Kinderbescherming "doet het nooit goed'

Weinig instellingen hebben de afgelopen jaren onder zo'n spervuur van kritiek gestaan als de Raden voor de Kinderbescherming. Kritiek op de manier waarop de Raden adviezen over omgangsregelingen tussen kinderen en gescheiden ouders aan de rechter uitbrengen. Aanmerkingen ook op de voorbereiding van de maatregelen van een ondertoezichtstelling van een minderjarige (ots). Het kan anders, beter, vinden ze zelf ook.

Twee jongens van 12 en 14 jaar staan op de stoep bij de Raad voor de Kinderbescherming in Amsterdam. Ze zijn al zwervend door de binnenstad opgepakt door de politie. Het enige wat ze willen zeggen is dat ze uit Roemenië komen. “Wat moet je dan?” De directeur van de Amsterdamse Raad voor de Kinderbescherming, mr. H. van Asselt, maakt een gebaar van machteloosheid als hij het verhaal vertelt waar hij deze zomer mee te maken kreeg. “Dan ga je rondrijden om die jongens ergens onder te brengen. Er was geen tehuis te vinden waar ze terecht konden. Ook het Grenshospitium wilde de jongens niet opnemen. En als je ze over de grens zet ben je strafbaar. Dus wat hoop je? Dat ze uit je auto ontsnappen wanneer jij even sigaretten gaat halen”.

Zaken als deze houden hem duidelijk meer bezig dan de negatieve verhalen over de Raden. Daar kan hij zich niet meer echt over opwinden. Van Asselt: “We doen het natuurlijk nooit goed. Er is altijd wel iemand teleurgesteld. Als er iets misgaat zijn wij de zondebok. Dan zoeken boze ouders de publiciteit”. Om er meteen ruiterlijk aan toe te voegen dat “de kinderbescherming in het verleden ook wel eens is doorgeslagen”.

De Amsterdamse Raad, een van de 19 raden in Nederland, zetelt in hetzelfde gebouwencomplex als de rechtbank aan de Parnassusweg. Vorig jaar werden in totaal 2.129 zaken behandeld, variërend van echtscheidingszaken (403), klachten of problemen bij de opvoeding die kunnen leiden tot een kinderbeschermingsmaatregel (676), naamswijziging (38), adoptie (162) en strafzaken (731). De cliënten bestaan voor ongeveer de helft uit niet-Nederlanders.

Met de lokatie zijn Van Asselt en zijn medewerkers niet onverdeeld gelukkig. “We zitten hier veel te dicht op Justitie. De mensen verwarren ons toch al gemakkelijk met het justitiële apparaat. Het is niet goed voor ons eigen gezicht”. Een voordeel van de inwoning bij justitie is evenwel dat medewerkers van de raad binnen een paar minuten bij een zitting van de (kinder)rechter kunnen zijn.

Bijvoorbeeld over een (proef) omgangsregeling van een vader met zijn 6-jarig dochtertje. Een maatschappelijk werker van de Amsterdamse raad heeft onderzoek gedaan en de rechter gerapporteerd. Al bij binnenkomst in de zaal werpt het ex-paar elkaar vernietigende blikken toe. De donkere moeder in haar felgele jurk steekt meteen van wal. Ze weet het heel zeker, zij zal niet meewerken aan een omgangsregeling tussen Astrid en haar ex-man. Weet meneer de rechter wel wat er dan gebeurt, zegt ze fel. “Haar vader zal er alles aan doen om Astrid bij mij weg te halen. Hij heeft meer geld, gaat kadootjes kopen.” Geduldig legt de kinderrechter uit dat ze wel moet meewerken: “dat is wettelijk nu eenmaal zo geregeld. Het is ook eerlijker om te kijken hoe het gaat, zo'n omgangsregeling, hoe Astrid haar vader benadert.” De vader zit er grinnikend bij, zegt al twee jaar te wachten op zo'n regeling. “Zal ik dan zo gek zijn dat te verpesten?” Een altijd op de zitting aanwezige medewerkster van de Raad probeert de moeder te overtuigen. “U bent de voogdes, u hoeft niet bang te zijn.” Vader mag Astrid van de rechter om te beginnen drie maal een uur op proef bezoeken, in aanwezigheid van een maatschappelijk werker.

Zo'n proefcontact van een vader en een kind, die elkaar vaak lang niet hebben gezien, is ook voor ons ontzettend moeilijk,” zegt een maatschappelijk werkster. “Wij zitten daar dan bij, maar wat moet je ermee? Als zo'n omgangsregeling niet loopt zou er beter door de Riagg kunnen worden begeleid dan door ons.” Ze kan zich ook de onzekerheid van de ouders voorstellen als er door de rechter een maatregel is uitgesproken. “Na het uitspreken van een ondertoezichtstelling en de benoeming van een voogd duurt het wel drie maanden voor er iets gebeurt. Mensen raken in een vacuüm. De Raad staat dan eigenlijk al buitenspel, wij hebben er eigenlijk niets meer mee te maken, maar dat snappen mensen vaak niet. Die bellen ons toch steeds op om te vragen hoe het er mee staat.”

Om onderzoek te doen naar de klachten over de Raden voor de Kinderbescherming werd in 1990 een commissie aan het werk gezet. Er werden 141 klachten bestudeerd die in 1988 over de Raden waren ingediend. Drie op de vier klachten bleken betrekking te hebben op de rol van de Raden bij echtscheidingsproblemen: aan de manier waarop stelling wordt genomen bij tegengestelde belangen tussen ouders en kinderen. Volgens directeur Van Asselt willen de Raden liefst helemaal niet meer worden gekend in zaken van echtscheidingen. “Niet uit angst om een zekere verantwoordelijkheid te dragen maar omdat wij vinden dat ouders hun zaken zelf moeten regelen. De rechter zou alleen bij uiterste noodzaak de Raad moeten inschakelen, bijvoorbeeld wanneer een door de rechter opgelegde omgangsregeling tot grote problemen leidt tussen de voormalige echtelieden waarbij een kind dan de dupe dreigt te worden.”

