Het vernieuwde censuskiesrecht

Het waren de vertrouwde beelden die de afgelopen dagen tot ons kwamen. De overlegeconomie draaide als vanouds op volle toeren. Voorzitters van werkgevers- en werknemersorganisaties pendelend tussen het gebouw van de Sociaal-Economische Raad in Den Haag en het ministerie van algemene zaken. Rinnooy Kan en Stekelenburg in gesprek met elkaar, Rinnooy Kan en Stekelenburg in gesprek met het kabinet, Rinnooy Kan en Stekelenburg dicht bij een akkoord, Rinnooy Kan en Stekelenburg uit elkaar zonder akkoord en uiteindelijk dan de voorlopige apotheose kort na middernacht: toch een akkoord(je).

De politiek haalt vandaag opgelucht adem. De lonen worden gematigd met als gevolg dat de economische vooruitzichten iets minder ongunstig worden. Althans, dat zeggen de in Nederland heilige modellen. Het Centraal Planbureau heeft de positieve effecten op voorhand uitgerekend. Eerst het model, dan het gesprek. Nu het "no regret scenario' min of meer is geaccepteerd, dat wil zeggen niet direct is verworpen, wordt voorkomen dat de werkloosheid de komende jaren weer fors gaat toenemen, aldus het model. Lovende woorden ongetwijfeld vandaag van de politiek aan het adres van de sociale partners. Zij hebben immers voldaan aan datgene waartoe zij een maand geleden tijdens de algemene beschouwingen door bijna de hele Tweede Kamer werden opgeroepen.

En niet alleen de economie is gered, maar ook de nationale overlegeconomie. Want dat was de waarschuwing van dezelfde Tweede Kamer toen de oproep aan werkgevers en werknemers werd gedaan: het uitblijven van een akkoord zou het einde kunnen betekenen van het Nederlandse model. Het overleg blijft; bi-partite, tripartite, met als zekere uitkomst dat dezelfde Kamerleden die zo hoog opgeven van dit systeem zich in de laatste fase maar hebben te schikken.

Dat is nu eenmaal het neveneffect van het permanente streven naar consensus met de sociale partners: de buitenstaander is altijd het parlement dat in de laatste fase wordt geconfronteerd met een "offer they can't refuse'. Aan de Tweede Kamer slechts de taak het produkt te legitimeren dat de belangenorganisaties onderling of met het kabinet hebben uitonderhandeld.

Op de laatste dag van de algemene beschouwingen nam de Tweede Kamer vorige maand met uitzondering van de VVD een motie aan waarin werkgevers en werknemers werden opgeroepen afspraken te maken over loonmatiging. Een motie van de VVD waarin de oproep vergezeld ging van de bereidheid in ruil voor loonmatiging van overheidswege met lastenverlichting te komen, was kort daarvoor door dezelfde Kamermeerderheid verworpen. Een dag later werd in een commissie van de Sociaal-Economische Raad het ontwerp-advies vastgesteld over de wijze waarop de Nederlandse economie zich aan Europa diende aan te passen. Kern van dat advies: beheerste loonkostenontwikkeling zou de lijn voor de komende jaren moeten zijn. Om dat proces te stimuleren diende de overheid de lasten te verlagen. De verworpen motie van de VVD werd zodoende enkele honderden meters verderop in Den Haag, in het gebouw van de Sociaal-Economische Raad, alsnog aangenomen.

Naar aanleiding van deze vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid de vraag stellen wie er eigenlijk regeert, werd als onheus afgedaan. De overlegeconomie is dan ook zo ingebakken in de Nederlandse cultuur, dat het ter discussie stellen ervan bijna gelijk staat aan landverraad. Het verweer van de sociale partners was dat het advies de middellange termijn betrof, terwijl de oproep van de Tweede Kamer veel maar was gericht op het komende jaar. En, zo zeiden zij verder, stond in datzelfde advies niet juist dat er "gerevitaliseerde overlegeconomie' moest komen waarbij ieders eigen verantwoordelijkheid werd gerespecteerd? En inderdaad, het staat er. “Op basis van de wederzijdse erkenning van bevoegdheden en verantwoordelijkheden dient elk van de partijen in de overlegeconomie bereid te zijn om beleidsinspanningen binnen de eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden te richten op gemeenschappelijke beleidsoriëntaties.”

Des te opmerkelijker is het daarom dat dezelfde werkgevers en werknemers op weg naar hun sociaal akkoord voor het komend jaar zich nog niets hebben aangetrokken van die zelf uitgesproken erkenning van bevoegheden en verantwoordelijkheden. Want wat vroegen de werkgevers van het kabinet om een centraal akkoord mogelijk te maken? Extra lastenverlichting. En wat vroeg tegelijkertijd de vakbeweging van het kabinet? Verzachting van de vorig jaar voorgenomen ingreep in de WAO-uitkeringen. De bemoeiienis van werkgevers en werknemers met zaken die allereerst de politiek aangaan, blijft zodoende een onuitroeibaar verschijnsel. Zodra de gasten tot de bakkerij worden toegelaten, kunnen ze niet van de koekjes afblijven.

De niet-gekozenen sturen het parlementaire debat. Of, zoals CDA-fractievoorzitter Brinkman het vorige maand in zijn Rotterdamse Burgerzaallezing uitdrukte: “In circuits van adviesraden en driezijdig overleg van werknemers, werkgevers en overheden worden beleidsvoornemens vaak in langdurige rituele dansen om zeep geholpen voordat de volksvertegenwoordigers eraan te pas komen”. Wat in feite gaande is, is de sluipende herinvoering van het censuskiesrecht. Zij die contributie betalen aan een ondernemers- dan wel vakorganisatie hebben het echt voor het zeggen. De gekozen politici kunnen slechts volgen. “Eerherstel voor de politiek”, riep PvdA-fractievoorzitter Wöltgens twee jaar geleden. “Herstel de verantwoordelijkheid”, zei zijn collega Brinkman hem vorige maand na. Maar deze vrome wensen moeten even wachten voor het nog grotere belang dat de politiek heeft bij een sociaal akkoord, ook al is dat niet meer dan een compromis in het kwadraat.

Het is het trieste lot van de Nederlandse volksvertegenwoordiger die tot een regeringsfractie behoort. Als hij niet is gebonden aan een regeerakkoord, zit hij wel vast aan een akkoord van de sociale partners. De direct gekozene past slechts bescheidenheid, terwijl de niet-gekozenen het land besturen.