Techniekgeschiedenis maar niet voor technici

Nederland geldt als het sufferdje van de negentiende eeuw. Economisch ging het maar matig, de industrialisatie kwam eigenlijk pas aan het eind van de eeuw op gang, en tot overmaat van ramp kreeg de voormalige wereldmacht ook nog een pak slaag van de Belgen.

Toch was de negentiende eeuw een tijdperk van grote demografische, politieke en geografische veranderingen. Aan het begin van de eeuw bestond het land uit losse gebiedjes, die weliswaar een staatkundige eenheid vormden, maar verder weinig met elkaar van doen hadden. Aan het eind van de eeuw verbond een net van spoor- en waterwegen alle delen van het land en wezen de klokken overal dezelfde tijd aan.

Technische veranderingen vormden een belangrijk aspect van de transformatie die Nederland in de negentiende eeuw doormaakte. Desondanks wordt in de traditionele geschiedschrijving weinig aandacht besteed aan techniek. Met de publikatie van de zesdelige serie De geschiedenis van de techniek in Nederland; de wording van een moderne samenleving 1800-1890 (uitgegeven bij de Walburgpers, Zutphen) wordt een flinke inhaalslag beoogd. De serie, waarvan morgen het eerste deel verschijnt en vervolgens elke vier maanden een volgend, is een produkt van de moderne opvatting van techniekgeschiedenis: geen opsomming van uitvindingen met wie die waar en wanneer het eerst toepaste, maar een samenhangend verhaal, waarin de relaties tussen techniek, economie, wetgeving, cultuur en politiek tot hun recht komen.

Aan de voorbereiding van de serie is twaalf jaar gewerkt onder leiding van Harry Lintsen, die zowel in Eindhoven als in Delft een leerstoel techniekgeschiedenis bezet. De afgelopen jaren zijn al enige proefschriften, monografieën over bedrijfstakken, en vele artikelen verschenen. De Stichting Historie der Techniek, in 1988 opgericht door het KIVI, wierf de fondsen voor het project, onder meer bij het bedrijfsleven.

De eerste vier delen bevatten beschrijvingen van de ontwikkeling van bedrijfstakken, in de laatste twee zal worden gepoogd een synthese tot stand te brengen. Lintsen en zijn mederedacteuren zitten dezer dagen regelmatig om de tafel om de grote lijnen van die synthese te bespreken. Vandaag een voorschot.

Nederland was laat met industrialiseren, luidt de gangbare opvatting. Is dat zo, en zo ja hoe kwam dat?

Vaak neemt men eenvoudige indicatoren om zo'n stellingname te onderbouwen, bijvoorbeeld het aantal stoommachines in een land. Dan zie je dat Engeland in het begin van de negentiende eeuw een snelle groei doormaakt in aantal stoommachines en dat dat in Nederland pas na 1850 gebeurt. Tijdgenoten waarschuwen dan al: Nederland mist de slag, Nederland ligt achter. Het is dus niet alleen een beeld dat later door historici is gecreëerd.

Maar er zitten wel enige haken en ogen aan dit beeld. De term industrialisatie leidt gemakkelijk tot verwarring. Het gaat namelijk zowel over economische ontwikkeling als over innovaties. Tussen 1800 en 1850 vind je maar beperkte industrialisatie als innovatieve activiteit. Wel treedt er enige economische groei op, maar dat gebeurt met klassieke technieken. Tussen 1850 en 1890 zie je een sterke innovatieve activiteit, maar slechts een beperkte economische groei. Pas na 1890 treden innovaties en economische groei tegelijkertijd op. Daarom wordt gezegd dat de industriële revolutie in Nederland plaatsvindt vanaf 1890.

Velen hebben daaruit meteen geconcludeerd dat er dus in de negentiende eeuw nauwelijks iets gebeurde, althans in technisch opzicht. Dat beeld is onjuist. Hoe gevaarlijk het is om te vertrouwen op indicatoren als het aantal stoommachines, zie als je de ontwikkeling daarvan vergelijkt met die in België. België ligt naast Nederland, is qua oppervlakte en inwonertal vergelijkbaar, maar heeft toch al vroeg veel meer stoommachines. De verklaring daarvoor is eigenlijk heel eenvoudig. Die stoommachines blijken vooral in drie sectoren terecht te komen: mijnbouw, machinenijverheid en textiel. België had uitgebreide mijnbouwgebieden, Nederland niet. Alleen wat kleine mijntjes in de buurt van Kerkrade. Ook in Engeland werden stoommachines in het begin vooral ingezet in de mijnbouw. De opkomst van de machinenijverheid in België hangt nauw samen met de ontwikkeling van de stoomtechniek in de mijnbouw. Als je geen mijnbouw hebt en daardoor weinig stoomtechniek toepast, is er ook weinig bestaansrecht voor machninenijverheid.

