Buitenaards Geweld

De invloed van buitenaardse krachten op de evolutie van de aarde werd tot voor kort gering geacht. Daarin komt nu snel verandering.

Dr. H.N.A. Priem is hoogleraar planetaire geologie en isotopen-geologie te Utrecht en curator van het Artis Geologisch Museum te Amsterdam

In de nacht van 19 augustus werden Joure en omgeving opgeschrikt door een harde knal. Over een groot gebied in Friesland schudden de huizen en trilden de ramen. Met de Roermondse aardbeving van 13 april nog vers in het geheugen, dacht men even dat ook de aardkorst onder Noord Nederland in beweging was gekomen. Al snel bleek echter dat de Friese trillingen het gevolg waren van een akoestische schokgolf waarvan de oorsprong hoog in de dampkring lag. De eerste dagen werd de mogelijkheid onder ogen gezien dat het hier om een gebeurtenis van het Tunguska-type zou gaan: boven Joure zou een grote meteoriet of fragment van een komeetkern de dampkring zijn binnengedrongen met de gebruikelijke snelheid van 20-60 km per seconde. Bij afremming in de dichtere luchtlagen zou het op een hoogte van 8-10 km zijn geëxplodeerd door de omzetting van kinetische in thermische energie.

Toen een en ander was onderzocht, bleek echter dat er in Joure niets buitenaards aan de hand was. Vermoedelijk ging het om een "sonic boom', misschien afkomstig van het nieuwe geheime supersonische vliegtuig van Lockheed. Helaas heeft niet iedereen de analyse van de gegevens naar behoren afgewacht. In de zucht naar scoren die het huidige wetenschapsbedrijf beheerst, zochten sommigen overhaast publiciteit met de "buitenaardse' verklaring. Dat leidde in de media (ook internationaal) tot de canard van de explosie van een uit de ruimte binnengedrongen bolide met doorsnede van zo'n één meter, gepreciseerd als een brosse steenmeteoriet of fragment van komeetkern.

Tunguska

Jammer voor de overijverige publicisten, maar er is géén "Joure Event' vergelijkbaar (zij het op veel kleinere schaal) met de "Tunguska Event' van 30 juni 1908. Op die dag deed zich in de vroege ochtend boven het woud- en moerasgebied van de Tunguska-rivier in Siberië een enorme explosie voor. Tot op een afstand van 500 km zagen ooggetuigen een gigantische vuurbol aan de hemel, die gedurende korte tijd de Zon in helderheid overtrof. Zelfs in West-Europa, waar het op dat tijdstip nacht was, lichtte de hemel op. Hevige windvlagen, bodemtrillingen en een brullend geluid zaaiden paniek tot op 1.500 km afstand. Een hevige atmosferische schokgolf trok rond de Aarde en werd overal geregistreerd. Onder de explosie werd het woud over zo'n 1.500 km² platgeslagen, de bomen ontworteld en ontdaan van takken en bladeren, en de stammen radiaal gerangschikt rond het centrum van de explosie.

Het Tunguska-gebied is ontoegankelijk en onbewoond. Bovendien werd het Russische rijk in de eerste decennia van deze eeuw geteisterd door politieke onrust, wereldoorlog, en revolutie. De gebeurtenis in het afgelegen gebied van Siberië bleef daardoor lange tijd ononderzocht. Pas in 1927 trok een expeditie van de Sovjet Academie van Wetenschappen er heen om het verschijnsel van 30 juni 1908 te bestuderen. Sedertdien is er veel onderzoek naar de Tunguska-gebeurtenis verricht en heeft men de gebeurtenis gereconstrueerd.

De explosie moet een kracht hebben gehad van 30 tot 40 megaton TNT equivalent, overeenkomend met de explosieve kracht van zo'n duizend atoombommen van het Hiroshima-type. Zij is veroorzaakt door een komeetfragment van zo'n 200.000 ton (ongeveer 50 m doorsnede), grotendeels bestaande uit ijs. Na zijn binnendringen in de dampkring is het op een hoogte van ongeveer 8 km geëxplodeerd en grotendeels verdampt. Er ontstond géén krater op het aardoppervlak en er zijn nooit meteorietfragmenten gevonden.

