De lotgevallen van het Leninmuseum in Krasnojarsk; Nu moet de tempel worden afgebroken

In de Siberische stad Krasnojarsk staat een van de vele Leninmusea die geheel volgens de Moskouse richtlijnen waren ingericht. Het museum moest een tempel zijn en dat was het ook toen het in 1987 werd voltooid. Na de mislukte augustuscoup in 1991 werd het Leninmuseum gesloten, nu is het weer open. Maar wat moet er dan worden tentoongesteld? “Alles wat er voor handen is, moet in het museum uitgedragen worden, van de verschillende etnografische tradities via de stalinistische geschiedenis tot de "heavy-metal' van de lokale headbangers.”

Op de derde verdieping hangt hét: Het Afscheid, een schilderij van Vladimir Sibirski. Het is ongeveer het enige originele kunstwerk uit de hele collectie van het Leninmuseum in Krasnojarsk. Maar wat voor eentje. Het is een waanzinnig doek. Het dateert uit 1991 en houdt het midden tussen naïeve schilderkunst en sociaal-realistische sotsart. Alleen al daardoor heeft het karakter. De thematiek laat bovendien ook al niets te wensen over.

In het midden ligt Lenin, opgebaard op het bed waarop hij 21 januari 1924 aan syfilis en een hele reeks infarcten is gestorven. Achter Vladimir Ilitsj staat Grigori Zinovjev. Hij kijkt aangeslagen maar ook wat dommig uit zijn ogen. Links van hem staan Lev Kamenev en Nadezjda Kroepskaja. De eerste wekt evenmin de indruk de snuggerste te zijn. Zinovjev en Kamenev zouden later dan ook de ene tactische blunder op de andere stapelen en zo uiteindelijk politiek én persoonlijk het slachtoffer worden van hun eigen revolutie. Kroepskaja is van de twee duidelijk de verstandigste. Zij heeft de hele martelgang al achter de rug.

Maar de hoofdpersoon is Nadezjda toch niet. Dat zijn Nikolaj Boecharin en Jozef Stalin. Linksonder heeft Boecharin zich op z'n knieën geworpen, zijn leren jas nog aan. Zijn handen zijn devoot gevouwen. Volgens de overlevering omdat het buiten zo koud was dat zijn handen bijna bevroren waren. Maar in de interpretatie van Sibirski wijst alles er op dat hij ze in gebed aan het opwarmen is. Rechts van Lenin staat Stalin, een paar centimeter verder van de dode verwijderd dan de vier anderen. Jozef Vissarionovitsj, gekleed in een uniform, is duidelijk met andere dingen bezig dan rouwen. Hij kijkt niet naar de betreurde Lenin. Hij is in eigen gedachten verzonken. Politieker geformuleerd: anders dan die enigszins huilerige kameraden aan de overzijde van de baar is hij nu reeds met de toekomst in de weer.

Er dringt zich hier op de derde verdieping van het Leninmuseum in Krasnojarsk een onvermijdelijke analogie op. Het moge in onze ogen blasfemie zijn, maar wie in plaats van Lenin de Here Jezus voor zich ziet, voor Boecharin de apostel Johannes denkt, voor Kroepskaja een vrouw als Maria Magdalena en voor Stalin de kerkelijke secretaris-generaal Petrus - als Judas heeft Simbirksi hem in ieder geval niet durven afbeelden - die begrijpt ineens veel beter wat in abstracto al vaker is gezegd en geschreven. Dit is niet zomaar een museum dat is gewijd aan de vader van de sovjet-macht, zo u wilt aan de architect van een totalitair systeem. Nee, hier wordt een evangelie uitgedragen.

