Bruinvis en dolfijn zijn weer terug voor Nederlandse kust

Volgens bioloog drs. M. Leopold van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) is de dolfijnen- en walvissenstand op de Noordzee de laatste jaren toegenomen. Ook de dwergvinvis komt weer steeds meer voor. Dat valt te lezen in het nieuwste nummer van Zoogdier, tijdschrift voor zoogdierbescherming en zoogdierkunde.

""Je moet daar voorzichtig mee zijn'', zegt Leopold in een toelichting. ""Voor zover wij kunnen bekijken neemt het aantal bruinvissen in de zuidelijke Noordzee toe. Dat kan betekenen dat het beter met ze gaat, maar het is ook mogelijk dat ze zich alleen maar verplaatsen omdat ze bijvoorbeeld voor de Schotse kust verhongeren. Vergeet niet dat het om een soort gaat die voorkomt van Mauretanië in West-Afrika tot bij de Noordkaap. Niemand heeft dat helemaal in beeld.''

De bruinvis, voor de oorlog een zeer algemeen beest, was in de jaren zestig en zeventig zo schaars geworden dat hij in de Nederlandse kustwateren haast als uitgestorven kon worden beschouwd. Het gaat nu weer beter. ""Als je duizend uur over zee tuurt zie je gemiddeld 40 bruinvissen'', aldus Leopold. ''Zeevogelaars doen dat. En bij onze vliegtuigwaarnemingen boven zee zien we ook steeds meer bruinvissen.''

Hoewel geen oorzakelijk verband is aangetoond, is het wel opvallend dat het verdwijnen van de bruinvissen eind jaren zestig samenviel met het instorten van de haringstand, terwijl de terugkeer van de soort samen gaat met het herstel van deze vissoort. De haringvisserij is een aantal jaren gesloten geweest om de soort voor uitsterven te behoeden.

Haringen paaien allemaal tegelijk, waarbij de eieren worden afgezet op gunstige paaiplaatsen voor de Engelse kust. De zeestroom voert deze eieren mee. ""De larve ontwikkelt zich in een reizend ei'', aldus Leopold. ""In de jaren zeventig is deze zeestroom door ingewikkelde klimatologische oorzaken zo'n tien jaar lang van richting veranderd en minder sterk geworden. De haringlarven kwamen toen al uit het ei als ze nog maar halverwege de Doggersbank waren en daar verhongerden ze.''

De zeer kleine, kreeftachtigen (copepoden) die hun voedsel vormen komen daar niet voor, maar wel rond de Waddenkust, waar de zeewatertemperatuur bovendien wat gunstiger is voor het opgroeien van de jonge haring. Zo nam de aanwas van de haringstand sterk af terwijl de vangst van volwassen exemplaren intussen gewoon doorging, hetgeen tot overbevissing leidde. Toen de haringvisserij tijdelijk gesloten werd, keerde tegelijkertijd ook de gunstige zeestroom terug.

Of dit tot terugkeer van de bruinvissen heeft geleid blijft onbewezen. Volgens Leopold is niet precies bekend hoe belangrijk de haring op het menu van deze dolfijnsoort is. ""Maagonderzoek doen wij alleen aan dode dieren en dat zegt niet alles over het voedingspatroon van gezonde exemplaren.''

Naast de bruinvis wordt ook de witsnuitdolfijn, die meer in open wateren thuishoort, weer vaker dan vroeger op de Noordzee waargenomen. Het aantal strandingen van deze soort is de afgelopen 10 à 15 jaar in elk geval sterk toegenomen. ""En als je een week op zee ronddobbert om vogels te tellen heb je gemiddeld recht op één witsnuitdolfijn'', aldus Leopold. In het noorden van de Noordzee vertoont de dwergvinvis, een uitgesproken haringeter, zich weer vaker dan vroeger.