Tauriden

Vermoed wordt dat de Tunguska-bolide een fragment was van de kleine komeet van Encke. Deze komeet, genoemd naar de astronoom Johann Encke die in 1820 zijn baan berekende, beschrijft een zeer excentrische baan om de Zon. De omlooptijd bedraagt 3,3 jaar. De komeet heeft bij zijn omlopen en geleidelijke desintegratie een brede baan van gruis achtergelaten, de Tauriden: in hoofdzaak stof en ijsdeeltjes, maar ook puin van allerlei afmetingen, tot en met zeer grote brokken. Ieder jaar tussen 3 en 15 november doorkruist de Aarde aan de nachtzijde de Tauriden. Dat geeft aanleiding tot een meteorenregen aan de nachtelijke hemel doordat talrijke minuscule partikeltjes de dampkring binnendringen en op grote hoogte verbranden en fel oplichten ("vallende sterren'). De Aarde doorkruist de Tauriden-stroom ieder jaar ook nog eens tussen 24 juni en 6 juli, maar nu aan de dagzijde, zodat in de regel van de verbrandende deeltjes niets te zien is. Het hoogtepunt van de meteorenregen tijdens de tweede passage ligt op 30 juni.

Het kan niet anders dan dat Aarde en Maan tijdens hun passage door de Tauriden-stroom ook wel eens grote brokken puin tegenkomen. Zo registreerden seismometers op de Maan tussen 24 en 26 juni 1975 een serie maanbevingen, veroorzaakt door de inslagen van een zwerm "keten' elk met een gewicht in de orde van een ton.

Intrigerend is ook het gedetailleerde verslag dat de middeleeuwse monnik Gervase van Canterbury geeft van opvallende vuurverschijnselen op de Maan in de avond van 18 juni 1178 volgens de Juliaanse kalender, overeenkomend met 25 juni volgens onze kalender. Het was toen nieuwe maan. De beschreven verschijnselen komen overeen met die welke optreden bij de inslag van een zeer zware meteoriet. De door de monnik aangegeven locatie op de rand van de maanschijf correspondeert met die van de Giordano Bruno krater, genoemd naar de Italiaan die in 1600 door de kerkelijke inquisitie op de brandstapel werd gezet vanwege zijn Copernicaanse opvattingen. De krater, met een diameter van 21 km, is opvallend "jong' en met zijn ontstaan door de inslag van een bolide met een doorsnede van ongeveer één km (zo'n drie à zes miljard ton), die bij de inslag een explosie teweegbracht van ongeveer 100.000 Megaton len de Aarde is de krater niet zichtbaar omdat hij net over de rand ligt, maar hij springt in het oog op fotografische opnamen die tijdens de Apollo-missies zijn gemaakt.

Diepzee-sediment

Het is al lang bekend dat er uit de buitenaardse ruimte een continue regen van meteoritisch stof en meteorieten op Aarde valt, maar tot voor kort kende men hieraan slechts een zeer bescheiden geologische rol toe - kosmisch gruis levert een kleine bijdrage aan het diepzee-sediment. Alle belangrijke geologische processen werden uitsluitend toegeschreven, direct of indirect, aan het streven tot nivellering van warmteverschillen in en op de Aarde, met als warmtebronnen de "eigen' inwendige energie van onze planeet (grotendeels de warmte die vrijkomt bij het verval van radioactieve nucliden) en de inkomende energie van de Zon. Dit beeld is de laatste jaren drastisch bijgesteld. Algemeen wordt nu onderkend dat de geologische evolutie mede is bepaald door processen waarvan de oorsprong buiten de Aarde ligt.