Het begint al bij de ingang van het in roodbruin Kirgizisch steen opgetrokken gebouw aan de oevers van de Jenisej. Een levensgroot beeld van Lenin, voorwaarts met simpele boeren en arbeiders, marcheert je in zestienduizend kilo brons tegemoet. Dat is slechts een voorproefje. In de koepelzaal op de tweede etage wordt het allemaal pas echt duidelijk. Precies in het midden van deze als basiliek geconstrueerde ruimte is, temidden van fresco's, een eveneens roodbruin granieten doopvont opgericht. Een zorgvuldig gepoetste koperen plaquette glimt: "Vladimir Ilitsj Lenin, geboren op 22 april 1870'. Hierna kunnen leven en werk van de verlosser beginnen. Eerst in Simbirsk, het Bethlehem van het bolsjewisme waar de jonge "genius' ooit lessen volgde op het gymnasium waarvan de vader van Aleksandr Kerenski rector was. De weg naar de verdiepingen omhoog voert verder langs zijn denken en doen, met als mythische hoogtepunten: de ballingschap en het wederkeren. In het kleine mini-panorama van Sjoesjenskojo, het dorp enige honderden kilometers ten zuiden van Krasnojarsk waar Lenin tussen mei 1897 en januari 1890 in ballingschap heeft geleefd, met Nadja trouwde en ondertussen ook nog eens zijn De ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland schreef, wordt het leven als een hedendaagse kerststal voorgesteld. Via een geluidsinstallatie waait er zelfs een gure wind door de vlakte, afgewisseld met sneeuw, dreigende Siberische nachten en heroïsch commentaar van een serieuze stem. Zijn terugkeer in Petrograd in april 1917 roept herinneringen op aan de thuiskomst van Jezus in Jeruzalem. De panelen, waarachter de foto's en documenten hangen, hebben de vorm van orthodoxe kruisen aangenomen. “Dit museum diende als een tempel te zijn”, aldus Marina Nikitina, medewerkster op de grafische afdeling. Dat is gelukt. Maar nu moet de tempel worden afgebroken. Dat nu is een opgave waaraan de andere medewerkers van het museum zich aan het vertillen zijn. Het is ook niet niets wat ze de afgelopen jaren hebben doorgemaakt.

Sterke arm

Het Leninmuseum in Krasnojarsk is een der laatsten in de serie seculiere kathedralen die reikt van Moskou tot Oelan Bator. In Krasnojarsk werd in 1980 tot de bouw besloten. Dankzij de energieke partijsecretaris Pavel Fjedisko kon het een succes worden. “Die man had nog eens een sterke arm. Hij schaamde zich tenminste niet, ook al wordt er nu op hem afgegeven”, aldus architect Areg Demirchanov, de bouwmeester van de hele Krasnojarskij Kraj, een "grensgebied' letterlijk in het hart van Rusland dat zich uitstrekt van de 52ste breedtegraad (Delft) tot diep in de poolcirkel. Onder Fjedisko's dictatoriale leiding moesten maar liefst 37 fabrieken in de buurt aan het prestige-object meewerken. Zeven jaar en acht miljoen roebel later was het gebouw af.

De inrichting van het museum werd daarna uiteraard conform de centrale richtlijnen voltooid. De musea in naam van V.I. Lenin mochten nooit meer zijn dan filialen van het centrale Leninmuseum in Moskou. De expositieschema's, de teksten, de duplicaten van de relikwieën, alles kwam uit Moskou. Eigen initiatief was niet geoorloofd. Het was zelfs toegewijde kunstenaars van de Schildersbond niet toegestaan om Lenin ongevraagd af te beelden. Dat kon alleen worden toevertrouwd aan een select clubje uitverkoren leden van deze cultuurkamer. Het enige waarmee het museum in Krasnojarsk zich naast Het Afscheid kon onderscheiden van het centrale Leninmuseum was de De heilige Nikolaas, de boot waarmee Vladimir Ilitsj in 1897 via de Jenisej naar Sjoesjenskojo werd verscheept. Die ligt nu op een speciaal gebouwd droogdok, pal voor de hoofdingang van het museum, voor anker.

