Oost-Timor herdenkt bloedbad gelaten

JAKARTA, 12 NOV. In Dili, de hoofdstad van Oost-Timor, verstreek vandaag een noodlotsdatum in een sfeer van gelatenheid. Het is precies een jaar geleden dat Indonesische militairen een bloedbad aanrichtten onder Oosttimorese betogers. Leger en politie deden er vandaag alles aan om een demonstratieve herdenking van de schietpartij, waarbij tientallen slachtoffers vielen, te voorkomen. Niemand leek uit op een nieuwe confrontatie.

Intussen breekt men zich in Jakarta het hoofd hoe men zijn jongste provincie, die in 1976 werd geannexeerd nadat Portugal deze kolonie in 1975 had ontruimd, kan pacificeren zonder internationale repercussies. Voor de ingang tot de begraafplaats Santa Cruz, waar op 12 november 1991 de noodlottige schoten vielen, passeerden vandaag af en toe vrachtwagens met soldaten in gevechtstenue. Rond de Motael-kerk aan de zeezijde van Dili, waar de demonstratieve processie vorig jaar begon, waren ongewapende politiemannen geposteerd. De ochtendmis in de kerken van Dili werd goed bezocht, maar de hoofdstedelijke priesters hadden afgesproken om geen speciale herdenkingsdiensten te houden.

Langs de toegangswegen naar Dili zijn al enige dagen geleden extra controleposten opgericht en mensen van buiten de stad die geen bevredigende reden konden opgeven voor hun bezoek, werden teruggestuurd. Zowel in de stad als in de omringende dorpen werden identiteitspapieren met de regelmaat van de klok gecontroleerd. Als anti-Indonesisch bekend staande personen zijn opgepakt en voor ondervraging meegenomen. Een onafhankelijke waarnemer in Dili noemde de verhoogde activiteit van de veiligheidsorganen in een telefonisch vraaggesprek “frustrerend, maar niet buitengewoon”. “Deze aanpak is inmiddels routine in Oost-Timor. Zodra er hier iets broeit, werken leger en politie hun lijsten met zogenaamde subversieve elementen af.” Brigadier-generaal Theo Syafei, de nieuwe regionale commandant, maakte er geen geheim van dat de veiligheidsorganen een preventieve operatie uitvoerden: “We zijn op onze hoede en nemen maatregelen om te voorkomen dat er iets misgaat”.

De huidige gelatenheid staat in schril contrast tot de broeierige sfeer die voorafging aan de grote demonstratie van 12 november vorig jaar, toen Portugese parlementariërs op het laatste moment hun lang verwachte bezoek aan Oost-Timor afzegden. Dat riep grote spanningen op, zowel onder de bevolking als onder de militairen, die zich ontlaadden in een demonstratieve optocht en een furieuze schietpartij. De betoging was begonnen als een processie naar het graf van een anti-Indonesische activist, die twee weken eerder in een botsing met pro-Indonesische elementen was doodgeschoten, maar groeide uit tot een politieke demonstratie, waarin vlaggen van de verzetsbeweging Fretilin werden meegevoerd. Bij de begraafplaats openden in allerijl aangevoerde soldaten zonder bevel het vuur. Daarbij vielen volgens een officieel onderzoek “ten minste vijftig” doden, terwijl getuigen het aantal dodelijke slachtoffers op “zeker honderd” hielden.

De bloedige schietpartij maakte het een en ander los. Zo werd een officieel onderzoek ingesteld naar het legeroptreden. Het rapport week sterk af van de officiële legerversie en repte van “gebrek aan discipline” en “overmatig gebruik van geweld”. Een aantal hoge officieren, onder wie de regionale commandant, brigadier-generaal Rudolf S. Warouw, werd overgeplaatst en bij de schietpartij betrokken militairen kwamen voor de krijgsraad. De hoogste straf voor een militair was anderhalf jaar cel, terwijl de straffen voor demonstranten varieerden van drie jaar tot levenslang. "Dili' en zijn nasleep kregen ongekende aandacht in de Indonesische pers en zette de buitenlandse betrekkingen van Indonesië onder druk.

Regering en legertop in Jakarta wisten na 12 november niet goed raad met Oost-Timor. Alles wat men de voorgaande jaren had geprobeerd was faliekant verkeerd uitgepakt. Toen het gebied na jaren van isolement in 1989 werd opengesteld voor buitenlanders, kwam het bij bezoeken van de paus en de Amerikaanse ambassadeur tot een reeks grote anti-Indonesische demonstraties. Een maatregel die bedoeld was om de wereld te wennen aan het idee van een Indonesisch Oost-Timor leidde na jaren van vergetelheid tot een golf van negatieve publiciteit. De zachte aanpak van commandant Warouw - niet slaan, maar praten - leidde alleen tot meer demonstraties en tot verminderde discipline onder het militaire contingent. Wat overdag niet mocht, gebeurde 's nachts. Gemaskerde militairen en politiemannen haalden notoire demonstranten van hun bed en sloegen hen bij wijze van waarschuwing in elkaar, wat veel kwaad bloed zette.

Terwijl Jakarta de oudere generatie als verloren beschouwde en zijn hoop vestigde op de jongeren, die hadden geprofiteerd van Indonesische voorzieningen en onderwijs, waren het juist die jongeren die de straat opgingen en op 12 november werden neergeschoten. Jakarta is intern verdeeld: het ministerie van buitenlandse zaken, voorop minister Ali Alatas, is voorstander van een verdere opening van het gebied. Hernieuwde afsluiting en een harde hand kan men tegenover de buitenwereld niet meer verdedigen.

Het leger verwijt Alatas dat hij het diplomatieke spel met Portugal heeft verloren en de militairen met de brokken heeft laten zitten. Die laatsten zien vooral een veiligheidsprobleem. Dat komt niet zozeer uit de bergen, waar zich volgens commandant Syafei nog 216 guerrilla-strijders van het Fretilin schuilhouden, maar uit de scholen, waar een hele generatie jongeren door Indonesische leerkrachten wordt opgeleid tot werklozen. Het onderwijspeil is bedroevend, de enige werkgever van betekenis in Oost-Timor, het overheidsapparaat, zit voor jaren dicht, de lokale handel wordt beheerst door nieuwkomers van Java en andere eilanden en de export van Dili-koffie is stevig in handen van het leger.

Het voorlopige antwoord van Jakarta op "12 november' was herstel van de militaire discipline en de openbare veiligheid. Daartoe werd de scherpslijper Syafei tot commandant benoemd. Hij heeft de wind eronder: het leger treedt gedisciplineerder op en de nachtelijke strafexpedities van gemaskerde "freelancers' zijn afgelopen. Dat heeft op de korte termijn een positief effect: er vallen minder geweldsslachtoffers. De schaduwzijde van deze veiligheidsaanpak is dat de bevolking onder grotere druk staat. Volgens waarnemers kan die pressie niet ongestraft aanhouden en zal zij op den duur tot nieuwe uitbarstingen van onvrede leiden.

    • Dirk Vlasblom