De "buitenaardse factor' in de evolutie van onze planeet werd voor het eerst onder ogen gezien door de Kroatische geofysicus Milutin Milankovitch. Hij berekende in 1941 dat de aantrekkingskracht van de andere planeten cyclische variaties in een aantal aardbaan-parameters teweegbrengt. Dit resulteert in ritmische fluctuaties in de verdeling van de inkomende zonnewarmte over de Aarde, wat leidt tot afwisselingen van koudere en warmere perioden in het geologisch verleden. Die afwisselingen worden in sommige sedimentaire formaties weerspiegeld in een zich telkens herhalende opeenvolging van dikkere en dunnere sedimentlagen. Ook de cyclische uitbreiding en terugtrekking van de polaire ijskappen op de hogere breedtegraden (de afwisseling van ijstijden en interglacialen) in de laatste 2,5 miljoen jaar, met een periode van rond 100.000 jaar, wordt aan die fluctuaties gerelateerd. De laatste ijstijd had zijn climax 18.000 jaar geleden en was 10.000 jaar geleden afgelopen. Sindsdien bevindt de Aarde zich in een interglaciaal, op weg naar het begin van de volgende ijstijd over zo'n 60.000 jaar.

Gaat het bij de Milankovitch-fluctuaties nog om betrekkelijk geleidelijke processen, het laatste decennium is gebleken dat er ook plotselinge, dramatische ingrepen van buitenaf in de geologische evolutie zijn opgetreden. In 1979 publiceerden de Amerikanen Luis en Walter Alvarez (vader en zoon, respectievelijk fysicus/Nobelprijswinnaar en geoloog) hun bevindingen omtrent de inslag van een reusachtige meteoriet of komeet op de grens Krijt-Tertiair (K/T), 65 miljoen jaar geleden, waardoor een wereldwijde milieu-catastrofe is veroorzaakt. Dit idee werd aanvankelijk met veel scepsis ontvangen, maar bracht wèl een vloed van gericht onderzoek op gang. Dat heeft inmiddels zoveel feiten aan het licht gebracht, dat de K/T mega-inslag thans algemeen wordt geaccepteerd. Bovendien heeft men ontdekt dat er in het geologische verleden veel meer mega-inslagen hebben plaatsgevonden en dat die een belangrijke factor zijn geweest in de evolutie van onze planeet. Dit onderzoek vormt tegenwoordig een 'hot topic' in de aardwetenschappen.

Kosmisch bombardement

In het eerste half miljard jaar na de geboorte van de Aarde (4,57 miljard jaar geleden) moeten mega-inslagen zelfs de belangrijkste geologische kracht aan het oppervlak zijn geweest. Onze planeet onderging in zijn prille jeugd talloze inslagen van boliden in allerlei afmetingen, die de jonge aardkorst telkenmale verpulverden, kraters deden ontstaan, en op grote schaal vulkanische uitbarstingen opwekten. Alle sporen uit dit helse tijdperk (dat de passende naam "Hadecum' heeft gekregen, naar Hades) zijn uitgewist door jongere, "gewone' geologische processen die worden aangedreven door de inwendige warmte van de Aarde en/of de ingevangen zonnestraling.

Het geologische archief van onze planeet begint 3,96 miljard jaar geleden met de vorming van het oudste aardse gesteente dat bewaard is gebleven, de Acasta-gneiss in NW Canada. Dit is echter een gesteente dat diep in de aardkorst is gevormd. Het oudste gesteente dat getuigt van de condities aan het aardoppervlak, is een sedimentgesteente in Groenland dat 3,75 miljard jaar geleden is afgezet. Dat we toch een en ander weten van wat er zich in de voorafgaande 800 miljoen jaar op Aarde heeft afgespeeld, danken wij aan de planetaire exploratie in het ruimtevaarttijdperk.

Op de Maan, Mars en Mercurius zijn de inslagkraters bewaard gebleven die getuigen van een "kosmisch bombardement' in hun prille jeugd. Op de Maan heeft men door datering van gesteentemonsters die naar de Aarde zijn gebracht kunnen vaststellen dat de talloze inslagkraters die de hooglanden hun pokdalige uiterlijk geven, grotendeels 4,2-3,9 miljard jaar geleden zijn gevormd. Of dit "bombardement' het einde representeert van een lange periode waarin de planeten puin opruimden dat van de vorming van het Zonnestelsel was overgebleven, dan wel een kortere episode als gevolg van de nabije botsing en fragmentarisering van twee reusachtige planetoï- den, is onbekend: de oudere geschiedenis is uitgewist door het tapijt van inslagen 4,2-3,9 miljard jaar geleden.

