Doorgaan voor een jongen

Twee golven van vrouwenemancipatie sloegen er over dit land en dat is te merken. Vraag een willekeurig modern gezin dat op het punt staat aan het nageslacht te beginnen wat ze liever hebben: een dochter of een zoon, en ze zeggen zonder ogenknipperen dat het ze lood om oud ijzer is. Een mens willen ze, meer niet.

Maar lang niet alle mensen zeggen wat ze denken, lang niet alle mensen weten wat ze denken en velen weten pas wat ze zullen doen als ze aan het doen slaan. Er gaapt een kloof tussen uitgesproken intentie en opinie en gerealiseerd gedrag en het is wonderlijk hoe weinig belangstelling daarvoor bestaat bij bij sociologen en psychologen. Ja, verkiezings-enquêteurs, die denken er wel eens overna.

Vandaag voor de aardigheid eens aandacht voor de discrepantie tussen wat ouders en ouders-in-spe beweren over het geslacht van de te verwekken kinderen en hun gerealiseerd gedrag terzake. Want het mag zo zijn dat zij weinig invloed hebben op de sexe van een te verwekken kind (het centrifugeren en aanzuren van sperma heeft nog weinig vrucht afgeworpen), in hun invloed op de omvang van het kindertal bezitten zij toch een aardig middel om de sexratio van het nageslacht-als-geheel bij te sturen.

Doeltreffende sterilisatie en betrouwbare voorbehoedsmiddelen stellen ouders al zo'n vijfentwintig jaar in staat de gezinsvorming op elk willekeurig moment te beëindigen. Het is een prettige bijkomstigheid dat zij dat steeds vroeger doen. Het gewenste kindertal ligt nog maar weinig boven de twee stuks. Daarmee is een situatie ontstaan waarin de drie- en vierkindergezinnen het antwoord kunnen geven op de vraag of ouders liegen als ze beweren dat meisjes net zo welkom zijn als jongens. Of de behoefte aan stamhouders en bedrijfsopvolgers zomaar is verdwenen. Of Nederlanders ten aanzien van hun nageslacht au fond andere overwegingen hebben dan Chinezen, die nog een schaamteloze voorkeur voor jongens bezitten. Hoeveel Derde Wereld leeft er nog op de Hollandse matras?

De redenering is deze: als een kindertal van twee stuks de norm is zal in veel gevallen aan "het doorgaan voor een derde kind' een bijzondere overweging ten grondslag liggen. Er deugt iets niet aan de eerste twee en het kan best zijn dat dat het geslacht is. De vraag is of ouders die tot dusver alleen meisjes kregen eerder geneigd zijn een derde kind te nemen dan ouders die alleen jongens hadden.

Nergens heeft men een beter zicht op bevolkingssamenstelling en gezinsvorming dan bij het Centraal Bureau voor de Statistiek in Voorburg. Bellen dus met het CBS. De vraag ontmoet enthousiasme want ook CBS-statistici beleven meer genoegen aan het interpreteren van waarnemingen dan aan het verzamelen ervan. Per kerende fax arriveert een overdruk uit de Maandstatistiek Bevolking van vorig jaar (91/5). Onderzoeker R. Zakee heeft aan de hand van uitkomsten van Onderzoek Gezinsvorming 1988 (aan 6000 vrouwen van 18 tot 37 jaar oud) nagegaan in hoeverre het geslacht van de al verkregen kinderen van invloed is op de beslissing om door te gaan voor een volgende ronde. Desgevraagd gaf 47 procent van de moeders van twee dochters te kennen nog een derde kind te willen. Voor de moeders met twee zoons was dat 46 procent, een statistisch onbetekenend verschil. Was er een tweetal van gemengd geslacht dan wilde maar 41 procent doorgaan.

Dit is de met de mond beleden gelijke waardering van meisjes en jongens die ons zo bekend voorkomt. Overigens wordt de mooie symmetrie wat verstoord door de moeders van drie kinderen die in 42 procent van de gevallen doorwilden naar een vierde kind als de eerste drie uitsluitend meisjes waren. Met drie jongen wilde maar 36 procent door, maar misschien is ook dit niet signifikant (het gaat om kleine aantallen). Van belang is dat het hier verbaal geweld betreft. Wat we willen weten is wat al die nobele ouders doen.

Op advies verder bij het Netherlands Institute for Advanced Study dat - even enthousiast - ook een fax afdrukt op AW-papier: onderzoek naar seksevoorkeur en gezinsvorming van H.G. Moors en M. Niphuis-Nell op grond van een enquête uit 1975. (Bevolking en Gezin, 1980, I). Een mooi jaren-zeventig relict met vroeg-feministisch jargon. Veel vragen met geijkte antwoorden maar tussen de uitgesproken wensen ook een klein stukje gerealiseerd gedrag.

Onder de 374 ondervraagde vrouwen met drie of meer kinderen bleken er 24 procent te zijn waarvan de eerste twee kindern uitsluitend uit meisjes bestonden en maar 19 procent met alleen jongens. Bij de 67 moeders met vier of meer kinderen lag de kennelijke voorkeur voor een zoon nog extremer maar de geringe omvang van de steekproef doet er veel af aan de zeggingskracht.

Daar lijkt de ongeëmancipeerde aap toch maar mooi uit de mouw te komen! Terug naar het CBS, want die moet deze gegevens toch in principe vor het oprapen hebben. Waarachtig. Opeens is daar onderzoeker A.H. de Jong die op 1 januari 1987 per computer een telling hield onder alle gemeenten die op dat moment een geautomatiseerd bevolkingsregister bezaten. (Maandstatistiek Bevolking 88/6) Gerealiseerd gedrag nu en geen praatjes voor de vaak. En dat niet bij honderden maar bij vele duizenden vrouwen, geboren in 1949 of later. Tabel 3 in het artikel laat zien hoe de kans op een volgend kind bepaald wordt door de geslachtssamenstelling van het al aanwezige kindertal. Zijn er twee meisjes, dan is de kans 44 procent dat men doorgaat voor een derde kind. Zijn er twee jongens dan is die kans ook 44 procent. Zijn er drie meisjes dan is de kans op een vierde kind 25 procent, zijn er drie jongens dan is dat 24 procent. Statistisch is dat een verschil van niks.

't Is te mooi om waar te zijn, maar hier moet de scepticus door de knieën. Het maakt de moderne Nederlander inderdaad geen moer meer uit. Wat hij wil is variatie: is er een jongen dan moet er een meisje komen, is er een meisje dan heeft een jongen de voorkeur. Zijn ze er allebei dan stopt men met voortplanten. Aan de basis is de emancipatie voltooid.