Dans van Trisha Brown is complexer geworden, maar blijft abstract; Bewegingen als geometrische gedachten

Trisha Brown Company, Muziektheater, Amsterdam, 13, 14, 15 nov 20.15u, 15 nov 16u lezing door Trisha Brown

AMSTERDAM, 13 NOV. In een studio in het Muziektheater repeteert een groepje dansers in ruimvallende sweat-shirts en trainingsbroeken. In een hoek zit een meisje en maakt trage, gymnastische bewegingen. Een van de mannelijke dansers, een soort "moonboots' aan de voeten, gaat tegen de muur op zijn hoofd staan. In het midden wordt een danseres, die een geblesseerde collega moet vervangen, in een nieuwe rol ingewerkt. “Wanneer ik je een kontstootje geef voelt het goed, David,” zegt ze tegen haar danspartner. “Maar als je over mijn voet moet struikelen gaat er iets verkeerd.”

De leden van de Trisha Brown Company uit New York sleutelen verder aan een ingewikkelde partnerwisseling, aan de kant gadegeslagen door Trisha Brown (bijna 56), die het gezelschap in 1970 oprichtte. Het repertoire van de veertien dansers tellende groep, van wie er tien in Amsterdam dansen, bestaat uitsluitend uit choreografieën van haar. Vanaf morgen geven zij drie voorstellingen in Amsterdam met drie premières voor Nederland: Foray Forêt (1990), Astral Convertible (1989) en For M.G.: The Movie (1991). In 1987 was de groep hier voor het laatst. “Het publiek merkt er straks niets van dat we op het laatste moment iemand moesten vervangen,” zegt Trisha Brown. “Mijn zorg is alleen dat zoiets vaak een kettingreactie veroorzaakt en er door de extra druk op de repetities nieuwe ongelukken gebeuren.”

Trisha Brown werd geboren in Aberdeen, in de staat Washington. In haar jeugd kreeg ze les in tapdansen, ballet en acrobatiek. Ze deed moderne dans aan het Mills College in Oakland, gaf een tijdje les en studeerde vervolgens bij Merce Cunningham in New York. In de jaren zestig werkte ze samen met dansers en andere kunstenaars in het befaamde Judson Dance Theater, waar "performances' werden gehouden en geëxperimenteerd werd met nieuwe vormen van dans, theater en muziek.

Brown was een van de "postmoderne dansers' die zich afzetten tegen indertijd toonaangevende choreografen als Anna Sokolov en de door Freud en Jung geïnspireerde Martha Graham. In plaats van de gestileerde en emotionele dansen van Graham, introduceerde Brown alledaagse bewegingen, die meer de fysieke mogelijkheden aftastten dan dat ze uiting gaven aan emoties. “Dit soort bewegingen bijvoorbeeld,” licht ze toe, terwijl ze haar jasje aan- en uittrekt. “Maar dat doe ik al lang niet meer. Ik heb nu een uitgebreid vocabulaire van verschillende bewegingen uitgewerkt, die te maken hebben met geometrie, met gedachtensprongen. Daarmee bouw ik mijn dansen op.”

In de jaren zestig werd ze bekend door haar experimenten met ruimte en zwaartekracht. Met hulpstukken als touwen, kabels en katrollen liet ze dansers tegen zaalmuren of langs gevelwanden klimmen, omdat ze volgens haar zeggen "medelijden' had met de delen van het theater die niet mee mochten doen. In de jaren zeventig begon ze overwegend gedanste stukken te maken. Veel daarvan volgen een mathematische opbouw volgens het schema A, AB, ABC, ABCD, en zo verder. Elke nieuwe beweging wordt pas toegevoegd als alle voorafgaande zijn herhaald. Videobeelden daarvan laten een nogal eentonig beeld zien, vooral omdat de bewegingen vaak traag zijn, onderbroken door momenten van complete stilstand.

Terwijl haar vroegere werk ook uitgevoerd kon worden door ongetrainde dansers, zijn haar dansen nu veel complexer geworden en worden er hoge technische eisen gesteld aan de uitvoerenden. De dansers duwen, vallen, vangen elkaar op en balanceren in ingewikkelde houdingen. Ledematen hangen slap naar beneden, om even later molenwiekend door de lucht te schieten, lichamen kronkelen zich in vele bochten. Brown werkt nooit met een verhaal als uitgangspunt. “Mijn werk is abstract gebleven,” zegt ze. “Ik vind dat interessanter en een grotere uitdaging dan zomaar een ritme te volgen en ondertussen een verhaal te vertellen.”