Op basis van de distributie en chronologie van de kraters op de Maan, rekening houdend met de verschillen in grootte en zwaartekracht, is berekend dat er in het Hadecum op Aarde ten minste zo'n 3.000 inslagkraters met een doorsnede groter dan 100 km moeten zijn gevormd (waarvan ongeveer 25 groter dan 1.000 km), naast talloze kleinere kraters. Van al deze kraters is niets bewaard gebleven.

Mysterieuze kraters

Maar ook na het "kosmisch bombardement' bleven grote boliden de Aarde treffen, zij het veel minder frequent. Pas na de ontdekking van de K/T mega-inslag is men echter de geologische betekenis hiervan gaan onderkennen. Achteraf is dat uiterst merkwaardig. Meteorieten liggen immers in de collecties van alle geologische musea en worden al lang herkend als interplanetair gruis dat voortdurend op Aarde valt. Men wist dat er planetoden en kometen zijn in banen die de aardbaan kruisen. Het ligt dus voor de hand dat de Aarde ook wel eens door dergelijke boliden wordt getroffen. Het paste echter niet in het traditionele geologische denken om daarin een belangrijk geologisch proces te zien.

Zo hebben geologen zich lang het hoofd gebroken over de oorsprong van een aantal grote, min of meer cirkelvormige depressies. Dicht bij huis is dat bijvoorbeeld de Ries-depressie met een doorsnee van 24 km in Duitsland, met daarin het middeleeuwse stadje Nördlingen. Al in de vorige eeuw waren er enkelingen die argumenteerden dat dit een inslagkrater is, maar zij werden als zonderlingen beschouwd. De algemeen geaccepteerde verklaring was dat het ging om een bijzonder vulkanisch verschijnsel - hoewel niet geheel (achteraf: geheel niet) begrepen. Men introduceerde voor dergelijke depressies de naam "kryptovulkanische structuren', het veronderstelde resultaat van een buitengewoon sterke freatische uitbarsting (door het plotselinge toetreden van grondwater tot heet magma). Zelfs de bekende Barringer Krater in Arizona, thans het schoolboek-voorbeeld van een inslagkrater die 25.000 jaar geleden is gevormd door de inslag en explosie van een ijzermeteoriet met een massa van ongeveer 1 miljoen ton (en bijgevolg herdoopt tot Meteor Crater), werd mij nog in 1961 als een vulkanische krater getoond door geologen van de U.S. Geological Survey (hoewel zij er eerlijk bij vertelden dat er excentriekelingen waren die een interpretatie als inslagkrater verdedigden).

Sedertdien heeft men echter geleerd wat de criteria zijn om een inslagkrater als zodanig te identificeren (cirkelvormige inzinking, ten dele gevuld met een mengsel van verbrijzeld gesteente en verglaasde smeltfragmentjes; een karakteristiek patroon van breuken in de ondergrond; specifieke mineralogische kenmerken; verrijking aan metalen van de platina-groep, in het bijzonder iridium; aanwezigheid van hoge-druk mineralen; etc.). Zo kon, bijvoorbeeld, worden aangetoond dat de Ries-depressie een inslagkrater is, gevormd door de inslag van een meteoriet met een doorsnede van ongeveer 1 km en een massa van zo'n 3 miljard ton. Door radiometrische datering is de ouderdom van de inslag vastgesteld op 14,8 miljoen jaar.

Als een dergelijk groot, massief lichaam met een snelheid van 20-60 km/sec. de Aarde treft, wordt het niet door de dampkring afgeremd zoals het gevolg is met kleine meteorieten. Het schiet in enkele seconden door de dampkring. Bij de inslag op het aardoppervlak wordt de kinetische energie plotseling omgezet in warmte, waardoor de bolide grotendeels smelt en verdampt. De hieruit voortvloeiende explosie slaat de eigenlijke krater. In de dampkring laat het binnendringende lichaam een vacuüm-slurf achter zich, waardoor een deel van het stof en fijne gruis dat door de explosie wordt weggeslingerd naar de ruimte kan ontsnappen. Miljoenen tonnen gepulveriseerd en gesmolten materiaal van de ondergrond worden tot in de stratosfeer geschoten en vallen tot op grote afstand van de inslagplaats terug. Zo ontstaan tektieten: glasobjecten met duidelijk gestroomlijnde vormen, waarvan de oorsprong tot voor kort omstreden was. Een groot strooiveld van tektieten bevindt zich in Centraal Europa, als product van de Ries-inslag.

