West 10

Na een langdurig verblijf op zee kwam de storm fluitend aan land. Hij greep alles wat los zat en joeg het de straten van de stad in, stukken plastic, boombladeren en vogelveren, een krant, een emmer en een wollen mutsje.

Een meeuw scheerde rakelings langs de rand van een flatgebouw. Een oude man werkte zich op handen en voeten langs een lastig uitgebouwd stoepje en in plaats van te helpen dacht ik: kijk het nou toch waaien.

Ertegenin moest je klauwen als een pad. Met de wind méé was het alsof je aan de hand werd genomen door een man die veel te grote passen nam. Hij blies mijn jas op als een ballon. Hij haakte mijn ene voet achter de andere, zodat ik struikelde.

Van links tot rechts, waar het zicht verdween in nevelregen, lag de Schelde vol met schepen die aarzelden tussen varen, voor anker gaan of op drift raken. Het water golfde groots, klom uit grauwe dalen naar schuimende toppen, sloeg dreunend op de beschoeiing van de boulevard. Bij het bastion van De Ruyter stoof het al over de muur, tot enthousiasme van de mensen die kwamen kijken hoe ze het er deze keer afbrachten.

Ik loop de luwte in. Aan de Nieuwendijk maakt het hotel van onze verloving een gesloten indruk. Vlissingen. Het is zeker twintig jaar geleden dat ik hier geweest ben. Het zal zeker twintig jaar duren voordat ik dat weer kan zeggen.