Werkloosheid schokt geloof in economie VS

De werkloosheid in de Verenigde Staten is als gevolg van de recessie sterk gegroeid. Opvallend is het grote aantal "witte boorden' dat erdoor is getroffen. Het geloof in immer groeiende welstand lijkt structureel beschadigd.

De Verenigde Staten hebben 9,6 miljoen werklozen, en vrijwel niemand is dat vrijwillig. Daarvoor is de uitkering te laag. Wie werkloos is, kan maximaal gedurende dertig weken aanspraak maken op een uitkering van 300 dollar per week.

De behoefte om weer aan de slag te komen is daardoor groot. Maar wie een baan zoekt, merkt in volle hevigheid hoezeer de VS in recessie verkeren. De arbeidsmarkt is krap, de concurrentie van andere werkzoekenden groot. De werkloze die een nieuwe betrekking vindt, moet vaak genoegen nemen met een salaris dat lager is dan hij in zijn vorige baan gewend was. Alternatieven voor werkloosheid zijn omscholing of voor jezelf beginnen.

De onzekerheid op de arbeidsmarkt heeft merkbaar effect op de Amerikaanse economie. De Amerikaan wordt zuinig, en dat draagt niet bij aan het economisch herstel dat weer nodig is om de werkgelegenheid te laten groeien.

De 9,6 miljoen Amerikaanse werklozen vormen samen 7,5 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking. Dat percentage wijkt niet veel af van de werkloosheid die meer Westerse economieën kennen, maar zelfs het federale Bureau of Labor Statistics erkent dat dit officiële cijfer slechts een deel van de werkelijkheid weerspiegelt. Tellingen van de afzonderlijke staten komen hoger uit, evenals een alternatieve berekening van het bureau. Zou het de part-timers die eigenlijk full time willen werken meetellen, evenals de werkwilligen die zich - ontmoedigd door de vooruitzichten - niet voor een baan melden, dan zou een geschat werkloosheidspercentage van 11 nog aan de conservatieve kant zijn.

Opmerkelijk in de samenstelling van Amerika's werklozenleger is het hoge aantal witte boorden, mensen die voorheen actief waren in dienstverlening of overheidsbanen. Weliswaar beslaat hun aandeel op het totaal van de beroepsbevolking 57 procent, maar eerdere recessies troffen werknemers in de industrie (26 procent van de beroepsbevolking) relatief veel harder. Veertig procent van de werknemers die in 1991 hun baan kwijtraakten was werkzaam in de dienstensector, een twee keer zo hoog percentage als tijdens de recessie van 1982. Daarom wordt wel gesproken van een witte-boordenrecessie. Het is uitzonderlijk dat de dienstensector, die voorheen ook in perioden van laagconjunctuur bleef uitdijen, geen banengroei meer kent.

Daniel (45), inwoner van Passaic, New Jersey, is een van de slachtoffers van die ontwikkeling. Hij werd in juli 1991 ontslagen en doet nu “allerlei dingen” om de eindjes aan elkaar te knopen, zo vertelt hij onder voorwaarde van anonimiteit. “Maar strikt genomen ben ik werkloos.”

Meer dan tien jaar was hij werkzaam als fundraiser. Een half jaar voor United New Jewish Appeal, daarna negen jaar voor de Jewish National Fund. Omdat hij er 9000 dollar per jaar meer kon verdienen, nam hij een baan bij de American Lung Association. Daar werd na een jaar vriendelijk doch dringend verzocht ontslag te nemen. “Zowel ikzelf als mijn werkgever was ontevreden over mijn verrichtingen”, aldus Daniel. Hij was geen slachtoffer van de recessie - totdat hij probeerde ander werk te vinden.

Binnenkort hoopt Daniel als vervangend onderwijzer te kunnen beginnen. Nu biedt hij zich aan als consulent voor liefdadige instellingen en doceert hij Joodse geschiedenis en Hebreeuws in een Joodse zondagsschool. Daarmee weet hij 40 procent van zijn laatste verdiende inkomen (toen 50.000 dollar per jaar) bij elkaar te sprokkelen. Doordat hij niet meer in loondienst is, mist hij ook allerlei bijkomstige voordelen van een vaste baan, zoals verzekeringen, een goede pensioenopbouw en vakanties.

Hij heeft één voordeel op veel andere werklozen: zijn vrouw werkt ook. “Maar bij elkaar verdienen we niet genoeg om onze kinderen van dertien en zes jaar op privé-scholen te houden”, zegt hij. “We hebben de schooldirectie moeten vragen om beurzen om de kinderen daar te kunnen houden. Verder moeten we op van alles en nog wat bezuinigen.”