Op alle continenten zijn tot dusverre zo'n 150 inslagkraters herkend van uiteenlopende grootte en ouderdom, en er komen er steeds meer bij.

Satellietwaarnemingen spelen hierbij een belangrijke rol. Grote kraters bij ons in de buurt zijn, behalve de Ries-krater, o.a. de Steinheim-krater vlak ZW van de Ries-krater, met een doorsnede van 3,4 km en dezelfde ouderdom (vermoedelijk een afgebroken brok van de Ries-meteoriet), de Rochecouart-krater in Frankrijk (doorsnede 23 km, 160 miljoen jaar oud), de Siljan-krater in Zweden (doorsnede 52 km, 368 miljoen jaar oud), de Mien-krater in Zweden (doorsnede 5 km, 118 miljoen jaar oud), en de Dellen-krater in Zweden (doorsnede 15 km, 109,6 miljoen jaar oud).

De oudste gedateerde inslagkrater op Aarde is de Vredefort Krater in Zuid-Afrika, met een doorsnede van 140 km en een ouderdom van 1,97 miljard jaar. De grootste bekende krater is de cirkelvormige depressie van de Hudson-baai, met een doorsnede van 400 km, maar hiervan is de ouderdom nog niet vastgesteld. De jongste bekende inslagkrater van enige omvang in Europa is de Humetsy krater in Estland, met een doorsnede van 80 m en een ouderdom van 2000 jaar.

Men moet bedenken dat inslagkraters op het land onder invloed van de erosie vervagen, waardoor vooral de kleinere kraters na enkele miljoenen jaren meestal niet meer als zodanig herkenbaar zijn. Bovendien worden inslagkraters zelden gevonden op de 60% van het aardoppervlak dat met oceaan is bedekt, terwijl kraters op de oceaanbodem na enkele tientallen miljoenen jaren met de oceanische korst in de mantel verdwijnen ("subdoceren'). Ook zijn er vele inslagkraters die aan het oog zijn onttrokken door bedekking met jongere sedimentlagen, zodat zij alleen met behulp van geofysische methoden kunnen worden opgespoord.

Zo is de krater van de K/T mega-inslag pas in 1991 gelocaliseerd, verborgen op een diepte van zo'n 1000 meter in de ondergrond van het vissersplaatsje Xixculubub in Yucatan (Mexico). De doorsnede bedraagt 180 km. Door onderzoek van boorkernen is de ouderdom onlangs bepaald op 65 miljoen jaar, exact de grens Krijt/Tertiair. De krater moet het resultaat zijn van de inslag van een bolide met een doorsnede van ongeveer 10 km en een massa in de orde van 10¹9gram. De explosie bij de inslag had een kracht van ongeveer 100 miljoen megaton TNT equivalent, overeenkomend met de explosieve kracht van zo'n 4 miljard atoombommen van het Hiroshima-type. Om een indruk te krijgen van de gevolgen van een dergelijke explosie, kan het Armageddon-scenario van de "nuclear winter' model staan dat ten tijde van de koude oorlog is ontwikkeld. Dit laat zien wat er zou gebeuren wanneer in de (toen nog gevreesde) Derde wereldoorlog alle nucleaire arsenalen worden ingezet - waarvan de totale explosieve kracht "slechts' één tienduizendste bedraagt van die van de K/T mega-inslag.