Binnen de Raden voor de Kinderbescherming groeit de wens zich vooral te richten op de rechten van kinderen: bijvoorbeeld kinderen van drugverslaafde ouders, die zonder hulp van buitenaf in de goot belanden of kinderen die stelselmatig worden mishandeld. Of kinderen die een dringende medische ingreep nodig hebben maar waarvoor de ouders geen toestemming geven als gevolg waarvan het kind aan de Raad zou kunnen worden toevertrouwd. Dit zou ook kunnen gebeuren bij een bloedtransfusie van kinderen van Jehova's-Getuigen.

Van Asselt: “Stel er ligt een kind in het ziekenhuis met een waterhoofd dat op knappen staat. Dan belt de arts naar de Raad omdat de ouders geen toestemming geven om in te grijpen. Wij gaan dan naar het ziekenhuis, praten met de arts en de betrokken ouders en vragen zonodig aan de officier van justitie het kind aan de Raad toe te vertrouwen en ouders in de uitoefening van hun gezag te schorsen.” Over de vraag of er ook ingegrepen zou moeten worden bij kinderen die niet tegen polio zijn ingeënt en van wie bijvoorbeeld familieleden of buren zijn besmet, is de discussie nog gaande.

Iedereen met vragen of problemen die iets te maken hebben met ouderlijke macht, voogdij of moeilijkheden bij de opvoeding kan terecht op het dagelijks spreekuur bij de Raad. In Amsterdam meldden zich vorig jaar 612 bezoekers tijdens het spreekuur. Deze ochtend meldt zich een echtpaar met hun 14-jarige zoon Bas. Bas, die zelf geen woord zegt, zou thuis niet te hanteren zijn. “Hij terroriseert de boel en maakt ons gezin kapot, er gebeuren straks ongelukken”, aldus een geëmotioneerde vader. Het lijkt vader en moeder het beste wanneer Bas een poosje naar een internaat zou gaan. Niet naar een gastgezin, “dan loopt hij zo weg”.

Het onderbrengen in een tehuis van kinderen die in een noodsituatie zitten is volgens de maatschappelijk werkers "een ramp'. “Ouders denken dat we ze in een geval als dat van Bas meteen kunnen helpen, maar er zijn veel te weinig opvanghuizen en particuliere opvang is er helemaal niet. Een baby ben je zo kwijt, maar jongens tussen de veertien en achttien wil niemand hebben. Je moet soms dagen bellen voor een plaats in een internaat.” Als een internaat al bereid gevonden wordt, moet er nog heel wat gebeuren wil het kind daar ook daadwerkelijk geplaatst worden. Het simpele feit dat het "op straat staat' is niet voldoende meer voor opvang. Het kind moet kunnen uitleggen wat het probleem is, moet "motiveren' waarom hij van huis is weggelopen en moet vertellen wat de plannen voor de nabije toekomst zijn. “Alsof zo'n kind dat kan in die omstandigheden”, verzucht een maatschappelijk werkster. Om dit probleem op te lossen onderzoekt de Amsterdamse Raad inmiddels de mogelijkheid van laagdrempelige "overbruggingsplaatsen' in tehuizen. Zit een kind daar een tijdje dan kan worden bekeken wat vervolgens het beste is.

De politiek bracht in antwoord op de al jaren bestaande onvrede over het functioneren van de Raden, deze zomer een contourennota "Onderweg naar een nieuwe jeugdbescherming' uit. Kern van de nota is het samengaan van de Raden voor de Kinderbescherming met de voogdij-instellingen en de jeugdreclassering tot één bureau jeugdbescherming. Critici zijn echter van mening dat onderzoek en uitvoering van een justitële maatregel niet door één organisatie mag gebeuren. “Eén bureau jeugdbescherming is belachelijk”, vinden ook de maatschappelijk werkers. “Het is dan niet inzichtelijk meer wat waar gebeurt. Instellingen voor de Gezinsvoogdij zijn uitvoerders. De Raad is onderzoeker. Die taken kunnen niet verenigd worden.”

Het plan is inmiddels van tafel en staatssecretaris Kosto (justitie) kwam begin deze maand met een nieuw voorstel: samenvoeging van de Raden in kleine arrondissementen en schaalvergroting bij de instellingen voor de gezinsvoogdij. Daarnaast wil Kosto een landelijk servicecentrum opzetten voor de jeugdbescherming wat zowel de Raden als de instellingen voor gezinsvoogdij moet ondersteunen.

Voor Van Asselt is het duidelijk dat al die plannen vooral voortkomen uit de wens tot bezuiniging. Hij vindt het echter wel “een goede zaak dat er nu meer waarde wordt gehecht aan jeugdbescherming. De politiek had daar vroeger geen enkele belangstelling voor. Men ging altijd uit van geschonden rechten van volwassenen.” De Amsterdamse Raad is inmiddels zelf al begonnen meer het accent te leggen op hulp aan jongeren. Maandelijks is er overleg met leerplichtambtenaren en politie over schoolverzuim en er zijn bijvoorbeeld contacten met de Riagg's en de bureau's vertrouwensartsen. Van Assselt: “Je moet zelf het initiatief nemen en je niet alles door Justitie laten opleggen”. Initiatieven die wat hem betreft moeten leiden naar meer rechten voor minderjarigen.