HUMANISTISCHE RAAD

Ton Jorna. Raad geven. Utrecht, College Uitgevers, 483 blz.

Promotie Universiteit voor Humanistiek, 30 oktober 1992. Promotores: Prof.dr. H.P. Kunneman en prof.dr. C.W.M. Verhoeven.

Dit is een van de eerste proefschriften uit de Universiteit voor Humanistiek. Ton Jorna is zelf als docent verbonden aan deze kleine nieuwe universiteit, die net zo als de ook in Utrecht gevestigde Katholieke Theologische Universiteit een ambtsopleiding biedt. De doctorandus in de humanistiek kan door het Humanistisch Verbond gevraagd worden de geestelijke verzorging van ouderen, zieken, gevangenen of militairen op zich te nemen, maar daarnaast zijn er ook mogelijkheden in het vormingswerk, in het onderwijs of in een eigen praktijk als zelfstandig gevestigd humanistisch raadsman of -vrouw. De opleiding, die zes jaar duurt, heeft een sterk interdisciplinair karakter en de meesten van de zeven hoogleraren zijn socioloog of filosoof.

Het Humanistisch Verbond is zelf maar klein, maar de geestelijke verzorging die onder auspiciën van het Verbond wordt geboden, richt zich in principe op iedereen die daar behoefte aan heeft en meer in het bijzonder op de mensen zonder religieuze binding. Dat is inmiddels al meer dan de helft van de Nederlandse bevolking en ook al is bij velen nog wel een vaag Godsbesef aanwezig, een houvast wordt daar niet in gevonden of gezocht. Dat betekent niet dat er dan ook geen vragen zijn over de zin van het bestaan of de betekenis van wat men in het leven meemaakt.

"Humanistische raadslieden' - onder die naam zijn de humanistische beroepsbeoefenaren het meest bekend - kunnen dan helpen een persoonlijk antwoord op die vragen te vinden zonder daarbij terug te grijpen op buiten- of bovenmenselijke krachten. Het humanisme is bij uitstek een levensbeschouwing van en voor mensen die leven in een "onttoverde', volledig geseculariseerde wereld, waarin hoogstens nog de hoop bestaat dat redelijk inzicht en een vertrouwen op de goede wil van mensen tot een verhoging van de menselijkheid van de samenleving zal leiden.

Het boek van Jorna gaat over een kernactiviteit in het werk van de humanistische geestelijke verzorgers: het geven van raad aan mensen met levensproblemen. De aard van de levensproblemen doet er op zich niet zoveel toe, het kan gaan om identiteitsproblemen en relatieproblemen, om de verwerking van een groot verlies of van een ernstige ziekte, om angst voor de toekomst of onzekerheid over het eigen werk. In alle gevallen gaat het echter om voor de betrokken persoon essentiële en existentiële problemen, waar geen pasklare of algemeen geldende oplossing voor bestaat. Wat voor de een de oplossing is, zal voor een ander een onbegaanbare weg zijn of zelfs een nieuw probleem erbij.

Kan de humanistische raadsman of -vrouw helpen een uitweg uit de impasse te vinden en hoe kan hij of zij dat dan: is er zoiets als een humanistische raadgeving of een humanistische praktijk van raad geven?

Voor Jorna is er geen verschil tussen "echt' raadgeven en "humanistisch' raadgeven, maar ook dan komt het niet tot een duidelijk antwoord op de vraag. In ieder geval komt er niet een antwoord dat de "humanisticus practicus' helpt zijn werk beter te doen. De vraag naar het raad geven wordt als een steen in de vijver gegooid en vervolgens worden de rimpels die de steen in het water maakt, nauwkeurig beschreven. Tegen de tijd dat ook de laatste rimpel in kaart is gebracht, ligt de steen ver weg op de bodem en is het water weer helemaal glad. Wij zijn 500 bladzijden verder van huis en nauwelijks een stap dichter bij een antwoord.

Dat klinkt streng en lijkt te suggereren dat ik dit een slecht proefschrift vind. Dat vind ik het niet, maar het is wel een wanhopig makend proefschrift dat een gevoel van radeloosheid achterlaat. Dat heeft zowel met de omvang als met het genre en de aanpak te maken. In veel opzichten lijkt het een herleving van een fenomenologie die in woordenspelletjes essenties dacht te vinden: "Wij weten ons geen raad en hebben geen raad voor anderen. Wij zijn radeloze mensen.' Het probleem wordt eindeloos gesteld en steeds opnieuw verwoord, lijkt daardoor eerst concreter te worden om vervolgens te vervluchtigen in abstracte begrippen en vage algemeenheden.

De aanpak is verwarrend. De relatie van de verschillende onderdelen van de studie is onduidelijk en zonder nadere uitleg worden "basiscoördinaten' inzake de vraag naar raad ingevoerd en vervolgens onderbroken voor "Tao', waarna een nette conceptuele analyse van het woord "raad' volgt. Dan begint even plotseling een tweede deel, waarin verschillende aspecten van raadgeven worden besproken aan de hand van een analyse van 20 verschillende auteurs als Walter Benjamin, Rainer Maria Rilke en Martin Buber. Na dit hooggestemde deel volgen 200 bladzijden monologen van humanistische raadsvrouwen, spirituele therapeuten, zen-leraren, pastores, paranormale genezers en tarotleggers. Afsluitend is er dan nog een slotaccoord van raad-termen, raad weten en raad geven.