Biotische Crises

De wereldwijde milieu-catastrofe als gevolg van zo'n mega-inslag kan de biosfeer niet onberoerd laten. Inderdaad laat het fossiel-archief zien dat de K/T grens wereldwijd wordt gemarkeerd door een "biotische crisis', een abrupt uitsterven van talrijke dier- en plantesoorten (zo'n 75% van alle bestaande soorten) gevolgd door een uiterst snelle evolutionele radiatie van de overblijvende soorten. Na de 150 miljoen jaar durende heerschappij van de reptielen, gaf dat de zoogdieren de kans om zich een dominerende positie op het land te veroveren. Hun evolutie bracht, na zo'n 60 miljoen jaar de Mens voort.

Het massale uitsterven op de K/T grens staat momenteel in de publieke belangstelling omdat daarbij ook de populaire dinosauriërs zijn verdwenen. In de bewijsvoering van de biotische crisis speelt deze diergroep echter nauwelijks een rol. Dinosaurus-fossielen zijn vrij zeldzaam en leefden op het land. Continentale afzettingen laten meestal géén continue opeenvolging van lagen zien. Het uitstervingspatroon van de dinosauriërs is derhalve niet nauwkeurig vast te stellen. Zeker is dat deze diergroep, evenals allerlei grote mariene reptielen (mosasaurus, plesiosaurus, de grootste zeeschildpadden), er niet in slaagden om tot in het Tertiair te overleven.

Voor allerlei soorten ongewervelde en planktonische zeedieren is het wèl zeker dat zij precies op de K/T grens zijn uitgestorven. Door de veel grotere populaties zijn hun uitstervingspatronen in het fossiel-archief goed gedocumenteerd. Dat laat zien dat de K/T grens wordt gemarkeerd door het abrupte verdwijnen van alle soorten ammonieten en rudisten, en vele soorten planktonische foraminiferen, nannoplankton, pelecypoda, brachiopoden en gastropoden. Hun verdwijnen valt samen met het begin van de wereldwijde afzetting van een enkele centimeters dik kleilaagje dat verrijkt is aan iridium en componenten bevat die bij een inslag-explosie worden geproduceerd.

Dat de biotische crisis op de K/T grens het gevolg is van een mega-inslag, is tegenwoordig dan ook goed onderbouwd. Er woeden echter nog steeds heftige discussies of dit ook het geval is met een aantal andere wereldwijde biotische crises in de laatste 600 miljoen jaar (het tijdvak waarin de ontwikkeling van het leven met behulp van fossielen goed te vervolgen is). Sommige paleontologen, met als bekendste de Amerikaan David M. Raup, menen dat dit inderdaad zo is. Anderen verdedigen echter de opvatting dat abrupte veranderingen in de biosfeer niet het gevolg zijn van een plotselinge wereldwijde catastrofe of andere ingrijpende, geologisch snelle verandering van het fysische milieu, maar de apothese vormen van processen die zich over een aanzienlijk langere tijd uitstrekken.

Er komen echter steeds meer feiten aan het licht die mega-inslagen ook als hoofdschuldige aanwijzen voor in ieder geval de vier andere grote wereldwijde biotische crises die in het fossiel-archief zijn geregistreerd, respectievelijk 210, 250, 360 en 438 miljoen jaar geleden, evenals voor sommige kleinere. Elke biotische crisis maakte door het wereldwijde massale uitsterven de Aarde vrij voor de "explosieve' ontwikkeling van een nieuwe fauna en flora. Dit impliceert dat, naast het geleidelijke proces van de Darwiniaanse evolutie, ook toevallige, catastrofale gebeurtenissen in belangrijke mate de ontwikkeling van het leven hebben bepaald. In de oudste fossiele fauna's (met een ouderdom van zo'n 650 miljoen jaar) kan dus niet al de "marsroute' van de evolutie zijn geprogrammeerd, die onvermijdelijk moest leiden tot het verschijnen van de Mens.