Hoewel de staf het museum had opgezet volgens het dogma dat "de geschiedenis van het land via de geschiedenis van de partij moest worden beschreven', zoals historica Vera Ivanova het zegt, zagen de partijkaders in en buiten het museum de bui al snel hangen. Er was door de glasnost al gauw geen inspiratie meer. Het "collectief' wist er in de eerste vier jaar van zijn bestaan daarom vier directeuren doorheen te jagen, allemaal partijfunctionarissen die bij gebrek aan serieuzere carrièremogelijkheden door de communistische partij van Krasnojarsk in het museum waren aangesteld. Ten einde raad vroeg het lokale partijcomité in het voorjaar van 1991 Michail Sjoebkin, wel lid maar geen apparatsjik, directeur te worden. Sjoebkin, lector filosofie aan de plaatselijke universiteit waar ook de latere landelijke partijsecretaris en "putschist' Oleg Sjenin heeft gestudeerd, zei "ja'. Niet eens zozeer omdat hij graag directeur van het Leninmuseum wilde worden, maar veeleer omdat hij het privé moeilijk had. Hij woonde nog steeds met vrouw en kinderen in een obsjtsje zjitije, een soort pension als een studentenflat zonder privacy. Als hij de directeursfunctie zou aanvaarden, zou de partij voor een driekamer-appartement zorgen.

Met een gezonde dosis tegenzin en scepsis begon Sjoebkin in april 1991 aan zijn nieuwe baan. Allereerst werd de naam van het museum omgedoopt: van Leninmuseum in "cultuur-historisch centrum'. Daar bleef het echter bij. Want toen kwam de coup van 19 augustus 1991 en de zege van Jeltsin. Per oekaze verbood president Boris Jeltsin de CPSU en confisqueerde haar bezittingen. Onmiddellijk na ontvangst van het telegram uit Moskou kwam het gemeentebestuur van Krasnojarsk in actie. Dezelfde mannen die tot eind augustus nog keurig hun contributie aan de partij hadden betaald, lieten nu het Leninmuseum verzegelen. De lakzegels in de kelders, waarachter de mysterieuze Brezjnev-kunst schuil gaat, wijzen daar een jaar na dato nog altijd op. Van die driekamerwoning kwam uiteraard ook niets meer terecht.

Het museum zelf wist niettemin, na een palaver, open te blijven. De perestrojka van het wereldlijke godshuis zou doorgaan. De onvermijdelijke Afghanistan-tentoonstelling, die in nagenoeg elk museum in de hele Sovjet-Unie is te zien, werd als alibi binnengehaald. En er werd een even onontkoombare "herinneringsmuur' ingericht waarop de slachtoffers van het stalinisme herdacht kunnen worden. Twee vormen van vernieuwing die al bijna even cliché zijn geworden als de exposities over het 27ste partijcongres of de sovjet-verworvenheden voor industrie, landbouw, cultuur en gezondheidszorg die er de afgelopen jaren voor hebben moeten wijken.

Rijk

Voor het overige bleef passiviteit heersen. Waarom zou je je ook inspannen in een gebied waar de lonen nog altijd veel hoger zijn dan in het Europese deel van de natie? Een conservator in het hoge noorden van Norilsk verdient bijvoorbeeld zes keer zoveel als zijn collega in Moskou. Bovendien zijn de Leninmusea altijd geprivilegieerd geweest omdat ze niet onder het arme ministerie van cultuur ressorteerden maar onder het rijke centraal comité van de partij. Terwijl grote musea als het Poesjkin, de Hermitage, de Tretjakov-galerie of het Russisch Museum in Moskou en Sint Petersburg met de opkomst van de markteconomie alle zeilen moesten bijzetten om hun collecties op peil te houden - om nog maar te zwijgen over zoiets als het computeriseren van de niet bestaande catalogi - konden de Leninmusea tot voor kort ongestoord blijven uitvreten.

Zo ook in Krasnojarsk. Sjoebkin slaagde eigenlijk maar in één ding: de commercialisering van het gebouw. Een kamer in de kelder verhuurde hij aan de lokale democratische politieke partijen, die van daaruit nu overigens handel in sigaretten en import-kleding drijven. Aan de achterzijde trok de commerciële gallerie SibArt in het gebouw. Daar is nu kunst te koop die interessant is door haar treurigheid. Boven in het pand zit het kantoor van Ikea, van waaruit de Zweedse meubelgigant op jacht gaat naar het Siberische hout dat in eigen land niet meer zo goedkoop voorradig is. De huur is ten dele betaald in licht gelakte stoelen en tafels voor de kantine, die weliswaar een contrast vormen met de massieve architectuur, maar de enige mogelijkheid zijn voor de directie om haar personeel zittend een kopje thee te kunnen laten drinken.

