Zij hebben vaak een heel magisch idee van ons. Voor ziende schrijvers zijn blinden mensen die onder de aarde leven, of die een sekte vormen, of betrokken zijn bij samenzweringen. Blinden hebben in de literatuur vaak iets duivels gekregen. Ze zijn het vuilnisvat voor slechte gevoelens.”

Fantasieën

Ook de vorig jaar aan aids overleden schijver Hervé Guibert, met wie Bavcar goed bevriend was, wist kennelijk niet goed raad met het onderwerp. Bavcar verwijst naar een roman van hem waarin alleen maar exotische blinden voorkwamen. “Dat zijn geen echte blinden, maar fantasieën van iemand die zelf kan zien.” Toen Guibert een keer bij hem was, in zijn keukentje, heeft Bavcar hem op de man af gevraagd gevraagd waarom hij zoiets deed. “Hij heeft toen toegegeven dat hij door blinden erotisch geprovoceerd werd. Hij kon naar hen kijken, zonder dat ze hem zagen. Het prikkelde hem.”

Bavcar wil andere schrijvers hun visie niet betwisten. “Het is een product van hun fantasie, dat mag, zolang het maar niet onwaardig is. Maar het bevalt me niet dat er zoveel fantasieën worden geschreven over blinden, zonder dat er ooit iemand vraagt wat daarmee wordt bedoeld.”

Zonder dat ik er over begonnen was, had Bavcar me tijdens ons eerste telefoongesprek verteld dat er een Nederlandse schrijver moest zijn die een verhaal heeft geschreven over een blinde fotograaf. Hij heeft het verhaal niet gelezen, maar hij kent het van horen zeggen. Als ik in Parijs ben, begint hij er weer over. Is het niet mogelijk de Nederlander een keer ontmoeten? Hij zou graag een portret van hem maken. De laatste jaren is er meer aandacht gekomen voor blinde fotografen, vertelt hij me terwijl we gearmd over een donkere Avenue Géneral LeClerc lopen; er is een Australische film over het thema, en binnenkort zendt de Duitse televisie een film over Bavcar uit. Maar Hermans was de eerste. “Hij heeft als eerste begrepen waar het om ging.”

Hermans reageert voorzichtig, als ik hem de volgende morgen opbel. Hij kan zich niet herinneren ooit van een blinde fotograaf te hebben gehoord. “Ik vind het een beetje griezelig”, bekent hij na enige aarzeling. “Zegt u hem maar dat ik een teruggetrokken leven leid.”

Ik vertel Hermans dat Bavcar me tijdens een wandeling de zaklamp heeft laten zien waarmee hij zijn nachtelijke ensceneringen belicht. Er kwam geen spatje licht uit. De batterijen waren leeg. Hermans herkent het gegeven meteen: “Dat was natuurlijk het zwarte licht!” roept hij uit.

    • Reinjan Mulder