Brown werkt bij haar choreografieën veel samen met beeldend kunstenaars als Robert Rauschenberg, Donald Judd en Nancy Graves. “Ik was niet de eerste die beeldend kunstenaars inschakelde. Diaghilev deed het al en ook Graham. Ik ben meer degene die het nu nog steeds doet.” Vooral pop-art kunstenaar Rauschenberg maakte opzienbarende aankledingen voor haar voorstellingen. Hij deed ook de visuele vormgeving, inclusief de kostuums, van twee van de drie balletten die in Amsterdam worden opgevoerd. Voor Astral Convertible ontwierp hij glanzende, reflecterende pakken en op het toneel plaatste hij torens voorzien van sensoren. Steeds als een danser in de baan van de sensor komt, wordt zowel het geluid beïnvloed als het licht, waardoor de pakken fel oplichten. “Rauschenberg is een echte theaterman,” zegt Brown. “Hij is een beetje jaloers op de dans als kunstvorm omdat het nooit een vastomlijnd produkt is, maar een levend en steeds veranderend experiment. De kunstenaars met wie ik werk betrek ik vanaf het begin bij mijn choreografieën, we bellen voortdurend en ze komen naar de repetities.”

In sommige balletten wordt gedanst zonder muzikale ondersteuning. De dansers geven elkaar het ritme aan met hun adem of door te fluiten. Als er wel muziek wordt gemaakt, schakelt Brown eigentijdse componisten in, onder wie Laurie Anderson, Robert Ashley, John Cage, Richard Landry of Peter Zumo. Bij Foray Forêt laat zij een locale fanfare uitrukken, die al trompetterend rondom het theater trekt. In Amsterdam is dat Wittenburg's Fanfare Orkest. Er is nog niet uitgeprobeerd in hoeverre het geluid van buiten tot de grote zaal van het Muziektheater doordringt. “Dat zal wel lukken, want het orkest is dertig man sterk en het zal ook even de lobby binnenlopen,” zegt Brown. “Bij de eerste uitvoeringen probeerde ik dat optreden van de fanfare geheim te houden, omdat het me ging om het vervreemdende effect. De bedoeling is dat het publiek naar de dans kijkt en plotseling dat geluid van buiten hoort zonder te weten of het erbij hoort of niet. Die opzet is aardig geslaagd. Er waren mensen die boos werden en opstonden om de deuren dicht te doen. Maar daarnaast gaat het me ook om de paradox tussen de verfijnde bewegingen op het toneel en het bombastische van al dat koper.”

Hoewel de postmodernen waartoe Brown wordt gerekend allang ingehaald zijn door nieuwe generaties choreografen, vindt zij zichzelf nog steeds passen in deze tijd. “Ik vind niet dat ik bij een bepaalde periode of categorie hoor, ik noem mezelf gewoon een goede choreograaf. Ik herhaal mezelf niet, ik verander nog steeds en breid mijn vocabulaire van bewegingen steede verder uit. In de nieuwe cyclus balletten waar ik net aan begonnen ben ga ik een meer metaforische, zachtere kant op dan de vorige cyclus die veel nadrukkelijker en krachtiger is. Beide vormen zullen we in Amsterdam laten zien.”

In Foray Forêt danst Brown zelf een korte solo. Aan stoppen met dansen denkt ze voorlopig nog niet. “Ik ben weliswaar opgegroeid met het idee dat vrouwen van mijn leeftijd niet meer zouden moeten dansen, maar eigenlijk vind ik dat ik nu in een bepaald opzicht beter dans dan vroeger. Vroeger ging het me makkelijker af, maar ik was daardoor ook sneller afgeleid. Nu concentreer ik me volledig op de dans. Ik heb mijn dansers groep overigens wel geïnstrueerd dat ze moeten waarschuwen als ik fouten begin te maken. Dan hou ik ermee op.”

    • Gerda Telgenhof