Textiel was er wel in Nederland. Dat is dan ook een interessant geval. In België komt de katoennijverheid tot ontwikkeling rond Gent. Daarvoor waren twee factoren van belang: goedkope steenkool en lage lonen. De omstandigheden om het spinnen en later het weven daar te mechaniseren waren hierdoor optimaal. In de noordelijke Nederlanden bestond tot 1830 geen op export gerichte katoennijverheid. Na de afscheiding van België wilde de koning en de Nederlandse Handel-Maatschappij ook hier een textielnijverheid op poten zetten. De omstandigheden voor gemechaniseerde produktie waren echter nergens in Nederland optimaal. In het westen was de steenkool goedkoop, maar waren de lonen hoog. In Twente waren de lonen laag, maar was de steenkool door de hoge transportkosten veel duurder dan in het westen. Daarom is bewust gekozen voor het tot ontwikkeling brengen van de huisnijverheid in Twente. Daarbij werd weliswaar geen gebruik gemaakt van stoom, maar wel van andere moderne technieken als de schietspoel. Ook werden scholen gesticht. Binnen de korste keren had men daar een textielnijverheid opgebouwd gebaseerd op de modernste handmatige techniek. Wanneer je niet bent gefixeerd op stoom, kun je niet anders zeggen dan dat dat een fantastische prestatie is.

Zijn er bepaalde branches die als trekker hebben gefungeerd?

Een sector als trekker is een populaire these in de economische geschiedenis. De term verwijst naar innovatieve activiteit, sterke groei en uitstraling naar andere sectoren. In Engeland wordt de industrialisering altijd opgehangen aan drie sectoren: de stoomtechniek, de ijzerindustrie en de katoen. Het opmerkelijke is dat er in Nederland geen aanwijsbare trekker was in het industrialisatieproces. Na 1850 spelen zich op een breed front technische vernieuwingen af, in de landbouw, scheepsbouw, chemische industrie enzovoorts.

Er is wel één terrein dat een pregnante uitstraling had: de waterstaat. Daar vonden ook de eerste experimenten plaats met de stoomtechniek. De stoomgemalen in de Haarlemmermeer behoorden tot de meest geavanceerde in de hele wereld. De Cruquius was zelfs de grootste ter wereld. Bij het graven van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg werden de modernste baggertechnieken toegepast. Bij het aanleggen van spoorwegen moesten ook de grote rivieren worden overgestoken. De brug bij Culemborg is een tijd de vakwerkbrug met de grootste overspanning ter wereld geweest.

Uit het eerste deel blijkt dat Nederland in een aantal sectoren goed mee kan komen en in de margarine-industrie zelfs toonaangevend is, maar er desondanks nauwelijks technische uitvindingen in Nederland plaatsvinden. Zelfs niet in de margarine-industrie: de uitvindingen werden uit het buitenland gehaald. Hoe komt dat?

Je moet constateren dat de maatschappelijke behoefte aan het doen van uitvindingen of het op zoek gaan naar geheel nieuwe machines en produkten blijkbaar niet bestond. Er was ook geen club van mensen die zich bezighielden met technische uitvindingen en ontdekkingen om wille van die activiteit. Er waren wel een aantal genootschappen, zoals het Bataafs Genootschap, die zich bezighielden met actuele vraagstukken op het gebied van landbouw en waterstaat, maar daar kwamen geen uitvindersactiviteiten uit voort. Ze verzamelden kennis uit de omgeving, maar hielden zich niet bezig met het genereren van nieuwe technische kennis. In Engeland en Frankrijk had je dat wel. Daar waren bijvoorbeeld mensen die nieuwe pompwerktuigen ontwikkelden.

Ik vermoed dat ook nu Nederland qua aantal uitvindingen per ingenieur zeker niet tot de top zal behoren, met uitzondering van enkele specifieke sectoren. En als je dan kijkt naar de aard van die uitvindingen, zal het me niet verbazen als die vooral in het veranderen en verbeteren van buitenlandse uitvindingen zal liggen. Tom Hughes (hoogleraar techniekgeschiedenis aan de universiteit van Pennsylvania) vroeg me een keer: Waar zijn jullie Edisons? Wij hebben ze niet, althans niet in de negentiende eeuw. Waarom niet? Je kunt natuurlijk aankomen met het verhaal dat Nederland een handelsnatie is, een consensuscultuur heeft, maar ons onderzoek heeft al zo vaak laten zien dat zulke algemeenheden niet houdbaar zijn. Ik durf er geen uitspraak over te doen. Het is in elk geval niet te wijten aan het ontbreken van kapitaal, talent of belangstelling voor innovatie.