Zwaard van Damocles

De ruimte rond de Aarde is ontzagwekkend leeg. Toch zwerven er talrijke planetoden en kometen die een continue bedreiging voor de Aarde vormen. In de laatste drie jaar zijn er al twee planetoden met een doorsnede van ongeveer één km op een afstand van "slechts' ongeveer 700.000 km (astronomisch bezien rakelings) langs de Aarde gescheerd. De Amerikaanse geoloog Eugene M. Shoemaker schat dat er momenteel in de orde van 1100 planetoden met een doorsnee van ten minste één kilometer zijn, naast zo'n 30 kometen met een kern van minimaal dezelfde grootte, die zich bewegen in banen die de aardbaan kruisen en potentieel met Aarde en Maan in botsing kunnen komen. De grootste lichamen hebben een doorsnede van ongeveer 10 km. Bijgaande figuur laat de banen van 50 grote aardbaan-snijdende planetoden zien op 30 juni 1991, maar die banen veranderen voortdurend onder invloed van de gravitatie van de planeten, de Zon, de Maan en elkaar.

Op basis van de dichtheid van kleinere inslagkraters op de Maan, schat Shoemaker dat er op Aarde per 5000 jaar gemiddeld 17 inslagen plaatsvinden met een explosieve kracht van ten minste 12 megaton, 7 van ten minste 30 megaton (zoals Tunguska), en één van ten minste 800 megaton TNT equivalent. Dit zijn gemiddelde waarden en de inslagfrequentie in een bepaalde periode kan hiervan fors afwijken - in de laatste paar duizend jaar lijkt zij aanzienlijk hoger te zijn. Mega-inslagen als die van de K/T grens komen gemiddeld hoogstens eens per honderd miljoen jaar voor. In het algemeen geldt dat inslagen van boliden uit de ruimte zeldzamer worden naarmate ze groter zijn.

Het is dus niet nodig in angst en vreze uit te zien naar de komende Apocalyps. Vooral niet als men bedenkt dat 3/5 van de Aarde bedekt is met oceaan en grote landoppervlakten eveneens onbewoond zijn, waar alleen zeer zeldzame mega-inslagen als die van de K/T grens een wereldwijde catastrofe kunnen veroorzaken. Anderzijds is het goed om zich te realiseren dat, als een "kleine' bolide als die van Tunguska niet boven onbewoond Siberië maar boven Utrecht was geëxplodeerd, ons land dan totaal verwoest zou zijn. En dergelijke "kleine' boliden, die een explosie teweegbrengen met een kracht van toch altijd nog ten minste 12 megaton TNT equivalent (zo'n 300 Hiroshima bommen), botsen op de Aarde met een gemiddelde frequentie van ten minste één per 250 jaar.

Dezer dagen staat de komeet Swift-Tuttle in de belangstelling. Baanberekeningen laten zien dat deze komeet, die een doorsnede heeft van ongeveer 10 km en in 135 jaar een zeer excentrische ellipsbaan beschrijft, op 14 augustus 2126 zo dicht in de buurt van de Aarde komt dat een botsing mogelijk is. De gevolgen van die inslag zouden vergelijkbaar zijn met de wereldwijde milieu-catastrofe van 65 miljoen jaar geleden. Het is echter bijzonder onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren. Allerlei onvoorziene factoren, zoals gravitatieve invloeden en de stuwkracht uitgeoefend door ontgassing van de komeetkern, kunnen de berekende baan verstoren en maken de exacte positie over 134 jaar uiterst onzeker. Hoogstwaarschijnlijk zal de komeet één van de vele "aardscheerders' worden (planetoden en kometen die op, astronomisch bezien, geringe afstand langs de Aarde scheren). Onze achterkleinkinderen kunnen dan genieten van het spectaculaire verschijnsel van een heldere komeet aan de nachtelijke hemel.

Foto's: De Meteoorkrater in Arizona, gevolg van een inslag 25.000 jaar geleden.

Omgeblazen bomen nabij de rivier Tunguska in Siberië waar in 1907 een luchtexplosie plaatsvond. Over vele kilometers werden de bomen zijn vanuit een centrum omvergeblazen. De foto werd pas in 1927 gemaakt.

Tekeningen: De vijf grote en de belangrijkste kleine biotische crises (massaal uitsterven van soorten in fauna en flora) in de laatste 500 miljoen jaar van de aardgeschiedenis.

Banen van 50 bekende Apollo planetoïden met een doorsnede groter dan één km die de aardbaan snijden op 30 juni 1991. De zwarte cirkeltjes geven de posities van mercurius, Venus, Aarde en Mars in hun banen (onderbroken lijnen)