Daarnaast wordt nu een "esoterische bibliotheek' ingericht. En in een van de expositieruimtes heeft de handels- en consultancyfirma MMM (hoofdsponsor van het centrale Leninmuseum in Moskou, maar vooral bekend als het bedrijf dat week in week uit in moderne stijl adverteert met een in zwart-zijden bodystocking, naadkousen, Madonna-achtige handschoentjes en pumps gestoken vermoeid ogende vrouw die smachtend moet lijken) haar waren tentoongesteld, variërend van schootcomputers tot snoepgoed.

Het zijn allemaal noodzakelijke maatregelen, omdat zes procent van de begroting van twintig miljoen roebel opgaat aan onderhoud en de toekomst van de subsidies niet zeker is aangezien de stad Krasnojarsk voor negentig procent afhankelijk is van de afdrachten der staatsmijnen in Norilsk, een gebied waar nu ook separatistische tendensen de kop opsteken. Maar zo kan het natuurlijk niet doorgaan, temeer omdat de andere musea in Krasnojarsk steeds nadrukkelijker blijk geven van hun belangstelling voor het gebouw. In het kielzog van Jeltsins democratisering hopen de collega's zich namelijk van het bolwerk aan de Jenisej meester te kunnen maken, de directeur van het districtsmuseum voorop, die van Sjoebkins gebouw een "natuurwetenschappelijk' museum wil maken. Zelfs in de culturele wereld is het hervormingsproces bovenal een zaak van landje-pik en minder van ideeën. Sjoebkin heeft daarom twee buitenstaanders ingehuurd om het museum in zijn perestrojka te begeleiden. Het zijn twee Moskovieten nota bene, een species dat wordt gewantrouwd in het trotse Siberië, waar geen weke stedelingen wonen maar echte pioniers.

Om de maand komen Misja Gnedovski en Kolja Nikisjin nu naar Krasnojarsk om hun plannen met het museum verder te ontwikkelen. Hun uitgangspunt: het Leninmuseum ombouwen tot het trefpunt van de wegen die Krasnojarsk altijd hebben doorsneden. De stad is van oudsher het middelpunt geweest van het Euraziatische continent, in de meest letterlijke zin van het woord. De eerste weg tussen Moskou en het verre Oosten voert langs Krasnojarsk, de Siberische spoorlijn komt er doorheen, de Jenisej legt de verbinding tussen het poolgebied en de Chinese woestijn en er is zelfs een vliegveld voor arctisch onderzoek.

De geschiedenis van dit kristallisatiepunt is volgens Gnedovskij en Nikisjin een onuitputtelijke bron. Siberië is altijd een gebied geweest van misdadigers, politieke gevangenen en cipiers. Niet alleen Lenin zat bij Krasnojarsk zijn ballingschap uit, ook zijn geestelijke vader Nikolaj Tjernysjevski, schrijver van Wat te doen?, en de allerminst "moderne' Fjodor Dostojevski hebben in Siberië in een strafkamp gezeten. In de stalinistische jaren was zelfs meer dan de helft van de bevolking in de Krasnojarskij Kraj dwangarbeider. Die gevangenen moesten bijvoorbeeld werken aan de spoorweg-fantoom, een project van Stalin dat het hoge noorden moest ontsluiten maar nooit verder is gekomen dan honderd kilometer rails. Het resterende deel was bewaker.