Nederland, een land zonder uitvinders. Is dat erg?

Nee. Dat is absoluut niet erg. Het blijkt dat je door gerichte inspanning en daarop afgestemde infrastructuren het buitenland op een zeer adequate manier kunt volgen in technische ontwikkeling. Wat door ons wel is aangetoond is dat je er met imiteren niet komt. Wat je ziet is dat buitenlandse uitvindingen worden opgepikt en hier op allerlei manieren worden aangepast. Bij de boterbereiding zie je dat de op export gerichte Friese boeren zich anders aanpassen aan technische ontwikkelingen uit Denemarken dan de vooral voor de locale markt producerende boeren in het zuiden en oosten van het land. In het diffusieproces vinden nog tal van interessante technische veranderingen plaats.

Nederland was succesvol in het ontwikkelen van een eigen stijl van moderniseren. Die had drie kenmerken. Ten eerste zoals gezegd een veelzijdigheid in toegepaste technieken en modernisering op een breed front zonder een trekkende sector. Ten tweede een kleinschalige produktiewijze, waarbij flexibel gebruik werd gemaakt van oude en nieuwe technieken, inspelend op de mogelijkheden die de desbetreffende markt bood. En ten derde de toepassing van een kleinschalige energietechniek. Men paste stoommachines toe als ware het windmolens. Dat heeft specifieke maatschappelijke gevolgen. Door de kleinschaligeheid van de energietechniek blijft de opkomst van grote fabrieken achterwege en vinden er geen grote concentraties van kapitaal en arbeid plaats. Daardoor ontstonden ook weinig spanningen tussen de klassen, dit in tegenstelling tot de situatie in Engeland. Achteraf gezien is het opmerkelijk hoe soepel Nederland door de industrialisatie is gekomen. De eerste grote staking was de spoorwegstaking van 1903.

Kun je bepaalde categorieën mensen aanwijzen die een duidelijk stimulerende dan wel belemmerende rol hebben gespeeld bij technische innovaties en de toepassing daarvan?

Aanwijsbaar belemmerende groeperingen waren er niet. Nederland had geen Luddieten, zoals in Engeland aan het begin van de negentiende eeuw. De Luddieten sloegen letterlijk bepaalde machines kapot.

Op dit moment zijn we bezig om voor deel zes systematisch in kaart te brengen wie de innovatoren in Nederland waren. Dus die vraag kan ik nog niet precies beantwoorden. Ik kan er wel wat over zeggen. Je kunt bijvoorbeeld de verlichte geesten binnen de landbouwmaatschappijen stellen tegenover de grote groep van kleine boeren. Er is een voortdurende klacht dat het boerenbedrijf allerlei dingen niet oppikt. Maar ja, neem de stoomploeg, dat bleek uiteindelijk een innovatieve activiteit van een wat wereldvreemde figuur, die niet werkelijk op de hoogte was van de situatie in de landbouw. De man die de stoomploeg in Nederland introduceerde, de hereboer uit de Haarlemmermeer J.P. Amersfoordt, hoopte de geschiedenis in te gaan als degene die een belangrijke technische impuls aan de landbouw had gegeven, maar die stoomploeg is nooit van de grond gekomen. Het is ook maar goed dat die boeren daar nooit aan zijn begonnen, want het had hun faillissement betekend. Anderzijds zie je dat de Arendploeg, die geënt was op de situatie in het kleinbedrijf, en de guano (droge vogelmest uit Zuid-Amerika), wel werden opgepikt.

Ook zie je dat een deel van de verlichte burgerij zich bezighoudt met de verbetering van de primaire voedingsmiddelen in Nederland, zoals melk, boter en brood. In eerste instantie denk je dat het ondernemers zijn die met allerlei innovaties in een branche aan de slag gaan uit puur winstbejag. Dat is ongetwijfeld ook zo, maar niet alleen. De motivatie van de Haagse apotheker Mouton om margarine te gaan produceren kwam voor een belangrijk deel voort uit zijn maatschappelijk engagement. Je ziet dat niet alleen op het gebied van de openbare hygiëne, maar ook in de puur economische sectoren.