Minder zou meer geweest zijn, al zullen onderzoekers over honderd jaar Ton Jorna eeuwig dankbaar blijven dat hij de gedachten van "Ria Keesstra (1944), spiritueel therapeute' zo uitvoerig en letterlijk heeft opgeschreven ("je levensplan is het plan dat je maakt voordat je naar de aarde komt') of paranormaal genezeres Toor de Haas (1956) heeft laten uitleggen dat je om tot de organisatie van paranormale genezers te worden toegelaten, "tweemaal tien genezingen' moet doen. Zulke dingen gaan er bij mij in als Gods woord in een ouderling, maar ik ben bang dat de grote voorganger van de humanisten, prof.dr. J.P. van Praag, zich in zijn graaf zou omdraaien als hij wist dat Jorna juist bij de moderne "spirituelen', de vertegenwoordigers van wat tegenwoordig New Age genoemdd wordt, een bijzonder aansprekende wijze van raad weten en raad geven vaststelt. Hij staat daarin niet alleen, want nog niet zo lang geleden publiceerde de hoogleraar godsdienstsociologie van de Katholieke Theologische Universiteit, Henri Hilhorst, in het tijdschrift "Pastorale Theologie' een artikel, waarin hij zich opvallend positief uitliet over de New Age-beweging als "deel van onze toekomstige godsdienstige zingeving'.

Daarmee zijn we aangeland bij het thema, dat Jorna's proefschrift zo fascinerend maakt. Hier is een humanist aan het woord die zich laat inspireren door ideeën die in de Verenigde Staten ten dele wel onder de noemer "humanistic psychology' ingang hebben gevonden, maar in de ogen van de toch wat cerebrale en rationalistische Nederlandse humanisten op zijn minst verdacht zijn. Kijk, zegt Jorna, ik ben het niet eens met mensen als Walter Benjamin die ervan uitgaan dat raad geven in de moderne samenleving bijna onmogelijk is geworden, omdat wij wel veel meemaken, maar geen ervaringen meer opdoen die verbindend zijn voor de toekomst en doorgegeven kunnen worden aan volgende generaties. Dat geldt ook voor raad of hulpverlening op persoonlijk gebied en juist waar deze zich als psychotherapie aanbiedt, wordt zichtbaar dat men zich niet meer op ervaring, maar alleen nog op techniek kan beroepen. Dat is voor mensen toch te weinig en doet hun behoefte aan raad te weinig recht.

De juistheid van deze stelling wordt door Jorna niet empirisch onderzocht, hij ontwikkelt meteen een strategie om aan het dilemma van Benjamin te ontsnappen. Benjamin ging uit van de raadgever en zijn onvermogen, beter is het echter om uit te gaan van de raadvrager en zijn onmacht. De raadgever kan alleen raadgever zijn, als hij in staat is te luisteren naar het verhaal van zijn cliënt en daarin als het ware de dragende melodie te horen die de raadvrager zich misschien zelf nog niet bewust is. Omdat het bij het raadgeven niet om tips gaat, maar om het leven zelf, is de taak van de raadgever niet simpel de weg te wijzen, maar de cliënt te helpen zijn eigen weg te vinden. Daar is meer voor nodig dan een uitwisseling van woorden, het gaat ook om intutie, om gevoel, om de levende zekerheid deel uit te maken van een groter geheel, waarin het eigen bestaan opgenomen is. Er is meer dan het hier en nu, niet in de transcendente, maar wel in de spirituele zin van het woord.

De raadgever kan de cliënt helpen de volheid en heelheid van zijn bestaan te vinden. Dat kan hij beter, naarmate hij meer "raad weet', dat wil zeggen, beschikt over een "levenshouding die vanuit bezielde ervaring is ontstaan, een ervaring die is verwerkt en bewerkt tot een doorleefd weten dat in het contact met de cliënt kan worden waargemaakt... Degene die raad weet heeft geleerd troebele zaken uit te zuiveren en ingewikkelde zaken eenvoudig te maken.' Dat laatste klinkt redelijk en begrijpelijk en op het eind van het boek is raad weer gewoon "een kunst en een kunde', de kunst om niet vooringenomen te zijn en de kunde, zoals die in de ambtsopleiding op de universiteit of elders geleerd wordt.

Uiteindelijk komt het neer op niet veel meer dan de conclusie dat raad niet opgedrongen moet worden, maar aan moet sluiten bij de behoeften van de cliënt. Dat is natuurlijk niets nieuws en onderscheidt het humanistisch raadswezen ook nauwelijks meer van veel psychosociale begeleiding, maatschappelijk werk of pastorale zorg. Je zou ook kunnen zeggen, dat deze inmiddels zelf zo "humanistisch' geworden zijn ("wat denkt u er zelf van?'), dat de ware humanist de behoefte voelt om zich toch weer te onderscheiden. Jorna probeert dat met veel omhaal van woorden en veel buigingen voor raadgevers die zelf zoveel hebben meegemaakt en in het lichaam, de natuur of de kosmos de wijsheid hebben ontdekt. Ik ben er toch niet zo zeker van dat holisme en spiritualiteit, New Age en intensieve lichaamsmassage, reïncarnatie en chakrabehandeling - hoe decent als raad verpakt ook - passen in het "levensplan' van het humanisme.