Pag.20: Grenzeloos vooruitgangsoptimisme dooft

Hoewel Daniel niet tot de bedelstaf is veroordeeld, is het leven geen vetpot meer. Dat geldt ook voor veel anderen die een goede baan verloren en genoegen moesten nemen met werk dat minder oplevert. De illusie van een maatschappelijke carrière met immer toenemende welstand is wreed verstoord. En niet alleen bij de direct getroffenen. Ook de motivatie van mensen die de arbeidsmarkt nog moeten betreden, wordt erdoor geschaad, zegt Anthony Carnevale van de American Society for Training and Human Development. Hij noemt de verslechtering van carrièrevooruitzichten een structureel probleem.

Volgens Carnevale blijft zo'n 60 procent van de werklozen die ten minste drie jaar dezelfde baan hadden één tot anderhalf jaar werkloos. “Als we ons op die groep van pakweg zes miljoen mensen richten en zien wat er met hen gebeurt, dan geeft dat een somber beeld. Plusminus 60 procent ervan heeft vijf jaar later weer hetzelfde loon opgebouwd, maar 30 procent haalt dat niet eens meer. Van de resterende 10 procent komt de helft uiteindelijk op een hoger salaris uit, terwijl de andere helft nooit meer aan een baan komt.” Volgens het Bureau of Labor Statistics vond driekwart van de werknemers die tussen 1987 en 1992 hun baan verloren opnieuw werk. Daarvan nam de helft genoegen met een lager salaris.

De econoom Ken Goldstein is verbonden aan de Conference Board in New York, een onafhankelijke economische denktank, gefinancierd door bedrijfsleven en non-profit sector. Hij wijst erop dat de trend om banen te accepteren tegen lagere salarissen grote gevolgen heeft. Niet alleen neemt de motivatie van werkenden daardoor af, het doet ook het vertrouwen van consumenten in de economie dalen. Zo'n lagere "vertrouwensindex' beïnvloedt het economisch herstel negatief. “En we zien de komende twee jaar geen verandering in die trend komen.”

Sterker nog dan in andere Westerse maatschappijen gold in de Verenigde Staten altijd een ongebreideld vooruitgangsoptimisme, getuige het gemak waarmee de Amerikaanse employé van baan wisselde om meer te kunnen verdienen. Maar in dat principe is de laatste jaren stevig de klad gekomen. De recessie knaagt aan het principe van de opwaartse mobiliteit en verandert die in een neerwaartse.

Goldstein: “De ontwikkeling heeft ook zijn effect op nieuwe werkzoekenden, wier carrièrevooruitzichten aanzienlijk minder zonnig zijn geworden.” Niemand durft volgens Goldstein nog te voorspellen of de downward mobility een structureel verschijnsel is of dat de situatie verbonden is met de hardnekkige recessie.

De knauw die het moreel van de Amerikaanse werknemer heeft gekregen, doet de Amerikaanse consument elke dime nog eens omdraaien voordat ze wordt uitgegeven. Tekenend voor het besef dat het wel eens langere tijd slecht kan blijven, is volgens de Conference Board dat Amerikanen vorig jaar voor het eerst sinds 1957 minder schuld op zich namen dan ze afbetaalden. Deze trend heeft zich in de eerste zes maanden van dit jaar voortgezet.

Gecorrigeerd voor inflatie blijken werknemers met een universitaire opleiding er in de periode van 1987 tot en met 1991 3,1 procent in inkomen op achteruit te zijn gegaan. Dat heeft niet alleen met werkloosheid te maken. Ook in de 20 procent van de Amerikaanse huishoudens met een inkomen boven de 80.000 dollar liggen de bestedingen volgens het onderzoeksbureau Economic Policy Institute in Washington lager dan drie jaar geleden.

Het gemiddelde inkomen per huishouden in 1991 bedroeg 30.126 dollar. Dat is 1500 dollar minder dan het jaar ervoor en het betekende de eerste daling in zes jaar. Hoewel de cijfers over de eerste helft van dit jaar weer een stijging te zien gaven, is niet zeker of die zich tot het eind van dit jaar doorzet. Het lichte herstel leek na juni te stagneren.

Naast de recessie spelen ook andere ontwikkelingen een rol op de Amerikaanse arbeidsmarkt. De snelheid van de technologische ontwikkelingen bij voorbeeld. Die heeft vervelende consequenties voor oudere, goedverdienende werknemers, wier hoge salarissen en verouderende of onbruikbaar rakende kennis hen de eerste kandidaten voor ontslag maakt. Tegelijk verminderen overigens ook de perspectieven voor laag opgeleide schoolverlaters.