Bij het lezen van deel één valt op dat voor een aantal technieken wetgeving en accijnsheffing een duidelijke belemmering vormden.

Dat klopt. Maar die wetgeving was zeer adequaat voor het klassieke produktiesysteem en was niet bedoeld om innovaties tegen te gaan. Ook in de suiker, waar de accijnsheffing innovatie juist stimuleerde, was die wetgeving nooit bedoeld om technische vernieuwing te bevorderen. Dat was een onbedoeld effect van die wetgeving.

Wat is de rol geweest van rijke families bij de industrialisatie?

Men heeft lang gedacht dat Nederlanders liever in het buitenland investeerden, bijvoorbeeld in buitenlandse spoorwegen of buitenlandse staatsobligaties. Maar neem bijvoorbeeld de suikerindustrie, dat is een kapitaalsintensieve industrie. Die had ook het imago dat daarin goed te verdienen was. Het geld voor investeringen werd moeiteloos opgebracht door de rijke families in de grote steden en de notabelen van het platteland. De initiatieven kwamen echter niet uit die kringen. De rijke families traden veeleer op als belegger dan als ondernemer. Mijn beeld is dat er slechts af en toe werd geklaagd dat men onvoldoende kapitaal bijeen kon krijgen.

Wat was de rol van ingenieurs of technici bij de industrialisering?

In de loop van de negentiende eeuw is het karakter van de technicus aanzienlijk veranderd. Sleuteltermen zijn daarbij professionalisering en verwetenschappelijking. Er komen nieuwe beroepen, beoefenaren worden opgeleid op scholen in plaats van de praktijk, en er komen beroepsverenigingen. Ook hier zie je een divers beeld. Het ingenieursberoep blijft in de negentiende eeuw grotendeels beperkt tot de weg- en waterbouwkunde. In die sectoren waren ingenieurs belangrijke actoren in de veranderingen die zich daar afspeelden. Pas aan het eind van de negentiende eeuw dringen ingenieurs ook door tot andere sectoren zoals de scheepsbouw, de machinenijverheid en de chemische industrie.

In het verleden is techniekgeschiedenis vooral een aangelegenheid van techneuten geweest. In veel boeken ontbreekt de maatschappelijke, culturele en economische context volkomen. Maar bij het lezen van het eerste deel kun je je afvragen: is dit nog wel techniekgeschiedenis? Is dit niet veeleer de geschiedenis van een aantal bedrijfstakken?

Ik denk dat we die opmerking veel zullen krijgen. Het had even goed bedrijfsgeschiedenis of bedrijfstakgeschiedenis kunnen heten. Ik heb er geen probleem mee om het zo te noemen. Noem het voor mijn part maatschappijgeschiedenis, maar het is duidelijk dat het dan maatschappijgeschiedenis of bedrijfsgeschiedenis is met een speciaal accent.

Bekijk je bedrijfshistorische literatuur, dan tref je tal van werken aan waarin techniek nauwelijks aan de orde komt. Deels komt dat doordat veel sectoren zijn onderzocht waarin de techniek niet zo'n belangrijke rol vervult, zoals het bank- of verzekeringswezen. Maar ook bij sectoren waar techniek wel heel belangrijk is, zoals de textiel, is men veelal in heel andere dingen geïnteresseerd, bijvoorbeeld in de ondernemingscultuur, de persoon van de ondernemer, of in de manier waarop de boekhouding werd georganiseerd. Bij ons is voortdurend het produktiesysteem het uitgangspunt van ons onderzoek.

Illustraties: Een karn die het midden houdt tussen het oude karnmodel en het nieuwste. De houten kuip draait niet rond, maar het wiel zet twee raderen in beweging, die zich binnenin de ton bevinden. De kuip kan variëren van 300 tot 900 liter inhoud.

Het interieur van een Friese melkkelder. Rechts door de deuropening is de karnton nog zichtbaar. Het kleine vat op de voorgrond is een botervat, daarachter staan melktonnen.

Schilderij van Ids Wierdsma circa 1920

Een karn die het midden houdt tussen het oude karnmodel en nieuwste. De houten kuip draait niet rond, maar het wiel zet twee raderen in beweging, die zich binnenin de ton bevinden. De kuip kan variëren van 300 tot 900 liter inhoud.

Het belangrijkste onderdeel van het fabricageproces vindt plaats in het karnlokaal. In de karns worden de twee hoofdbestanddelen, oleomargarine en melk, samengevoegd en komt de emulsie tot stand. De karns worden aangedreven door aandrijfriemen en drijfstangen, die in verbinding staan met stoommachines.