Droeve geschiedenis van Kareol weerspiegeld in teloorgang van het huisorgel; "Wanhoopsdaad' moet laatste resten redden

AMSTERDAM, 12 NOV. Een van de treurigste affaires in de monumentenzorg tijdens deze eeuwhelft - de teloorgang van het landgoed Kareol - herhaalt zich dezer dagen op kleine schaal.

Het uit Kareol afkomstige orgel van de Amsterdamse Elthetokerk, die op de nominatie staat te worden gesloopt, blijkt helaas al voor een groot deel verdwenen, zo stelt Kasper Janse van het Nederlands Piano en Pianola Museum vast. Het merendeel van de pijpen is weg en het kerkbestuur heeft ook een groot deel van de andere verkoopbare onderdelen voor een habbekrats van de hand gedaan. De windladen en talrijke andere onverkoopbare onderdelen die op de orgelzolder waren achtergebleven - tot Janse ze afgelopen dinsdag redde - gaven volgens hem “de indruk van een geplunderde grafkamer nadat grafrovers hun verwoestende werk hadden gedaan.”

Het uit ongeveer 1910 daterende orgel van de Elthetokerk was om twee redenen bijzonder. Het was gefabriceerd door de Amerikaanse orgelbouwer The Aeolian Company, destijds de grootste producent van pianola's. Het waren automatisch spelende instrumenten die werden bediend met een papieren muziekrol met gaatjes, zoals ook een draaiorgel op straat werkt. The Aeolian Company bouwde meer dan duizend van zulk soort orgels. Maar het Aeolian-orgel uit de Elthetokerk was uitzonderlijk groot van omvang: het had tussen de twintig en dertig registers. Van dit type zijn waarschijnlijk niet meer dan enkele tientallen gebouwd. Het kostte destijds 30.000 dollar, wat volgens Janse nu zeker meer dan één miljoen gulden zou zijn.

Als een nog belangrijker reden waarom dit orgel bijzonder was, noemt Janse het totnutoe nauwelijks bekende feit dat het instrument oorspronkelijk afkomstig is uit de muzieksalon van het landhuis Kareol in Aerdenhout. Het orgel is - naast enkele tegeltableaus - zelfs het enige dat nog rest van een van de merkwaardigste huizen die ooit in ons land hebben gestaan.

Kareol werd in het begin van deze eeuw gebouwd door de schatrijke zakenman Julius Carl Bunge, mededirecteur van de Amsterdamse Handelsonderneming, actief op het gebied van Deli-tabak, oliën, wol en granen. Bunge (1865-1934) was ook een muziekliefhebber, voorzitter en financier van de in 1884 opgerichte Nederlandse Wagner Vereniging en bestuurslid van het Amsterdamse Concertgebouw.

Zijn landgoed Kareol - de naam is die van de burcht van de Wagnerheld Tristan - werd vanaf 1908 gebouwd door de Zweedse architect Anders Lundberg, in samenwerking met de Nederlandse architect Foeke Kuipers. Het was een enorm complex van deels drie verdiepingen met een burchtpoort, een watertoren van 35 meter hoog, een eigen elektriciteitsvoorziening, een uitgestrekte tuin met vijvers, eikenlanen, oranjerie en kassen waarin orchideeën werden gekweekt, een tuinmanswoning en een chauffeurswoning die al de allure van een villa had.

De luxe was enorm: door de tuin reed een miniatuurtrein, op de tennisbaan werkte een Egyptische ballenjongen. De talloze kamers, bibliotheek en muzieksalon waren schitterend betimmerd en ingericht, overal waren prachtige tegeltableaus. Het geheel vormde naar opvatting en omvang een waarlijk Wagneriaans Gesamtkunstwerk, dat in ons land later slechts werd benaderd door het jachtslot St. Hubertus dat Berlage op de Hoge Veluwe bouwde voor het echtpaar Kröller-Müller. De bouwkosten van Kareol bedroegen destijds tweeëneenhalf miljoen gulden, een voor die tijd onvoorstelbaar bedrag.

Met de familie Bunge èn met Kareol zou alles heel treurig aflopen. In 1919 stierf Bunge's echtgenote Lotte aan de Spaanse griep. Bunge zelf overleed in 1934, tijdens de viering van het gouden jubileum van de Wagnervereniging aan een griep die uitliep op een longontsteking. Een van de sprekers aan zijn graf was minister Marchant, afgevaardigde van de regering. Bunge's pleegdochter Hilde Rusag erfde alles. In het begin van de Tweede Wereldoorlog stelde ze het huis ter beschikking van het Rode Kruis en ze overleed in 1941 aan een blindedarmontsteking. De inboedel, waaronder een tapijtenverzameling en een collectie familieportretten, werd ingepakt en verdween naar Duitsland, waar alles werd vernield bij een bombardement op Wuppertal.

Na de oorlog werd Kareol eigendom van de Nederlandse staat en kwam op de Bloemendaalse Monumentenlijst. In 1949 werd Kareol gekocht door de Wassenaarse paardenliefhebber Pasman, die het in 1956 overdeed aan de Exploitatie Maatschappij Scheveningen. In 1977 werd Kareol een rijksmonument, maar nieuwe eigenaren konden geen bestemming vinden voor het in verval geraakte huis. Staatssecretaris Wallis de Vries van het toenmalige ministerie van CRM gaf in 1979 ondanks talrijke protesten toestemming voor sloop.

De droeve geschiedenis van Kareol weerspiegelt zich nu in de wederwaardigheden van het orgel, dat vlak na de oorlog vanuit de muziekkamer was overgebracht naar de Elthetokerk, aan het eind van de Amsterdamse Insulindeweg. Het verving daar een in de oorlog zwaar beschadigd orgel. Toen het besluit viel de kerk te slopen oordeelde een orgelcommissie dat het orgel geen praktisch nut meer had en kon worden afgedankt. Tal van pijpen werden als souvenir verkocht aan gemeenteleden of zomaar meegenomen.

De prachtige speeltafel met veel houtsnijwerk, waaruit al eerder het rollenmechaniek was verwijderd, ging naar het Nederlands Piano en Pianola Museum, dat op chaotische wijze is gehuisvest in een voormalig politiebureau aan de Amsterdamse Westerstraat nr. 106. Het pand, midden in de Jordaan, is overvol en het wachten is op een ontruiming van de gekraakte benedenverdieping. Secretaris Kasper Janse van het particuliere museum dacht daarom aanvankelijk geen mogelijkheden te hebben om de laatste resten van het Kareol-orgel te behoeden voor afvoer met een sloopcontainer.

Maar omdat Janse dat uiteindelijk toch niet over zijn hart kon verkrijgen heeft hij dinsdag toch maar de prachtige esdoornen elektro-pneumatische windladen en het overgebleven pijpwerk uit de Elthetokerk opgehaald en provisorisch opgeslagen. “Het is eigenlijk een wanhoopsdaad”, zegt hij.

De bedoeling is nu het orgel te reconstrueren en op te stellen in de toekomstige concertzaal van het museum. Er moet nog een inventarisatie plaatsvinden, maar zeker is dat honderden pijpen zijn verdwenen. Janse wil ze allemaal terugkrijgen of kopen en roept iedereen die er een heeft, op zich bij hem te melden. Ter bekostiging van de restauratie wil hij ook een fonds stichten. “We zijn het, na al die bedroevende ellende, aan onszelf verplicht tenminste dit orgel nog in stand te houden als herinnering aan Kareol.”

    • Kasper Jansen