Langdurig werklozen zijn wettelijk verplicht zich te laten omscholen. De federale overheid steunt omscholingsprogramma's als een bedrijf gedwongen is drie of meer mensen tegelijk de laan uit te sturen. Maar met de schaarste aan banen is omscholing geen panacee. Daarbij komt dat ook het niveau van de omscholingsprogramma's is aangetast doordat de regering-Bush er de voorbije jaren op bezuinigde.

Toch lijkt verbetering op komst. Met de naderende verkiezingen kondigde Bush al aan de subsidies te zullen opvoeren, en zijn inmiddels tot president gekozen rivaal Clinton presenteerde zelfs een idee om bedrijven structureel te betrekken bij de strijd tegen de werkloosheid. Volgens dat plan dienen ondernemingen anderhalf procent van de loonsom te besteden aan om- en bijscholing. Wie dat niet doet, is verplicht die anderhalf procent in een federaal overheidsfonds te storten.

Telecommunicatiegigant AT&T hoeft de uitvoering van dat plan niet af te wachten. Het bedrijf neemt al enige tijd omscholing en vervolgopleiding in eigen hand. Volgens Greg Hammill, hoofd van het management-herscholingsprogrmma bij AT&T, is een programma daartoe ontwikkeld, in samenwerking met de vakbonden, toen AT&T veel personeel kwijt wilde. Het scholingsprogramma is inmiddels geen onderdeel van een afvloeiingsplan meer, maar een zelfstandig onderdeel in de carrièreplanning van alle werknemers. Deelname geschiedt op vrijwillige basis, legt Hammill uit, maar wel wordt het personeel nadrukkelijk op de voordelen ervan gewezen. “Op de lange termijn heeft zowel bedrijf als werknemer voordeel van deze manier van werken”, aldus Hammill.

Niet alleen binnen bedrijven worden nieuwe initiatieven ontwikkeld om mensen op de moeilijker arbeidsmarkt de weg te helpen vinden. Zo ontstond het Seattle Workers Center, dat in samenwerking met bedrijven en werknemersorganisaties werklozen aan nieuwe banen helpt en omscholing en maatschappelijke begeleiding verzorgt. Het geld daarvoor komt van werkgeversorganisaties, federale overheid, staat en vakbonden. Het instituut werd niet alleen opgericht om "nazorg' te verrichten, maar ook om in een vroeg stadium problemen op te lossen. Daartoe heeft het de beschikking over een zogeheten Early Warning Network, dat optreedt voordat bedrijven sluiten of personeel laten afvloeien. Het effect hiervan laat zich volgens directeur Jim Cummings vooralsnog moeilijk kwantificeren, maar de bundeling van zoveel uiteenlopende instanties in één organisatie is voor Amerikaanse begrippen uniek.

Carnevales American Society for Training and Development (ASTD) richt zich geheel op om- en bijscholing. Het instituut krijgt zijn inkomsten uit projectsubsidies en contributies van leden, meestal bedrijven die intern opleidingen verzorgen. Carnevale noemt de ervaring met omscholing van werknemers voor andere bedrijfstakken in de VS gering. “Een werkloze wordt eerst gestimuleerd een baan in zijn eigen branche te zoeken voordat omscholing wordt aanbevolen.” Maar het fenomeen is in opkomst: “Het is frustrerend te merken dat er, ondanks al onze goede bedoelingen, gewoon geen banen meer zijn”, aldus Carnevale.

Een alternatief voor werklozen die geen nieuwe baan kunnen vinden, is eigen baas - of zelfs werkgever - te worden. De tijd is er rijp voor. Al jaren blijkt de omvang van de grote bedrijven af te nemen, voor een belangrijk deel door hun streven naar vergroting van hun eigen flexibiliteit en concentratie op kernactiviteiten. Daardoor groeit de markt voor externe toeleveranciers en dienstverleners. Een concern als IBM, bezig met een omvangrijke herstructurering, maakte in de eerste helft van dit jaar bij voorbeeld 42 procent meer gebruik van externe diensten. Dat verandert op zichzelf weinig aan de zwakke staat van 's lands economie, maar het sluit wel aan bij een oeroud Amerikaans adagium: wie risico durft nemen en hard werkt, kan rijk worden. Dat moet een mooi vooruitzicht zijn in tijden van minder banen en lagere inkomens.