Tegelijkertijd heeft de bevolking er een relatie tot de natuur die deze historie overstijgt. In de buurt van Krasnojarsk is bijvoorbeeld een natuurgebied met een soort verticale hunebedden, de stolbi. Elk weekeinde klimmen daar de echte siberiakken tegenop, met niets anders aan dan goede schoenen. Niet bij wijze van sport maar als "wereldbeeld', aldus de lokale filologe Lilian, die haar dissertatie heeft gewijd aan het bargoens van de stolbisten die zich via deze rotsen "demagnetiseren'. "Bitsjevat', in hun eigen taal, ofwel het "geselen' van het vermolmde lijf. Daarin onderscheidt het Noorden zich "essentieel' van het Zuiden. Niet voor niets zijn denkers Nikolaj Rerich, Michail Bachtin en Grigori Petrovitsj Sjedrovitski er tegenwoordig razend populair. De in 1947 overleden Rerich is met zijn duizenden, welhaast indentieke, Zen-achtige schilderijen van de Himalaya nu de goeroe van de bitsj. De posthume Rerich-beweging trekt meer aanhangers op de pleinen dan welke politieke bijeenkomst dan ook. Bachtin op zijn beurt is de vader van de "culturologie', een tak van kennis die thans ruimte geeft aan de terugkeer naar de wortels van het etnische zijn. En de Moskouse mathematicus Sjedrovitski (GePee voor de ingewijden) vertolkt de filosofie, waarbij op elk "waarom' wordt geantwoord met eindeloze tegenvragen.

Deze unieke Siberische geestestoestand willen Gnedovski en Nikisjin nu aanwenden. Alles wat er voor handen is, moet in het Leninmuseum uitgedragen worden, van de verschillende etnografische tradities via de stalinistische geschiedenis tot "heavy-metal' van de lokale headbangers of klassieke kamerconcerten in de basiliek waar nu nog het doopvont van Lenin staat. Michail Gnedovski heeft zich de mogelijkheden daarvan pas goed gerealiseerd sinds de straathandel begin dit jaar overal in het land is gaan floreren. Terwijl de musea uitgestorven zijn, slenteren de burgers voetje voor voetje langs de stalletjes. Dat is geen koopzucht, besefte hij, maar een behoefte om al die aldus geëxposeerde, bijna bovenaardse Westerse produkten te bekijken. “Dat is onze paradox: musea als dit liggen volstrekt open, maar niemand neemt een initiatief. De kunstmusea zijn een remmende factor geworden. Daar verzamelen ze alleen dingen, geen mensen. Dat zou hier wel kunnen. Dit museum moet allereerst een sociaal instituut worden”, aldus Gnedovski.

Tijdmachine

Twee dagen ben ik met Gnedovski en Nikisjin in het Leninmuseum op pad om hen bezig te zien met hun "ideologische conversie', zoals Nikisjin het noemt. Ik waan me in een geografische tijdmachine. Waar vooral Misja op uit is, is een soort "postmodernisme' op de ruïnes van een geloof dat in zijn strijd met het christelijk-humanisme na driekwart eeuw de geest heeft gegeven maar nog geen alternatief heeft gevonden. Gnedovski en Nikisjin willen boven alles beweging in het museum. Maar de staf van het Leninmuseum is nog altijd in de allereerste plaats angstig. Bang voor de concurrentie, bang voor de eigen posities, bang voor een leven zonder rode draad. Wanhopig is men op zoek naar zoiets als een collectie, al is het maar een niet-compleet boek met romantische negentiende-eeuwse gravures uit Berlijn dat de staf voor de prijs van één ijskast (dertigduizend roebel) te koop is aangeboden. “Kijk, jullie gaan straks weer terug. Maar wij moeten hier blijven”, zegt wetenschappelijk medewerkster Olga Petrovna.

Een uur later, als in de conferentiezaal het collectief in vergadering bijeen komt, blijkt wat ze daarmee bedoelt. Het belangrijkste agendapunt daar is niet de programmering voor volgend jaar. Nee, aan de orde is de vraag of het museum een twee-kamerappartement ad twee miljoen roebel moet kopen. Voor wie de woning bestemd is, vertelt directeur Sjoebkin er niet bij. Hij zegt alleen dat een huis beter is dan "kaviaar en champagne'. Met 43 vóór tegen drie onthoudingen, stemt het personeel daarmee in. Musea in Rusland: het was en is nog steeds een vorm van patronagepolitiek.